Wijziging van Boek 2 BW i.v.m. de invoering van een regeling voor de vervanging van verloren gegane aandeelbewijzen alsmede intrekking van de Effectenvernieuwingswet (Wetsvoorstel 26 133)
- Adviescommissie:
- Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht
- Datum aanbieding:
- 29 maart 1999
- Aangeboden aan:
- ;#De Leden van de Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer;#
Den Haag, 29 maart 1999
Ons kenmerk: C099092.CH
Zeer geachte dames en heren,
De gecombineerde commissie vennootschapsrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie heeft aan beide organisaties gerapporteerd inzake wetsvoorstel 26 133, Wijziging van Boek 2 BW in verband met de invoering van een regeling voor de vervanging van verloren gegane aandeelbewijzen alsmede intrekking van de Effectenvernieuwingswet.
De beide beroepsorganisaties hebben zich achter de inhoud van dit rapport gesteld. Zij hebben het genoegen u hierbij het rapport aan te bieden.
Namens de Nederlandse Orde van Advocaten, Namens de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie,
Mr P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, deken Mr A.W.O. Jansen, voorzitter
Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht
Van de Nederlandse Orde van Advocaten en de
Koninklijke Notariele Beroepsorganisatie
Wijziging van Boek 2 van het B.W. in verband met de invoering van een regeling voor de vervanging van verloren gegane aandeelbewijzen alsmede intrekking van de Effectenvernieuwingswet
Wetsvoorstel 26 133
1. Inleiding en samenvatting
Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om (a) in Boek 2 B.W. een nieuw artikel 86d in te voegen, waarin een regeling is opgenomen voor de vervanging van verloren gegane aandeelbewijzen, en (b) de Effectenvernieuwingswet in te trekken.
Het wetsvoorstel geeft aanleiding tot een aantal vragen en opmerkingen. Deze worden hieronder behandeld. Kort samengevat betwijfelt de commissie of het wenselijk is over te gaan tot de vervanging van de Effectenvernieuwingswet die een vrij uitgebreide regeling geeft voor verloren gegane effecten door een zeer summiere regeling die uitsluitend verloren gegane bewijzen van aandelen aan toonder betreft.
De commissie pleit voor een uitputtende regeling die alle effecten betreft waarvoor een physiek stuk is afgegeven.
2. Commentaar
(a) Het moge juist zijn dat er in Nederland een ontwikkeling op gang is gebracht in de richting van een goeddeels stukkenloos effectenverkeer (althans waar het betreft ter beurze genoteerde effecten), niettemin is de hoeveelheid K-stukken in omloop niet onaanzienlijk. Aan deze situatie zal niet binnen korte tijd een einde komen. Daarnaast is het zo dat ook van een behoorlijk aantal niet genoteerde vennootschappen fysieke aandeelbewijzen zijn uitgegeven.
Een belangrijk deel van deze effecten zal ongetwijfeld in de betrouwbare reguliere bewaarsystemen die in Nederland worden aangehouden in bewaring zijn gegeven. Niettemin is dit niet voor al deze effecten het geval; bovendien zijn deze bewaarsystemen geen absolute waarborg tegen het verloren gaan van effecten.
(b) De in de Memorie van Toelichting verdedigde opvatting, dat problemen van rechtsonzekerheid bij verlies zich eigenlijk alleen zullen voordoen t.a.v. aandelen vanwege de aan aandelen verbonden stemrechten, lijkt de commissie onjuist. Ook in andere gevallen kan onwenselijke rechtsonzekerheid ontstaan. Men denke bijvoorbeeld aan de uitoefening van het conversierecht of het recht op dividend of rente. Daarnaast zijn ook aan andere effecten dan aandelen dikwijls stemrechten verbonden.
Het komt de commissie daarom wenselijk voor dat er een regeling is die niet alleen verloren gegane bewijzen van aandelen aan toonder betreft maar ook andere soorten effecten. Men denke hierbij met name aan certificaten van aandelen, obligaties, opties, warrants e.d.; de regeling zou met andere woorden alle soorten effecten (als gedefinieerd in de Wte 1995) moeten betreffen voor zover daarvoor een fysiek stuk is afgegeven.
(c) De commissie pleit er tevens voor dat de wettelijke regeling bepalingen bevat, die voorschrijven hoe de aan het effect verbonden rechten (stemrechten, dividendrechten, conversierechten, etc.) worden uitgeoefend totdat vervanging effectief heeft plaatsgevonden. In de huidige Effectenvernieuwingswet wordt dit onderwerp vrij uitputtend en bevredigend geregeld. Indien men zich moet verlaten op de algemene regels van het vennootschapsrecht, betekent dit veelal dat (mogelijk gedurende een lange tijdsperiode) onwenselijke onzekerheid ontstaat omtrent de uitoefening van deze rechten.
(d) De commissie vraagt zich voorts af of de positie van de eventuele derde rechthebbende na vervanging van het desbetreffende aandeel wel voldoende is beschermd. De huidige Effectenvernieuwingswet bevat een regeling op dit punt, die de derde rechthebbende meer zekerheid biedt dan het geval is bij ontbreken van een regeling.
(e) Het lijkt de commissie minder juist dat de regeling alleen zou gelden indien er geen statutaire of contractuele regeling voor vervanging is. Deze regelingen zijn vaak wel heel erg summier, en zeker niet altijd bevredigend. Het zou merkwaardig zijn, indien uitgevende instellingen en derden rechthebbenden in sommige gevallen wel en in andere gevallen niet van de wettelijke regeling gebruik zouden kunnen maken. De commissie meent dat het de voorkeur verdient om de wettelijke regeling dwingend te maken zodat uitgevende instellingen en rechthebbenden in alle gevallen de bescherming van deze regeling kunnen inroepen.
(f) De commissie begrijpt dat het handhaven van een instituut als het effectenvernieuwingsbureau wellicht niet wordt gerechtvaardigd door het weinige gebruik dat in de praktijk van de faciliteiten van de wet wordt gemaakt. Zou dit eventueel opgelost kunnen worden door de functie van het bureau te laten overnemen door het Ministerie van Financien of de STE?
Dit rapport is gedateerd 4 maart 1999.