Artikel 7 Verlening van de vrijstelling
In dit artikel is opgenomen wanneer de vrijstelling wordt verleend. Het moet allereerst gaan om een cognitief vak. De zogenaamde vaardigheidsvakken en vakken beroepsattitude en -ethiek zijn dermate belangrijk voor de praktijkvoering van de advocaat dat deze zijn uitgesloten van vrijstelling. Bovendien kan een vrijstelling alleen op een volledig onderdeel (vak) van de beroepsopleiding betrekking hebben.
Via deze beleidsregel wordt uitleg gegeven van het begrip ‘gelijkwaardige theoretische en praktische bekwaamheid’ uit de Verordening op de advocatuur. De algemene raad vergelijkt de door de stagiaire verworven bekwaamheid met de toetstermen die zijn neergelegd in de vakbeschrijving van het vak waarvoor een vrijstelling wordt gevraagd.
Om zeker te zijn dat aan de doelstelling van het vrijstellingenbeleid wordt voldaan, is het van belang dat de stagiaire over actuele kennis beschikt. Onderwijs dat langer dan drie jaar voor de beëdiging is gevolgd op een rechtsgebied waarop de stagiaire vervolgens niet werkzaam is geweest, voldoet naar de mening van de algemene raad niet aan dat criterium. Het recht is immers voortdurend in ontwikkeling.
Voorts hecht de algemene raad aan de partijdige invalshoek, waarmee bedoeld is aan te geven dat tijdens het onderwijs of in de praktijk de stagiaire heeft geleerd de problematiek te bezien vanuit de positie van zijn cliënt. Duidelijk moet zijn dat de stagiaire heeft geleerd dat hij partijdig is, in de zin dat hij de belangen van zijn cliënt dient en zich daartoe strategisch opstelt ten opzichte van de wederpartij. Bij beoordeling van recente praktijkervaring geldt eveneens dat de stagiaire in die positie te maken had met belangenbehartiging, waarbij, vergelijkbaar met de advocatuur, uitdrukkelijk positie wordt gekozen voor de rechtzoekende.
Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om vrijstelling te verlenen voor het elders volgen van onderwijs in het betreffende onderdeel van de beroepsopleiding, tenzij dit onderwijs door een door de algemene raad geaccrediteerde onderwijsinstelling wordt verzorgd. De stagiaire heeft immers de verplichting om de beroepsopleiding advocaten te voltooien.
In het tweede lid van dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de algemene raad de betrokken belangen afweegt bij het gebruik van zijn vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur (vrijstelling toets).
Ook hierbij geldt dat het moet gaan om een cognitief vak. De zogenaamde vaardigheidsvakken en beroepsattitude en -ethiek zijn dermate belangrijk voor de praktijkvoering van de advocaat dat deze zijn uitgesloten van vrijstelling.
Indien de stagiaire eerder aan de toets heeft deelgenomen, wordt van de verplichting om die toets af te leggen geen vrijstelling verleend.
Ten aanzien van de vrijstelling toets is niet voldoende dat een gelijkwaardige theoretische en praktische bekwaamheid is verworven; de stagiaire dient aan te tonen dat hij een diepgaande relevante theoretische bekwaamheid heeft verworven. Er moet derhalve zowel worden voldaan aan de vereisten voor vrijstelling deelname onderwijs, als ook worden aangetoond dat diepgaande theoretische bekwaamheid is verworven.
De stagiaire geeft blijk van deze recente diepgaande relevante theoretische bekwaamheid door een door de stagiaire gevolgde opleiding ter afsluiting waarvan een diploma is afgegeven, na het behaald hebben van een schriftelijk of mondeling examen. Hierbij kan worden gedacht aan een algemene opleiding, vergelijkbaar met een Grotius-opleiding of de postacademische leergang arbeidsrecht (PALA). Het volgen van een cursus waarvoor een deelnamecertificaat wordt verstrekt, voldoet niet aan de kwalificatie diepgaande theoretische kennis. Uiteraard kan een en ander ook worden aangetoond door middel van een combinatie van meerdere diploma’s of certificaten. Voorts kan bedoelde theoretische kennis blijken uit recente publicaties van wetenschappelijke artikelen waaruit blijkt dat fundamenteel onderzoek heeft plaatsgevonden op een bepaald en voor de beroepsopleiding relevant rechtsgebied.
Voor wat betreft het waarborgen dat het actuele kennis betreft is aangesloten bij het eerste lid, onderdeel b, tweede gedachtestreep.
Artikel 4 Reikwijdte paragraaf
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op de advocaat die uiterlijk in september 2020 de beroepsopleiding advocaten aanvangt en met ingang van 1 oktober 2020 zonder onderbreking op het tableau staat ingeschreven en ingevolge daarvan een beroep doet op artikel 9.2a van de Verordening op de advocatuur.
Artikel 4 Aanvang BA 2013-2020
De stagiaire die uiterlijk in september 2020 de beroepsopleiding advocaten aanvangt en met ingang van 1 oktober 2020 zonder onderbreking op het tableau staat ingeschreven kan op grond van het overgangsrecht van artikel 9.2a van de Verordening op de advocatuur nog een beroep doen op de artikelen 3.18, eerste lid, en 3.20, eerste lid, van de Verordening op de advocatuur. Op grond van deze artikelen kan om vrijstelling voor deelname aan het onderwijs of van de verplichting om in alle onderdelen van het examen een toets af te leggen worden ingediend bij de algemene raad. Deze artikelen zijn terug te vinden in een historische versie van de Verordening op de advocatuur op de website regelgeving van de NOvA.