Voorlopige hechtenis
- Adviescommissie:
- Algemene Raad
- Datum aanbieding:
- 10 oktober 1993
- Aangeboden aan:
- ;#De leden van de Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer;#
De leden van de vaste commissie
voor Justitie van de Tweede Kamer
der Staten- Generaal
t.a.v. mevrouw MR H. de Gier
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
Den Haag, 11 oktober 1993
Ons kenmerk : 1.02.11/JEB/nd
Mevrouw. Mijne heren,
Betreft Voorlopige hechtenis
Namens de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten mag ik u doen toekomen enige opmerkingen naar aanleiding van de voorgestelde partiële wijziging van het Wetboek van Strafvordering, inzake de voorlopige hechtenis.
Reeds in een eerder stadium heeft de Algemene Raad hieromtrent advies uitgebracht aan de minister van Justitie ( advies d.d. 30 september 1992 ) , zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting is dit advies betrokken bij de totstandkoming van het voorliggende wetsontwerp.
Evenwel wil de Algemene raad u graag wijzen op een tweetal aspecten uit het advies die niet zijn overgenomen door de Minister van Justitie. Deze aspecten betreffen de schaarse celcapaciteit en de mogelijkheid van alternatieve sancties.
Dienaangaande wordt onzerzijds een kleine wijziging van artikel 67 a lid 3 voorgesteld.
Voor een uitvoeriger beschouwing verwijs ik u graag naar het bijgevoegde, beknopte, commentaar.
In de hoop u aldus van dienst te zijn,
Hoogachtend
Mr J.E. Biesma
Stafmedewerker juridische zaken
Bijlage
Advies inzake :
Wetsontwerp 23178, Partiële wijziging van het Wetboek van Strafvordering
(herzieningbepalingen inzake gevallen waarin en gronden waarop voorlopige hechtenis kan worden toegepast )
Algemeen
Bij brief van 14 juli 1992 heeft de Minister van Justitie het deelrapport van de Commissie Moons over de voorlopige hechtenis ter kennis van de Nederlandse Orde van Advocaten gebracht met het verzoek daarop desgewenst te reageren.
Op 30 september 1992 heeft de Nederlandse Orde van Advocaten advies aan de Minister van Justitie uitgebracht.
Het thans ingediende wetsvoorstel is in hoofdlijnen gestoeld op het deelrapport van de Commissie Moons. Het verheugt de Orde te kunnen constateren dat de Minister in het
Voorliggend wetsontwerp aan een tweetal bezwaren tegemoet is gekomen. Dat geldt evenwel niet voor de bezwaren, die de Nederlandse Orde van Advocaten heeft ingebracht tegen de door de Commissie voorgestelde en in het wetsontwerp overgenomen uitbreiding van de gronden, waarop voorlopige hechtenis kan worden toegepast.
Het voorgestelde artikel 67a lid 2 sub 3
De voorgestelde uitbreiding beoogt een aantal delicten in de categorie van veel voorkomende vermogenscriminaliteit onder het bereik van voorlopige hechtenis te brengen.
Dit heft een aanzienelijke toeneming van het aantal vrijheidsbenemingen tot gevolg hetgeen een extra belasting voor de beschikbare celruimte impliceert.
De Minister taxeert die belasting op de bezetting van 40 cellen. De daarbij gevolgde redenering miskent het gegeven dat het gezien de betrekkelijk geringe ernst van het betreffende delict veelal om een kort periode van voorarrest zal gaan, waarbij de druk dus vooral op de beschikbare politiecellen en celruimte in Huizen van Bewaring komt te rusten. Juist daar doen zich op dit moment de grootste knelpunten voor.
Nu al is de rechtshandhaving vanwege het gevoerde wegzendbeleid in het gedrang gekomen en onderwerp van publieke discussie geworden.
Door de mogelijkheid te openen nog meer verdachten in voorlopige hechtenis te nemen, terwijl dat in de praktijk onmogelijk kan worden waargemaakt, komt de rechtshandhaving rn daarmee de geloofwaardigheid voor Justitie nog meer onder druk.
Daarnaast komt de schaars beschikbare celruimte verder onder druk doordat vele verdachten, die thans alternatief worden gestraft en daarmee buiten gevangenis en Huis van Bewaring blijven onder het voorgestelde regime wel celruimte gaan innemen.
Deze ontwikkeling is niet alleen onwenselijk in het licht van het bestaande tekort aan celruimte, maar vooral draagt zij het gevaar in zich dat naar voorlopige hechtenis en gevangenisstraf wordt gegrepen in gevallen, waarin met een minder vergaande reactie zoals alternatieve straf kan worden volstaan.
Daarom is het wenselijk dat Rechter-Commissaris en Raadkamer zich rekenschap geven van de mogelijkheid dat de betreffende strafzaak naar zijn aard in aanmerking komt voor alternatieve afdoening en in hun beschikking daarvan laten blijken door in zo’n geval de vordering tot voorlopige hechtenis af te wijzen of de duur daarvan te beperken.
De Adviescommissie stelt voor dit tot uitdrukking te brengen in artikel 67 A lid 3 door achter de woorden “….zal worden opgelegd….” In te voegen “….of dat artikel 22B zal worden toegepast..”
Artikel 67A lid 3 komt dan te luiden :
“ Een bevel tot voorlopige hechtenis blijft achterwege , wanneer ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd of dat artikel 22 B zal worden toegepast, danwel dat hij bij zijn tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van straf of maatregel.”
voor Justitie van de Tweede Kamer
der Staten- Generaal
t.a.v. mevrouw MR H. de Gier
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
Den Haag, 11 oktober 1993
Ons kenmerk : 1.02.11/JEB/nd
Mevrouw. Mijne heren,
Betreft Voorlopige hechtenis
Namens de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten mag ik u doen toekomen enige opmerkingen naar aanleiding van de voorgestelde partiële wijziging van het Wetboek van Strafvordering, inzake de voorlopige hechtenis.
Reeds in een eerder stadium heeft de Algemene Raad hieromtrent advies uitgebracht aan de minister van Justitie ( advies d.d. 30 september 1992 ) , zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting is dit advies betrokken bij de totstandkoming van het voorliggende wetsontwerp.
Evenwel wil de Algemene raad u graag wijzen op een tweetal aspecten uit het advies die niet zijn overgenomen door de Minister van Justitie. Deze aspecten betreffen de schaarse celcapaciteit en de mogelijkheid van alternatieve sancties.
Dienaangaande wordt onzerzijds een kleine wijziging van artikel 67 a lid 3 voorgesteld.
Voor een uitvoeriger beschouwing verwijs ik u graag naar het bijgevoegde, beknopte, commentaar.
In de hoop u aldus van dienst te zijn,
Hoogachtend
Mr J.E. Biesma
Stafmedewerker juridische zaken
Bijlage
Advies inzake :
Wetsontwerp 23178, Partiële wijziging van het Wetboek van Strafvordering
(herzieningbepalingen inzake gevallen waarin en gronden waarop voorlopige hechtenis kan worden toegepast )
Algemeen
Bij brief van 14 juli 1992 heeft de Minister van Justitie het deelrapport van de Commissie Moons over de voorlopige hechtenis ter kennis van de Nederlandse Orde van Advocaten gebracht met het verzoek daarop desgewenst te reageren.
Op 30 september 1992 heeft de Nederlandse Orde van Advocaten advies aan de Minister van Justitie uitgebracht.
Het thans ingediende wetsvoorstel is in hoofdlijnen gestoeld op het deelrapport van de Commissie Moons. Het verheugt de Orde te kunnen constateren dat de Minister in het
Voorliggend wetsontwerp aan een tweetal bezwaren tegemoet is gekomen. Dat geldt evenwel niet voor de bezwaren, die de Nederlandse Orde van Advocaten heeft ingebracht tegen de door de Commissie voorgestelde en in het wetsontwerp overgenomen uitbreiding van de gronden, waarop voorlopige hechtenis kan worden toegepast.
Het voorgestelde artikel 67a lid 2 sub 3
De voorgestelde uitbreiding beoogt een aantal delicten in de categorie van veel voorkomende vermogenscriminaliteit onder het bereik van voorlopige hechtenis te brengen.
Dit heft een aanzienelijke toeneming van het aantal vrijheidsbenemingen tot gevolg hetgeen een extra belasting voor de beschikbare celruimte impliceert.
De Minister taxeert die belasting op de bezetting van 40 cellen. De daarbij gevolgde redenering miskent het gegeven dat het gezien de betrekkelijk geringe ernst van het betreffende delict veelal om een kort periode van voorarrest zal gaan, waarbij de druk dus vooral op de beschikbare politiecellen en celruimte in Huizen van Bewaring komt te rusten. Juist daar doen zich op dit moment de grootste knelpunten voor.
Nu al is de rechtshandhaving vanwege het gevoerde wegzendbeleid in het gedrang gekomen en onderwerp van publieke discussie geworden.
Door de mogelijkheid te openen nog meer verdachten in voorlopige hechtenis te nemen, terwijl dat in de praktijk onmogelijk kan worden waargemaakt, komt de rechtshandhaving rn daarmee de geloofwaardigheid voor Justitie nog meer onder druk.
Daarnaast komt de schaars beschikbare celruimte verder onder druk doordat vele verdachten, die thans alternatief worden gestraft en daarmee buiten gevangenis en Huis van Bewaring blijven onder het voorgestelde regime wel celruimte gaan innemen.
Deze ontwikkeling is niet alleen onwenselijk in het licht van het bestaande tekort aan celruimte, maar vooral draagt zij het gevaar in zich dat naar voorlopige hechtenis en gevangenisstraf wordt gegrepen in gevallen, waarin met een minder vergaande reactie zoals alternatieve straf kan worden volstaan.
Daarom is het wenselijk dat Rechter-Commissaris en Raadkamer zich rekenschap geven van de mogelijkheid dat de betreffende strafzaak naar zijn aard in aanmerking komt voor alternatieve afdoening en in hun beschikking daarvan laten blijken door in zo’n geval de vordering tot voorlopige hechtenis af te wijzen of de duur daarvan te beperken.
De Adviescommissie stelt voor dit tot uitdrukking te brengen in artikel 67 A lid 3 door achter de woorden “….zal worden opgelegd….” In te voegen “….of dat artikel 22B zal worden toegepast..”
Artikel 67A lid 3 komt dan te luiden :
“ Een bevel tot voorlopige hechtenis blijft achterwege , wanneer ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd of dat artikel 22 B zal worden toegepast, danwel dat hij bij zijn tenuitvoerlegging van het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van straf of maatregel.”