Voorstel van Wet Bevordering Integriteitsbeoordeling door het Openbaar Bestuur (BIBOB)
- Adviescommissie:
- Strafrecht
- Datum aanbieding:
- 13 januari 2000
- Aangeboden aan:
- ;#Minister van Binnenlandse Zaken;#
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Postbus 20011
2500 EA Den Haag
Den Haag, 13 januari 2000
Doorkiesnummer 070 – 335 35 68
E-mail m.davis@advocatenorde.nl
Dossiernummer 3.1.1/1
Mijnheer de minister,
Betreft: Voorstel van Wet Bevordering Integriteitsbeoordeling door het Openbaar Bestuur (BIBOB)(26 883)
Op 7 oktober 1997 heeft de Algemene Raad u het gezamenlijk commentaar van de Adviescommissies Strafrecht en Administratief Recht op het concept wetsvoorstel Bevordering Integriteitsbeoordeling door het Openbaar Bestuur (BIBOB) gezonden.
De Adviescommissie Strafrecht heeft thans bijgaand aanvullend preadvies uitgebracht, waarmee de Algemene Raad zich geheel kan verenigen.
Ik vertrouw u met deze informatie van dienst te zijn geweest.
Hoogachtend,
F. Heemskerk
algemeen secretaris
Bijlage.
De heer Mr A.H. Korthals
Minister van Justitie
Postbus 20301
2500 EH Den Haag
Den Haag, 13 januari 2000
Doorkiesnummer: 070 – 335 35 68
E-mail: m.davis@advocatenorde.nl
Dossiernummer: 3.1.1/1
Mijnheer de minister,
Betreft: Voorstel van Wet Bevordering Integriteitsbeoordeling door het Openbaar (BIBOB) (26 883)
Bijgaand ontvangt u een kopie van het aanvullend preadvies inzake bovengenoemd wetsvoorstel, dat namens de Algemene Raad is verzonden aan de Minister van Binnenlandse Zaken.
Hoogachtend,
F. Heemskerk
algemeen secretaris
Bijlage.
3
PRE-ADVIES
van
de Adviescommissie Strafrecht
inzake
het ontwerp voor de wet Bevordering Integriteitsbeoordeling door het Openbaar Bestuur
(26 883)
Inleiding
De Adviescommissie Strafrecht heeft met belangstelling kennis genomen van het wetsontwerp. In een eerdere fase heeft zij geadviseerd over het concept voor het onderhavige wetsvoorstel. In dat advies trok de Adviescommissie in twijfel of in het concept wetsvoorstel wel de juiste balans werd gevonden tussen enerzijds de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de bescherming van het openbaar belang, die blijkens de Memorie van Toelichting nagestreefd wordt (blz. 21). De tekst van het definitieve wetsvoorstel heeft deze twijfel helaas niet weggenomen, ook al bevat het wetsvoorstel op een aantal punten verbeteringen ten opzichte van het concept.
De volgende punten van kritiek blijven bestaan.
Noodzaak bureau BIBOB versus alternatieven
De Adviescommissie betwijfelt of de instelling van het bureau BIBOB veel toevoegt aan de bestaande mogelijkheden om het faciliteren van criminaliteit door de overheid te voorkomen en bestrijden. Zij wijst in dat verband op de volgende alternatieven, die onlangs door M. van Stratum en U. van de Pol - respectievelijk jurist bij en plv. voorzitter van de Registratiekamer - in een artikel in het NJB op een rijtje zijn gezet (Screening op integriteit: BIBOB gewogen en te licht bevonden, NJB 26 november 1999, blz. 1967 e.v.):
- zelfrapportage met behulp van vragenlijsten, gevolgd door verificatie;
- integriteitsonderzoeken door particuliere consultantsbureaus (met name forensische accountants);
- referenties gevolgd door verificatie;
- de Wet op de Justitiële Documentatie, die momenteel aangescherpt wordt;
- het registratiesysteem Vennoot '98. De regering is voornemens dit een wettelijke basis te geven in een Wet documentatie vennootschappen;
- de zgn. verklaring omtrent de integriteit van het bedrijfsleven.
Met genoemde auteurs is de Adviescommissie van mening dat in de Memorie van Toelichting niet overtuigend wordt aangetoond waarom in voorkomende gevallen niet met (combinaties van) deze bestaande en toekomstige alternatieven kan worden volstaan.
Primair is de Adviescommissie dan ook van mening dat nader onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van een pilot studie, naar (combinaties van) de hierboven genoemde alternatieven noodzakelijk is alvorens tot het zwaardere middel van de instelling van een nieuw bureau BIBOB te komen.
Indien deze suggestie niet gevolgd wordt heeft de Adviescommissie een sterke voorkeur voor de door de Raad van State voorgestelde variant waarin als weigeringsgrond in art. 3 wordt opgenomen een veroordeling op grond van de strafbare feiten bedoeld in art. 67 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, die gezien hun aard of samenhang met andere door de betrokkene begane misdrijven een ernstig inbreuk op de rechtsorde hebben opgeleverd en die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven. Weliswaar wordt bij een wijziging in deze zin de reikwijdte van het wetsvoorstel beperkt, op grond van de ervaringen met deze variant kan echter, indien dit in een later stadium noodzakelijk blijkt, alsnog gefundeerd besloten worden tot invoering van het thans voorgestelde ruime systeem. Gezien de ingrijpende gevolgen die de invoering van het wetsvoorstel zal hebben is een dergelijke beperkte start naar de mening van de Adviescommissie gerechtvaardigd.
Criterium "gevaar"
Art. 3 lid 1 van het wetsontwerp bepaalt dat een aangevraagde beschikking geweigerd of een gegeven beschikking ingetrokken kan worden indien "gevaar" bestaat dat de beschikking misbruikt zal worden. In het oorspronkelijke ontwerp werd de term "risico" gebezigd. Deze term werd - evenals een aantal andere - door de Raad van State als "vaag" betiteld (Advies Raad van State en Nader Rapport, blz. 3). De Adviescommissie is van mening dat de wijziging van "risico" in "gevaar" niet wegneemt dat nog steeds onvoldoende vaststaat welke mate van gevaar vereist is. Ook tijdens de expertmeeting die in januari 1998 over het conceptvoorstel werd gehouden kwam telkens de noodzaak voor nadere afgrenzing van dit criterium (toen nog "risico") aan de orde, zo blijkt uit het artikel van Van Stratum en Van de Pol.
De Adviescommissie acht de reactie van de Minister op de kritiek van de Raad van State, die de weigerings- en intrekkingsgrond van art. 3 wetsontwerp "te onbepaald" acht en betwijfelt of de ontwerpregeling voldoende rechtszekerheid biedt, niet overtuigend. De Minister voert onder meer aan:
De door de Raad genoemde zinsnede "een risico bestaat" uit het eerste lid van art. 3, wordt nader uitgewerkt in het tweede en derde lid van dat artikel. In die leden wordt gedetailleerd aangegeven op welke manier de mate van risico dient te worden vastgesteld en op welke elementen daarbij dient te worden gelet (Nader rapport , blz. 4).
Door aan te geven op welke manier de mate van risico dient te worden vastgesteld en op welke elementen daarbij dient te worden gelet wordt echter de vraag hoe groot dit gevaar in een concreet geval dient te zijn niet beantwoord. Mag met een weigering beoogd worden een kleine kans op gevaar uit te sluiten of moet het gaan om een grote kans? Ook de in art. 3 opgenomen verwijzing naar het evenredigheidsbeginsel levert geen antwoord op deze vraag op. De Adviescommissie is van mening dat een weigering slechts op zijn plaats is ingeval van ernstig gevaar en pleit er dan ook voor in art. 3 lid het woord "ernstig" in te voegen voor het woord "gevaar". Aldus wordt tevens aansluiting gezocht bij de terminologie van het Wetboek van Strafvordering. De term "ernstig gevaar" komt immers, zij het in een iets andere context, voor in art. 67 a lid 1 sub a Wetboek van Strafvordering, dat betrekking heeft op de gronden voor de voorlopige hechtenis.
Rotterdam, 7 januari 2000
Adviescommissie Strafrecht
mr M. Wladimiroff, voorzitter,
namens deze: mr E. van Liere, secretaris