Paragraaf 5.5.1 Bescherming kernwaarden bij dienstverbanden
Artikel 5.10 Toegestane organisaties met ideële doelstelling
Een organisatie met een ideële doelstelling als bedoeld in artikel 5.9, onderdeel f:
a. beperkt haar activiteiten feitelijk en statutair tot het zonder winstoogmerk nastreven van een ideëel doel dat maatschappelijk van wezenlijke betekenis is en dat naar zijn aard parallel loopt met het gezamenlijke belang van haar leden of op vergelijkbare wijze bij de organisatie aangeslotenen;
b. heeft de verlening van de rechtsbijstand ondergebracht in een organisatorische eenheid die voldoende onafhankelijk functioneert van de overige onderdelen van de organisatie;
c. heeft een zodanige financieel-economische stabiliteit dat een behoorlijke praktijkuitoefening door de advocaat in dienst bij die organisatie is gewaarborgd.
De uitoefening van de praktijk in dienst van een organisatie met een ideële doelstelling als bedoeld in artikel 5.9, onderdeel f, is bovendien slechts toegestaan wanneer zij geschiedt ten behoeve van die werkgever of diens leden als zodanig, in het laatste geval echter uitsluitend zolang de door de advocaat verleende rechtsbijstand zich beperkt tot:
a. de behartiging van de belangen van de leden welke kunnen worden geacht te vallen binnen het kader van die ideële doelstelling zonder dat zij strijdig kunnen zijn met de belangen van andere leden; en
b. de behandeling van zaken waarvan naar hun aard aannemelijk is dat de wederpartij zich niet voor rechtsbijstand tot die werkgever kan wenden.
Artikel 5.11 Verzekerde rechtsbijstand
- De advocaat in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onderdeel e, kan uitsluitend optreden in die hoedanigheid ten behoeve van de werkgever of bij die werkgever verzekerden.
- Indien de advocaat, bedoeld in het eerste lid, wordt verzocht de belangen van de verzekerde in een gerechtelijke of administratieve procedure te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen biedt hij de verzekerde de keuze de behartiging van zijn belangen toe te vertrouwen aan een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige van zijn keuze.
Artikel 5.12 Professioneel statuut
- Een advocaat kan de praktijk uitsluitend in dienst uitoefenen van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onderdelen e, f en g, indien hij een door hem en zijn werkgever ondertekend professioneel statuut heeft, gelijk aan het model, bedoeld in het derde lid.
- Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een advocaat in dienst bij een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onderdelen c en d, in geval de zeggenschap over de praktijkrechtspersoon of het samenwerkingsverband in meerderheid bij niet-advocaten is belegd.
- De algemene raad stelt een model van het professioneel statuut vast en kan bij wijzigingen in dat model bepalen wanneer een bestaand professioneel statuut moet worden aangepast.
Artikel 5.13 Voorkomen tegenstrijdige belangen
- Het is de advocaat die de praktijk in dienst uitoefent niet toegestaan in enige zaak voor een of meer cliënten op te treden, wanneer hij daarbij uit hoofde van het dienstverband belangen in acht zou moeten nemen die strijden met het belang van die cliënt of cliënten of wanneer een daarop uitlopende ontwikkeling aannemelijk is.
- De praktijkuitoefening van een advocaat in dienst van een werkgever is te verenigen met een door hem buiten dat dienstverband uitgeoefende rechtspraktijk, mits de advocaat in afdoende mate ervoor zorgdraagt dat geen belangenverstrengeling kan ontstaan, dat verwarring omtrent de hoedanigheid waarin hij optreedt is uitgesloten en hij van deze rechtspraktijk bij de deken melding maakt.
Artikel 5.14 Kenbare hoedanigheid
De advocaat in dienst van een werkgever behoudt bij alle binnen het dienstverband voorkomende werkzaamheden de hoedanigheid van advocaat en maakt die hoedanigheid tegenover derden steeds duidelijk kenbaar.
Artikel 5.15 Informeren deken bij praktijkuitoefening in dienst
- De advocaat, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, verstrekt de deken een kopie van het door hem en zijn werkgever ondertekende professioneel statuut voorafgaand aan zijn praktijkuitoefening in dienst.
- De advocaat, bedoeld in artikel 5.12, tweede lid, verstrekt de deken een kopie van het door hem en zijn werkgever ondertekende professioneel statuut binnen een week nadat de in dat lid bedoelde situatie zich voordoet.
Artikel 5.9 Toegestane dienstverbanden
Een advocaat kan uitsluitend de praktijk uitoefenen in dienst van:
a. een advocaat;
b. een beoefenaar van een toegelaten vrij beroep;
c. een samenwerkingsverband, zo lang is voldaan aan artikel 5.4 en artikel 5.6;
d. een praktijkrechtspersoon;
e. een verzekeraar die uitsluitend de branche rechtsbijstandsverzekering uitoefent en als zodanig voldoet aan de in de Wet op het financieel toezicht gestelde voorwaarden of een juridisch zelfstandig schaderegelingkantoor als bedoeld in artikel 4:65, eerste lid, onderdeel b, van die wet, is of een daarmee vergelijkbare instelling, zo lang is voldaan aan artikel 5.11 tot en met artikel 5.13, of paragraaf 5.5.2;
f. een organisatie met een ideële doelstelling, zolang deze voldoet aan artikel 5.10; of
g. een andere werkgever, zolang de advocaat binnen dat dienstverband uitsluitend optreedt voor die werkgever of in de groep met de werkgever verbonden rechtspersonen, en de werkzaamheden in hoofdzaak zijn gericht op de uitoefening van de rechtspraktijk.
Artikel 5.9
Het stelsel van de praktijkuitoefening in dienst is een gesloten stelsel. Het uitoefenen van de praktijk in dienst van een ander, is behoudens de opsomming van artikel 5.9 niet toegestaan.
De opsomming van artikel 5.9 is limitatief.
Het leidende criterium is daarbij dat de onafhankelijkheid van de advocaat gewaarborgd dient te zijn. De juridische onafhankelijkheid in de zin van beoordelingsvrijheid en ongecompromitteerde dienstbaarheid aan het cliëntenbelang houdt in dat de advocaat zelf kan bepalen hoe hij de behandeling van de zaak ter hand zal nemen. Immers, wat de advocaat onderscheidt is een zekere mate van onbevangenheid en objectiviteit ten aanzien van de zaak en de belangen die daarin spelen. De kernwaarde van onafhankelijkheid is opgenomen in zowel de gedragsregels (gedragsregel 2) als artikel 10a van de Advocatenwet.
Die onbevangenheid en objectiviteit gelden evenzeer in de professionele afstand die de advocaat in acht dient te nemen ten aanzien van zijn “broodheer”, of dat nu een cliënt is, of, in het geval van de advocaat in dienst, zijn werkgever. De ondergeschiktheidsrelatie waardoor een dienstverband per definitie wordt gekenmerkt schept, vergeleken bijvoorbeeld met de voet van gelijkheid waarop partners in een samenwerkingsverband plegen om te gaan, een vorm van extra-afhankelijkheid. De vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van het beroep zullen daarom in de gevallen waarin de werkgever zelf geen advocaat is met waarborgen moeten worden omringd, die de ongelijkheid in aanvaardbare mate opheffen.
Indien de advocaat een arbeidsovereenkomst heeft of een aanstelling die daarmee vergelijkbaar is, kan hij uitsluitend de praktijk uitoefenen indien de werkgever een van de onder a tot en met g genoemde werkgevers is. Alle advocaten met een dergelijke arbeidsovereenkomst zijn advocaten die de praktijk uitoefenen in dienst. Echter de term ‘advocaat in dienstverband’ wordt in het spraakgebruik gehanteerd voor advocaten in dienst van een werkgever bedoeld in de onderdelen e tot en met g. Voor deze advocaten geldt dat er altijd een professioneel statuut moet worden overeengekomen (op grond van artikel 5.12, eerste lid)
Onderdeel g heeft als bijzondere eis dat de werkzaamheden van de advocaat in hoofdzaak gericht moeten zijn op de uitoefening van de rechtspraktijk. Daaronder wordt ook organisatie of management van de rechtspraktijk begrepen. Deze bepaling heeft tot doel het gebruik van de ‘geprivilegieerde’ status van advocaat als dekmantel voor niet-juridische werkzaamheden te voorkomen.