Praktijkstructuren
De huidige regelgeving over praktijkstructuren bestaat sinds 1972. Allereerst met de 'Verordening op de praktijkvennootschap'. Vervolgens is in 1996 de regelgeving opgenomen in de 'Verordening op de praktijkrechtspersoon' en in 2015 in hoofdstuk 5 'Praktijkstructuren' van de Verordening op de advocatuur (Voda).
Advocaat in dienstbetrekking
Voor de advocaat in dienstbetrekking is er op 27 november 1996 een generieke regeling gekomen met de ‘Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking’. De verordening laat onder voorwaarden toe dat advocaten, onder handhaving van hun inschrijving als advocaat, in dienst kunnen treden bij een entiteit niet zijnde een advocatenkantoor. Bij die gelegenheid is ook de mogelijkheid geïntroduceerd dat advocaten in dienst van een rechtsbijstandsverzekeraar of schaderegelingskantoor mede voor verzekerde klanten van de werkgever mogen optreden. De schriftelijke vastlegging van waarborgen (de eerbiediging van de vrije en onafhankelijke beroepsuitoefening van de advocaat-werknemer) heeft de vorm gekregen van het ‘professioneel statuut'.
Professioneel statuutPraktijkuitoefening
Op grond van artikel 5.2 juncto artikel 5.9 van de Voda moet een advocaat de praktijk uitoefenen via een limitatief systeem, namelijk:
a) Zelfstandig;
b) Samenwerkingsverband, zoals bedoeld in artikel 5.3 Voda;
c) In dienst van:
c.1. Advocaten;
c.2. Toegelaten vrije beroepen;
c.3. Samenwerkingsverband;
c.4. Praktijkrechtspersoon;
c.5. Rechtsbijstandsverzekeraar;
c.6. Ideële organisatie;
c.7. Andere werkgever.
Praktijkuitoefening als 'zelfstandige', via een 'samenwerkingsverband', of 'in dienst van advocaten', 'toegelaten vrije beroepen', 'samenwerkingsverband' en/of een 'praktijkrechtspersoon' wordt in het dagelijks taalgebruik beschouwd als een advocatenkantoor.
Praktijkuitoefeningen 'in dienst van rechtsbijstandsverzekeraars', 'ideële organisaties' en/of een 'andere werkgever' wordt gewaarborgd via het professioneel statuut en structurele parallelliteit van belangen (slechts optreden voor eigen werkgever).
Onafhankelijkheid
Het motief voor de regelgeving is dat er waarborgen nodig zijn om de onafhankelijkheid van de advocaat te beschermen. In de praktijkuitoefeningen dat wordt beschouwd als een advocatenkantoor wordt de onafhankelijkheid gewaarborgd via de leiding: die zijn immers allen gebonden aan regelgeving, vallen onder toezicht en onder vergelijkbaar tuchtrecht.
Bij de overige praktijkuitoefening is de extra waarborg gevonden via het professioneel statuut en beperking van de clientèle. Door slechts te mogen optreden voor de eigen werkgever is er sprake van structurele parallelliteit van belangen, waardoor de kans op belangenverstrengeling wordt verkleind. Het criterium van structurele parallelliteit van belangen is echter losgelaten bij de rechtsbijstandsverzekeraars. Die advocaten in dienstbetrekking mogen ook optreden voor verzekerden. Dit is een verdergaande uitzondering op het systeem.
In-huis advocaat
Advocaten in dienst van een rechtsbijstandsverzekeraar of schaderegelingskantoor, ideële instelling, of ‘andere werkgever ’worden ook wel als ‘in-huis advocaat’ aangeduid. Voor deze in-huis advocaten is een ‘professioneel statuut’ vereist, dat waarborgen voor de onafhankelijke praktijkuitoefening geeft en door de werkgever wordt ondertekend. De werkzaamheden van de in-huis advocaat zijn beperkt tot het optreden voor bepaalde cliënten. Dit is bedoeld om een ‘noodzakelijke (structurele) parallelliteit’ van belangen tussen enerzijds de werkgever en anderzijds de werknemer/advocaat te verzekeren.