Wet- en regelgeving
Gedragsregels 1992
Gedragsregels 1992
Ten geleide
Twaalf jaar na het verschijnen van de gedragsregels voor advocaten 1980 verscheen de nieuwe tekst van de gedragsregels 1992.
Twaalf jaar lijkt in dit verband een magische termijn want de gedragsregels 1980 vervingen de `Ereregelen voor advocaten´ 1968. In de praktijk worden de regels ook wel vernoemd naar de voorzitters van de commissies, die daarvan aan de wieg stonden. Zo kan aan de namen van mrs. A.F. Visser van IJzendoorn en D.P. Dirkzwager thans worden toegevoegd mr. J.B. Bitter (Zutphen), die in 1990 voorzitter werd van de toen geïnstalleerde commissie herziening gedragsregels. De commissie bestond voorts uit mrs. J.L.H.M. Adelmeijer (Maastricht), J.C.P. Ekering (Rotterdam), E. Hamminga (Groningen), G.J. Kemper (Amsterdam), Th. de Roos (Amsterdam), J. Schoonderbeek (Utrecht), H.P. Utermark (Den Haag) en E.E. Minkjan (Den Haag), secretaris.
De taak van de commissie bestond uit het waar nodig doen van voorstellen voor een nieuwe tekst van de gedragsregels 1980, waarbij rekening zou worden gehouden met onder meer wetswijzigingen, de CCBE-code of conduct en nieuwe opvattingen binnen de balie en van de tuchtrechter. Bovendien werd de commissie gevraagd te adviseren over de wenselijkheid of noodzaak bepaalde gedragsregels op te nemen in een verordening.
De commissie is niet over één nacht ijs gegaan. Uit het tussentijds verslag van de voorzitter (Adv.bl. 1991, blz. 225) is gebleken dat de commissie zich bijvoorbeeld de vraag heeft gesteld of er aan formuleren van gedragsregels überhaupt nog behoefte bestaat of dat bijvoorbeeld aan het meer algemeen toegankelijk maken van tuchtrechtelijke beslissingen door middel van een kaartsysteem de voorkeur moest worden gegeven. Zoals moge blijken uit het voortzetten van haar werkzaamheden, heeft de commissie gekozen voor het (her)formuleren van regels.
Op 26 februari 1992 publiceerde de commissie Bitter haar rapport. Het rapport is vervolgens besproken en becommentarieerd door de Raden van Toezicht, de Raden van Discipline, de Vereniging van Advocaat-Scheidingsbemiddelaars en enkele individuele advocaten. Voorts was het rapport onderwerp van discussie tijdens een seminar op 9 juni 1992 ter gelegenheid van het afscheid van mr S. Boekman als plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline. De Algemene Raad wist zich bij de behandeling van de voorgestelde teksten in het College van Afgevaardigden bijgestaan mr. F.N. Meijer. Na bespreking van het concept tijdens een Collegevergadering op 1 oktober 1992 werden tekst en toelichting vastgesteld tijdens de Collegevergadering van 27 november 1992.
De prealabele vraag, die tijdens de behandeling in het College op initiatief van de Amsterdamse Raad van Toezicht aan de orde kwam, luidde of de gedragsregels bij verordening moesten worden vastgesteld. De voorstanders hiervan betoogden dat de regels daardoor aan gezag zouden winnen en meer gelegitimeerd zouden zijn. Hiertegen werd ingebracht dat er aldus een ongewenste verschuiving in de richting van het strafrecht zou ontstaan. Voorts werd opgemerkt dat een gesloten systeem van bij verordening vastgestelde regels strijdig is met het karakter van het tuchtrecht. Uiteindelijk werd evenals bij voorgaande herzieningen voor het open stelsel gekozen. De gedragsregels blijven dus, zoals de commissie Visser van IJzendoorn in 1968 schreef, `opgetekende coutumes, een weergave van datgene wat in de balie in een bepaald tijdvak leefde als ererecht´. Zij geven weer hoe de balie de wettelijke norm van artikel 46 Advocatenwet thans interpreteert. Het gaat dus om een eigentijdse invulling van wat lang `de eer van de stand´ is genoemd. Die term was overigens een niet geheel trefzekere vertaling van `l`honneur de l`Ordre´, waarmee werd aangeduid de eerbaarheid en deugdzaamheid die voor de uitoefening van ons beroep altijd zijn verondersteld. Ons gedragsrecht blijft dus rechtersrecht. Uiteindelijk oordelen Raden en het Hof van Discipline wat een behoorlijk advocaat uit een oogpunt van behoorlijke beroepsuitoefening al dan niet betaamt. Steeds meer, zo blijkt uit de rechtspraak van deze colleges, staat daarbij centraal het belang van de cliënt. En niet alleen de eigen cliënt kan vertrouwen op een onafhankelijke rechterlijke toetsing van het optreden van de advocaat. Ook de wederpartij wordt in bescherming genomen wanneer hij geen juridische bijstand heeft. De advocaat dient er immers rekening mee te houden dat hij door een niet-juridisch geschoolde wederpartij als deskundig wordt beschouwd en dat de door hem verstrekte informatie als juist wordt aangenomen. (Aldus bijvoorbeeld Raad van Discipline Den Bosch, 13 januari 1992, Advbl. 1992, blz. 692.)
De verleiding is groot dieper in te gaan op de rijke casuïstiek van onze tuchtrechtspraak. De materie wordt pas echt interessant wanneer de abstracte norm concrete inhoud krijgt. Daarom is kennisneming van de in het Advocatenblad gepubliceerde uitspraken niet alleen nuttig maar ook boeiend. Maar nu beperk ik mij tot de nieuwe gedragsregels, die anders dan in 1980 van een toelichting zijn voorzien. De wijze waarop zij moeten worden gehanteerd wanneer in enige situatie onzekerheid bestaat is beschreven in de inleiding van de commissie Bitter, welke tijdens de discussies over het onderwerp zonder aanvullingen of wijzigingen overeind is gebleven. Dat zegt iets over de kwaliteit daarvan en de brede consensus over de inhoud. Ik mag u daarom met genoegen naar deze inleiding verwijzen.
W.G. van Hassel
Algemeen deken 1992-1994
_______________________________________________________________________________________________________
© Nederlandse Orde van Advocaten