Kosten beroepsopleiding advocaat-stagiairs voor rekening van advocatenkantoren
Nieuws •
De kosten van de Beroepsopleiding Advocaten én de kosten voor het behalen van verplichte opleidingspunten zijn voor rekening van de werkgever. Dat heeft de Hoge Raad op 26 september 2025 geoordeeld. Dit oordeel volgt uit de beantwoording van prejudiciële vragen die het gerechtshof Den Haag aan de Hoge Raad stelde op initiatief van de NOvA. Hiermee is de door de NOvA beoogde duidelijkheid verkregen.
Prejudiciële vragen
Het hof Den Haag heeft op verzoek van de NOvA prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld over de rechtsgeldigheid van studiekostenbedingen in arbeidsovereenkomsten tussen advocaat-stagiairs en hun werkgevers. Deze vraag speelde in een zaak tussen een advocaat-stagiair en diens werkgever, maar heeft bredere betekenis voor de gehele advocatuur. De NOvA mengde zich als neutrale belanghebbende in deze procedure om in het algemeen belang duidelijkheid te verkrijgen. Centraal staat de principiële rechtsvraag voor wiens rekening zowel de kosten van de Beroepsopleiding Advocaten als de kosten voor het behalen van verplichte opleidingspunten komen.
Oordeel Hoge Raad
Volgens de Hoge Raad is de Beroepsopleiding Advocaten scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van advocaat-stagiair. Uit nationaal en Europees recht volgt dat de kosten van noodzakelijke scholing door de werkgever moeten worden betaald. Dit geldt dus ook voor de kosten van de Beroepsopleiding Advocaten. Een studiekostenbeding is daarom niet geldig. Ten overvloede oordeelt de Hoge Raad dat ook de kosten voor het behalen van verplichte opleidingspunten door de werkgever moeten worden betaald.
Duidelijkheid voor advocaat-stagiairs en kantoren
Met het oordeel van de Hoge Raad is de door de NOvA beoogde duidelijkheid verkregen over voor wiens rekening zowel de kosten van de Beroepsopleiding Advocaten als de kosten voor het behalen van verplichte opleidingspunten zijn.