Wet- en regelgeving
Gedragsregels 1992
4. Optreden in rechte
Regel 12 (regel 21 oud)
1. Op brieven en andere mededelingen van de ene advocaat aan de andere mag in rechte geen beroep worden gedaan, tenzij het belang van de cliënt dit bepaaldelijk vordert, maar dan niet zonder voorafgaand overleg met de advocaat van de wederpartij.
2. Indien dit overleg niet tot een oplossing leidt, dient het advies van de deken te worden ingewonnen voordat in rechte een beroep als vorenbedoeld wordt gedaan.
Regel 13 (regel 22 oud)
Omtrent de inhoud van tussen advocaten gevoerde schikkingsonderhandelingen mag aan de rechter aan wiens oordeel of instantie aan wier oordeel de zaak is onderworpen, niets worden medegedeeld zonder toestemming van de advocaat van de wederpartij.
Toelichting op regels
12 en 13 (reg
els 21 en 22 oud)
De commissie heeft langdurig stilgestaan bij de regels over confraternele correspondentie en schikkingsonderhandelingen. De vraag rees of deze regels in het openbaar belang zijn en een goede rechtshulpverlening bevorderen. Zien de regels niet teveel op de eer van de stand? Is het terecht dat advocaten zich aan een regel moeten houden, waaraan andere rechtshulpverleners zich niet behoeven te houden, zoals deurwaarders, medewerkers bureaus voor rechtshulp, juristen in dienst van rechtsbijstandverzekeraars? De cliënt die wordt bijgestaan door een advocaat kan daardoor in het nadeel zijn. Verder rees de vraag naar de behoefte aan het verbod van het overleggen van confraternele correspondentie. De commissie overwoog dat de regel is ontstaan in een tijd waarin niet van alle correspondentie fotocopieën naar de cliënt gingen, zodat het werkelijk om confraternele correspondentie ging. De indruk bestaat dat het verzoek confraternele correspondentie te mogen overleggen soms te gemakkelijk wordt gedaan, in die zin dat hetgeen de advocaat ermee wil aantonen, ook anderszins duidelijk kan worden gemaakt. Het gevolg van het afschaffen van de regel zou daartegenover kunnen zijn dat advocaten voortaan menen de gehele correspondentie in procedures over te moeten leggen. De commissie heeft overwogen de desbetreffende regels uit de CCBE-code of conduct aan te bevelen. Volgens regel 5.3 uit die code moet een advocaat bij de verzending van een mededeling die hij als vertrouwelijk beschouwd wil zien, zulks vermelden. De geadresseerde die de mededeling niet als vertrouwelijk wil beschouwen, moet deze terugsturen zonder de inhoud ervan bekend te maken. Na uitgebreide discussie heeft de commissie besloten deze regel, waarover in de verschillende lidstaten heel verschillend wordt gedacht, niet over te nemen.
De commissie acht het onpraktisch dat de advocaat zich afhankelijk moet stellen van de geadresseerde, die een als vertrouwelijk te
beschouwen mededeling al dan niet terugstuurt. Het doel van de regeling is onderling overleg tussen advocaten, onderhandelingen en het zoeken naar oplossingen buiten proces te vergemakkelijken. Naar het oordeel van de commissie wordt dat doel beter bereikt door de bestaande regel in Nederland dan door regel 5.3 van de CCBE-code of conduct. De commissie heeft de kwestie voorgelegd aan de overlegcommissie gedragsregels en aan de dekenvergadering. Deze hebben met klem bepleit de huidige regeling te handhaven, omdat zij in een behoefte voorziet en de dekens ermee kunnen werken. (Zie ook dekenadvies inzake confraternele correspondentie, van mr. W. Aerts, in Advocatenblad 1989, blz. 88-89.)
De commissie stelt dan ook ten slotte voor de bestaande regeling in beginsel te handhaven. Ter voorkoming van misverstand wijst de commissie erop, dat alleen is verboden het overleggen van en het beroep doen op tussen advocaten gewisselde brieven en mededelingen. Indien in een briefwisseling een overeenkomst is vastgelegd of in een brief een sommatie is gedaan is het niet verboden te stellen zonder de brief te noemen dat die overeenkomst is aangegaan, respectievelijk die sommatie heeft plaatsgehad. De moeilijkheid ontstaat pas wanneer dit wordt betwist. De wens confraternele correspondentie over te leggen is vooral ingegeven om bijvoorbeeld een ingebrekestelling te bewijzen of een renteaanzegging, een verzoek om toezending van bepaalde stukken of om schadebeperkende maatregelen te nemen. De commissie heeft getracht hiervoor een gemeenschappelijk criterium te vinden, maar is er niet in geslaagd een dergelijk criterium te formuleren dat alle mogelijkheden dekt. (Overigens kan een ingebrekestelling ook rechtstreeks aan een wederpartij worden gestuurd, hetgeen in een procedure kan worden meegedeeld zonder dat confraternele correspondentie behoeft te worden overgelegd. Zie regel 18 tweede lid.) Mislukt het overleg met de andere advocaat, dan dient het advies van de deken te worden ingewonnen. Omtrent de inhoud van schikkingsonderhandelingen mag niets aan de rechter worden meegedeeld. De commissie heeft de tweede zin geschrapt die zonder nadere motivering in 1980 aan de regel is toegevoegd en volgens welk de inhoud van schikkingsonderhandelingen wel mag worden geopenbaard indien de advocaat zich het recht daartoe uitdrukkelijk heeft voorbehouden. De commissie acht het onjuist dat een van beide advocaten de inhoud van schikkingsonderhandelingen zou kunnen openbaren wanneer hem dit uitkomt.
De rege
l betreft `schikkingsonderhandelingen´. Zij slaat dus niet op het geval dat een partij onvoorwaardelijk aanbiedt te betalen wat zij erkent schuldig te zijn en dit aanbod handhaaft tijdens de procedure. Met een beroep daarop kan immers geen verkeerde indruk worden gewekt. En het is geboden dat hiervan melding mag worden gemaakt, omdat daardoor bijvoorbeeld ongerechtvaardigde veroordelingen in proceskosten kunnen worden voorkomen.
De commissie onderstreept verder, dat het alleen verboden is aan de rechter mededeling te doen van de `inhoud´ van schikkingsonderhandelingen. Het enkele feit dat schikkingsonderhandelingen zijn gevoerd (maar niet geslaagd) mag aan de rechter worden medegedeeld, bijvoorbeeld opdat de rechter zich een oordeel kan vormen over de zin van een schikkingscomparitie.
Regel 14 (regel 23 oud)
1. Bij het bepalen van het tijdstip van overleggen van stukken aan de rechter aan wiens oordeel of de instantie aan wier oordeel de zaak is onderworpen dient de advocaat er rekening mee te houden dat de wederpartij een reactie daarop voldoende zorgvuldig moet kunnen voorbereiden.
2. Overlegging van een pleitnota is slechts geoorloofd, wanneer zij niet meer bevat dan hetgeen door de advocaat is bepleit.
3. Terstond na afloop van de pleidooien moet een afschrift van de pleitnota aan de advocaat van de wederpartij worden afgegeven.
Toelichting op regel 14 (regel 23 oud)
De oorspronkelijke tekst is enigszins gewijzigd. Het is in het algemeen welwillend dat wanneer elke advocaat vóór de pleidooien een afschrift aan het rechterlijk college overhandigt, hij tegelijkertijd zijn wederpartij een afschrift geeft.
Regel 15 (regel 24 oud)
1. Het is de advocaat niet geoorloofd zich in een aanhangig geding anders dan tezamen met de advocaat der wederpartij tot de rechter aan wiens oordeel of de instantie aan wier oordeel de zaak is onderworpen te wenden, tenzij schriftelijk en met gelijktijdige toezending van een afschrift der mededeling aan de advocaat van de wederpartij en voorts zo tijdig dat die advocaat voldoende gelegenheid heeft om op de mededelingen te reageren.
2. Nadat om een uitspraak is gevraagd, is het de advocaat niet geoorloofd zich zonder toestemming van de wederpartij tot de rechter te wenden.
Toelichting op regel 15 (regel 24 oud)
De tekst van lid 2 is iets uitgebreider geformuleerd. In regel 24 lid 2 oud werd gesproken van `nadat vonnis is gevraagd´.
In de praktijk blijkt dat sommige advocaten ten onrechte menen dat zij ook in dit geval overle
g met de deken behoren te plegen, zoals bijvoorbeeld wordt voorgeschreven bij het overleggen van confraternele correspondentie.
Regel 16 (regel 25 oud)
1. Personen die door de wederpartij als getuige zijn aangezegd of kennelijk zullen worden aangezegd, zal de advocaat vóór het verhoor niet mogen horen.
2. In strafzaken zal de advocaat zich ervan onthouden getuigen die door het Openbaar Ministerie zijn gedagvaard of opgeroepen vooraf te horen.
3. Deze bepalingen gelden niet ten aanzien van de eigen cliënt en personen in dienst van of in een bijzondere relatie staande tot de eigen cliënt.
Toelichting op regel 16 (regel 25 oud)
De tekst is redactioneel enigszins gewijzigd.
De bijzondere gevallen die in de oude regeling stonden als uitzondering in strafzaken zijn eruit gehaald. Het is niet de bedoeling materieel iets te veranderen, maar de toevoeging `behalve in bijzondere gevallen´ lijkt overbodig. Het karakter van gedragsregels brengt in het algemeen mee dat bijzondere omstandigheden een afwijking van de gedragsregels kunnen rechtvaa
rdigen.
_______________________________________________________________________________________________________
© Nederlandse Orde van Advocaten