Consumenten   Juridische databank    Wet- en regelgeving    Overwegingen Adviescommissie Verordening dienstbet…

Juridische databank

Overwegingen Adviescommissie Verordening dienstbetrekking


Overwegingen Adviescommissie Verordening dienstbetrekking

Overwegingen van de Adviescommissie voor de Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking m.b.t. de interpretatie van de artikelen 3, vijfde lid en 6 van de Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking (non-profit organisaties met een ideëel doel), januari 1998 .

1. Inleiding

Met de Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking (hierna: de Verordening) is uitvoering gegeven aan de aanbevelingen van de Werkgroep Cohen ruimte te bieden aan juristen in dienstverband om zich te laten inschrijven als advocaat. Een belangrijk richtsnoer van Cohen daarbij was de "structurele parallelliteit" van de doelstelling van de werkgever en de belangen van de cliënt. Cohen toetste een aantal werkgevers aan dit parallelliteits-criterium en wijdde in dat verband de volgende overweging aan de non-profit organisaties die een ideëel doel dienen:

"Bij organisaties met een ideële doelstelling, zoals consumentenorganisaties, vakbonden e.d., vertoont de doelstelling van de organisatie over het algemeen een structurele parallelliteit met die van de leden. De werkgroep meent dat daarom juristen in dienst bij non-profit organisaties die een ideëel doel dienen, waaronder de behartiging van de belangen van hun leden, de mogelijkheid gegeven zou moeten worden zich in te laten schrijven als advocaat."

Deze gedachten van de Werkgroep Cohen hebben hun weerslag gevonden in artikel 3, vijfde lid en artikel 6 van de Verordening. De volgende daarin opgenomen toetsstenen zijn in dit verband van belang:

a.        De activiteiten van de organisatie beperken zich tot het feitelijk en statutair zonder winstoogmerk nastreven van een ideëel doel.
b.        Dat ideële doel is maatschappelijk van wezenlijke betekenis.
c.        Dat ideële doel loopt naar zijn aard parallel met het gezamenlijk belang van de leden of op vergelijkbare wijze aangeslotenen.
d.        De advocaat behartigt uitsluitend ledenbelangen die binnen het kader van de ideële doelstelling vallen (d1) en niet kunnen conflicteren met andere ledenbelangen (d2).
e.        De advocaat behandelt alleen zaken waarvan naar hun aard aannemelijk is dat de tegenpartij zich niet voor dezelfde zaak tot dezelfde organisatie kan wenden.

Deze criteria dienen niet allen over één kam te worden geschoren. A t/m C zijn afkomstig uit artikel 6 en hebben betrekking op de al dan niet "erkenning" van de werkgever als ideële organisatie in de zin van artikel 3, eerste lid onder f. De criteria d en e zijn neergelegd in artikel 3, vijfde lid en stellen wat men zou kunnen noemen nadere voorwaarden waaronder de advocaat in dienst van de (erkende) ideële organisatie de praktijk dient uit te oefenen.

2. Achtergrond

De belangenparallelliteit die de Verordening beoogt, is te begrijpen tegen de volgende achtergrond.
In het algemeen is het bezwaarlijk dat een advocaat werkzaam is in een organisatie waarin mede belangen worden nagestreefd die wezenlijk verschillen van de belangen waarom het bij de in het advocatenberoep beoefende rechtshulpverlening gaat. Een advocaat behoort uitsluitend het - legitieme - belang van de individuele cliënt tot richtsnoer te nemen. Hij mag zich niet door andere belangen - dus ook niet door andere legitieme belangen - laten beïnvloeden. Wanneer een advocaat werkzaam is in een organisatie die wèl andere belangen nastreeft is er een aanzienlijk risico dat de advocaat zich niet aan de invloed van die andere belangen zal kunnen onttrekken. Zijn functioneren zal dan wèl mede door andere belangen dan die van zijn eigen cliënt worden bepaald.

Met het oog, vooral, hierop kennen advocatenorganisaties in vele landen regels die een dergelijke beïnvloeding beletten. Zulke regels zijn er in verschillende vormen.
Zo zijn er regels
-        die advocaten beletten om in dienst van niet-advocaten werkzaam te zijn;
-        die advocaten beletten werkzaam te zijn in samenwerkingsverbanden (zoals maatschappen) met niet-advocaten;
-        die beletten dat advocatenkantoren via kapitaaldeelname of andere vergelijkbare middelen, blootstaan aan zeggenschap van niet-advocaten.

De Verordening beoogt een beperkte groep gevallen te definiëren, waarin ondanks het bestaan van een dienstverband tussen de advocaat en een werkgever die zelf niet advocaat is, het risico van beïnvloeding door andere belangen dan die van de cliënt, tot aanvaardbare proporties is teruggebracht. Bij toetsing van concrete gevallen kan het zinvol zijn om het betreffende geval te vergelijken met de "normaaltype"-gevallen waar de verschillende voor de advocatuur geldende regelingen zich tegen verzetten. Goede voorbeelden zijn het geval van een advocaat (niet zijnde een advocaat-bedrijfsjurist) in dienst van een commerciële verlener van consultancy-diensten; of het geval van een advocatenkantoor waarin de zeggenschap c.q. de kapitaaldeelname wèl in belangrijke mate bij niet-advocaten berusten. Mede door vergelijking met zulke gevallen kan worden beoordeeld of een ideële organisatie aan de strekking van de Verordening beantwoordt.

3. Praktijkproblemen

In de praktijk is, vrijwel direct na de inwerkingtreding van de Verordening, de vraag aan de orde gekomen wanneer sprake is van een ideëel doel in de zin van deze bepaling. Een als ideëel gepresenteerde doelomschrijving is soms in zeer weidse termen geformuleerd of bevat (bijna) alleen materiële belangen; vaak ook zijn de criteria voor het lidmaatschap in dusdanig vrijblijvende termen geformuleerd dat nog bezwaarlijk kan worden gesproken van herkenbare ledenbelangen, parallel lopend met het doel van de organisatie. Daarnaast verdient het begrip (structurele) parallelliteit wellicht nadere toelichting.

4. Overwegingen

Zich mede baserend op het bovenstaande komt de Adviescommissie tot de volgende overwegingen, die de Raden van Toezicht behulpzaam zouden kunnen zijn bij de beoordeling van verzoeken om inschrijving, gebaseerd op artikel 6 van de Verordening:

4.1        Ideëel doel, maatschappelijk van wezenlijke betekenis (criteria a en b)
Daarvan is sprake wanneer met de verwezenlijking van dat doel (mede) een algemeen, maatschappelijk belang wordt gediend dat het belang van de leden of dat der organisatie zelf overstijgt.

4.2        Feitelijk en statutair (criterium a)
Zoals hiervoor reeds opgemerkt biedt de statutaire doelomschrijving alleen, door de algemene termen waarin deze kan zijn geformuleerd, niet steeds voldoende houvast voor de beantwoording van de vraag of voldaan wordt aan de criteria a en b. In dat beoordelingsproces kunnen naast de statutaire doelomschrijving ook feitelijke, niet in de statutaire doelomschrijving vermelde omstandigheden worden meegewogen, zolang deze betrekking hebben op de maatschappelijke effecten die het optreden van de organisatie in de samenleving teweegbrengt. Bij organisaties van verkeersdeelnemers, denke men aan bijvoorbeeld aspecten als verkeersveiligheid of (noodzakelijke) publieksvoorlichting, bij werkgeversorganisaties aan werkgelegenheid of de noodzakelijke rol die wordt vervuld in de dialoog tussen de sociale partners onderling, bij beroepsorganisaties aan kwaliteitsbevordering of bewaking van de integriteit.

Vanzelfsprekend behoren de maatschappelijke effecten ook te worden meegewogen in het geval waarin de statutaire doelomschrijving wel expliciet in ideële termen is gesteld. Dit om te voorkomen dat organisaties als ideëel worden erkend, terwijl hun maatschappelijke betekenis in feite verwaarloosbaar is.

4.3        Naar zijn aard parallel (criterium c)
Criterium c vindt zijn oorsprong in de structurele parallelliteit van Cohen. Voor de ratio van dat begrip zij ook verwezen naar de toelichting op de Verordening. Waar het op neerkomt is dat nimmer situaties kunnen ontstaan waarin de belangen van de organisatie en die van het rechtshulpverkrijgende lid conflicteren. Met andere woorden: de verhouding waarin ledendoel en ledenbelangen tot elkaar staan moet de mogelijkheid van tegenstrijdigheid uitsluiten.

Het Hof van Discipline is van oordeel dat de enkele - vrijwel denkbeeldige - omstandigheid dat wel eens zou kunnen worden opgetreden tegen een of meer leden die een geldende CAO niet naleven niet voldoende is om aan te nemen dat de structurele parallelliteit in de zin van artikel 6 van de Verordening ontbreekt. (Hof van Discipline 26 april 1999, Adv.bl. nr. 17, 17 september 1999, blz. 934.)

De parallelliteitseis houdt ook in dat sprake moet zijn van een organisatie met een omlijnd, geïndividualiseerd ideëel doel, en leden met evenzeer omlijnde, bepaalbare belangen. Immers, zouden organisatiedoel of ledenbelangen een dergelijke onderscheidende waarde niet bezitten, dan kan er bezwaarlijk nog worden gesproken van parallelliteit en ontstaat dus de kans op belangenconflicten: tussen werkgever en leden/cliënten, maar ook tussen leden onderling.

Het Hof heeft overwogen dat de rechtsbijstand die de bij het CNV aangesloten vakbonden zelf aan hun leden verlenen in het algemeen zal voldoen aan het vereiste van structurele parallelliteit. Bij de Stichting Rechtshulp CNV gaat het om rechtsgebieden die juist niet vallen binnen het kader van de doelstelling van de vakbonden en het daarmee parallel lopende gezamenlijke belang van de vakbondleden. Van de zeer ruime, in algemene termen omschreven, doelstelling van het CNV kan niet gezegd worden dat die naar haar aard parallel loopt aan bedoeld gezamenlijk belang. De CNV is geen organisatie met een ideëel doel als bedoeld in artikel 3 eerste lid aanhef en sub f jo. artikel 6. (HvD 26 april 1999)

De structurele parallelliteit kan niet alleen door een te weids geformuleerd doel maar ook door een te weidse ledenkring worden gefrustreerd. Tussen de leden of aangeslotenen en het organisatiedoel dient een aanwijsbare correlatie te bestaan en daarmee ook tussen de leden onderling. Anders geformuleerd: de kring van leden of aangeslotenen die aanspraak kunnen maken op de diensten van de organisatie dient te zijn beperkt tot degenen op wie de doelomschrijving van de organisatie rechtstreeks betrekking heeft.
Voorbeeld: in het geval van een beroepsorganisatie dient de dienstverlening door die organisatie beperkt te blijven tot degenen die dat beroep uitoefenen en zich niet mede uit te strekken over gezinsleden.

4.4        Binnen het kader van de ideële doelstelling (criterium d1)
De belangenbehartiging ten behoeve van de leden moet binnen het kader van de ideële doelstelling zijn gelegen, het behoeft daarmee niet volledig samen te vallen. Dit alles zolang het gevaar voor een structureel belangenconflict tussen werkgever en leden/cliënten is uitgesloten.
Voorbeeld:
1.        Bij een organisatie van agrariërs, met als doel de bevordering van de beroepsmatige belangen van de leden kan de advocaat een zaak behandelen die betrekking heeft op de levering van een landbouwwerktuig, geen familiezaak.
2.        De advocaat in dienst van een vakbondsorganisatie kan voor een lid wel een arbeidszaak behandelen, geen familiezaak.
3.        Een letselschadezaak voortvloeiend uit een ongeval op het werk kan door diezelfde advocaat wel worden behandeld, niet wanneer het een verkeersongeval betreft dat niets met het werk uitstaande heeft.

4.5        Geen conflict met andere ledenbelangen (criterium d2)/Zaken waarvan naar hun aard aannemelijk is dat de tegenpartij zich niet (...) tot dezelfde organisatie kan wenden (criterium e)
Ook de kans op belangentegenstellingen van de leden onderling dient de pas te worden afgesneden. Daarom mag de advocaat geen zaken behandelen die kunnen conflicteren met andere ledenbelangen en beperkt hij zich tot zaken waarvan naar hun aard aannemelijk is dat de tegenpartij zich niet voor dezelfde zaak tot dezelfde organisatie kan wenden.
Voorbeeld: een vakbondslid krijgt ontslag wegens seksueel intimiderend gedrag ten opzichte van een collega. De vakbondsadvocaat kan deze zaak niet behandelen; het belang van dit lid conflicteert immers met dat van de collega (gesteld dat deze lid is) die zich voor dezelfde zaak om rechtsbijstand tot de Bond kan wenden. Of hij die rechtsbijstand van de Bond in feite geniet of niet, doet in dit geval niet ter zake. Zie ook de voorbeelden genoemd in noot 20 van de bestaande toelichting op de Verordening (bijgesloten).

De criteria d1 en d2 vinden extra houvast in de vermelding in hetzelfde Verordeningsartikel (artikel 3, vijfde lid) dat de praktijkuitoefening door advocaten binnen de organisatie zich uitsluitend behoort te richten op de leden als zodanig. Met die laatste twee woorden wordt onderstreept dat de rechtshulp beperkt moet blijven tot aangelegenheden die in aanwijsbare relatie staan tot het lidmaatschap.

4.6        Grensgebied met rechtsbijstandverzekeraars
Bij de beoordeling of er sprake is van een ideële organisatie dient ook de vraag in beschouwing te worden genomen op welke wijze de door die advocaten geleverde advocatendiensten door de leden worden vergoed. Daarbij kunnen constructies worden gebezigd die de organisatie bestempelen als een rechtsbijstandverzekeraar of een daarmee vergelijkbare instelling. Op dit moment is het deel van de Verordening dat toetreding van de rechtsbijstandjuristen mogelijk maakt nog niet ingevoerd. Van belang is wel dat het nog niet ingevoerde deel van de Verordening spreekt van verzekeraars die uitsluitend de branche rechtsbijstandsverzekering uitoefenen, schaderegelingskantoren, of een daarmee vergelijkbare instelling (ontwerp-artikel 3, eerste lid onder e). Er is een aantal varianten denkbaar:

a.        De organisatie stelt juridische bijstand door advocaten beschikbaar aan de leden tegen een aparte vergoeding (per zaak of verrichting).
        Hier is geen verzekeringsaspect.
b.        De organisatie verleent juridische bijstand, indien een hoger bedrag per jaar aan contributie wordt betaald. Hier overheerst het verzekeringsaspect.
c.        Als in b, maar bovendien laat de organisatie de rechtsbijstand plaatsvinden door middel van een rechtsbijstandverzekeringsmaatschappij. Ook deze situatie valt zonder meer onder het (niet ingevoerde) regime dat betrekking heeft op de rechtsbijstandverzekeraars.

In de gevallen b en c is geen sprake van een ideële organisatie in de zin van artikel 6. Zoals de zaken thans staan kunnen de juristen in dienst van een dergelijke organisatie niet worden ingeschreven als advocaat.

5. Tot slot

Een organisatie waarvan de doelstelling zich beperkt tot de verlening van rechtsbijstand door (onder andere) advocaten valt buiten het bestek van de hier besproken verordeningsbepalingen. Die materie is immers geregeld in de Verordening op de praktijkrechtspersoon. Wil een dergelijke organisatie over advocaten beschikken, dan zou deze zijn toevlucht moeten zoeken tot de oprichting daarvan. Alleen de Stichtingen voor Rechtsbijstand vormen hierop een in artikel 3, zesde lid van de Verordening uitdrukkelijk geregelde uitzondering.

6. Samenstelling Adviescommissie

De Adviescommissie was bij het uitbrengen van dit stuk als volgt samengesteld(1):
Jhr. A.W. Beelaerts van Blokland Den Haag
P.J.M. Drion Rotterdam
J.B. Kin Eindhoven
J.D. Loorbach Rotterdam
C.B.J. Okkerse Lelystad
E.H. Swaab Amsterdam


(1)        Zie voor de huidige samenstelling: Vademecum Samenstellingen en instanties.
 




Naar boven