Afdeling 5.1 Algemeen

Artikel 5.1 In gevaar brengen vrijheid en onafhankelijkheid

  1. Het is de advocaat niet toegestaan rechtsverhoudingen aan te gaan of te laten voortbestaan waardoor de vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep, met inbegrip van de behartiging van het partijbelang en de daarmee samenhangende vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt, in gevaar kunnen worden gebracht.
  2. Het is de advocaat niet toegestaan de praktijk uit te oefenen, al dan niet in dienst, in een vorm waardoor de vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep, met inbegrip van de behartiging van het partijbelang en de daarmee samenhangende vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt, in gevaar kunnen worden gebracht.

Artikel 5.1

Een advocaat moet de belangen van zijn cliënt partijdig en onafhankelijk kunnen bedienen. Dit volgt uit enkele van de kernwaarden van de advocaat, zoals onafhankelijkheid, vertrouwelijkheid, integriteit en partijdigheid. De onafhankelijkheid van de advocaat is essentieel voor het vertrouwen in een advocaat. De onafhankelijkheid is ook onmisbaar voor een goede invulling van de kernwaarden vertrouwelijkheid en partijdigheid.

Artikel 5.1 is daarom een kernbepaling in deze verordening. De overige artikelen uit hoofdstuk 5 zijn te beschouwen als een uitwerking en verfijning van deze norm.

Met de formulering ‘kunnen worden gebracht’ is bedoeld dat het niet noodzakelijk is dat het gevaar zich daadwerkelijk voordoet of heeft voorgedaan. Er is dus een hoge mate van voorzichtigheid opgedragen aan de advocaat om zijn onafhankelijkheid te bewaren.

In het tweede lid is omwille van de wetgevingsefficiëntie volstaan met een verwijzing naar het eerste lid. Ook het tweede lid beoogt te voorkomen dat alle in het eerste lid genoemde elementen in gevaar kunnen worden gebracht. 

Artikel 5.2 Wijzen van uitoefening van de praktijk

De advocaat oefent de praktijk uit op een of meer van de volgende wijzen:

a. zelfstandig, in een eenmanszaak of in de vorm van een praktijkrechtspersoon, waarover hij zeggenschap uitoefent;

b. in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 5.3, waarbij de advocaat niet in dienst is van dat samenwerkingsverband;

c. in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9.

Artikel 5.2

Dit artikel beschrijft de voorkomende (rechts)vormen van uitoefening van de praktijk door advocaten. Voor de in de onderdelen b en c genoemde wijzen gelden nadere regels die met name dienen ter bescherming van de onafhankelijkheid van de advocaat.

Een advocaat die eigenstandig de praktijk uitoefent, waarbij hijzelf rekening en risico draagt en de zeggenschap heeft, oefent de praktijk uit als bedoeld in onderdeel a. Hij heeft een onderneming die in het handelsregister is ingeschreven als een eenmanszaak. Het kan zijn dat deze advocaat gebruik maakt van een praktijkrechtspersoon; hij is dan de enige die in deze praktijkrechtspersoon zeggenschap heeft. Ook is het mogelijk dat deze advocaat personeel in dienst heeft.

De advocaat sluit met cliënten een overeenkomst van opdracht, waarbij hij als enige verantwoordelijk is voor de uitvoering van de overeenkomst. De overeenkomst hoeft niet uitsluitend met cliënten gesloten te worden, maar kan ook gesloten worden met bijvoorbeeld een advocatenkantoor. De advocaat kan dan bijvoorbeeld als adviseur worden ingehuurd. Hij houdt dan zeggenschap over de praktijkuitoefening, ook al werkt hij gezamenlijk aan een individuele zaak met advocaten of medewerkers van het bedoelde advocatenkantoor.

De advocaat die zelfstandig de praktijk uitoefent kan een kostenmaatschap overeengekomen zijn. Een kostenmaatschap is meestal een stille (niet-openbare) maatschap. De maten treden onder en in eigen naam op naar derden. Er wordt dan geen rekening en risico of zeggenschap gedeeld. Daardoor is er geen sprake van een samenwerkingsverband. Dat kan anders liggen indien wel onder een gemeenschappelijke naam naar buiten wordt opgetreden. In dat geval kan er een openbare maatschap ontstaan, waardoor de maten onderling risico delen. De contractant van de maatschap kan in dat geval de andere maten (mede-)aansprakelijk stellen. Daarmee is voldaan aan een van de criteria van artikel 5.3. Door het optreden onder gemeenschappelijke naam van een kostenmaatschap kan dus een samenwerkingsverband ontstaan.

 

Onderdeel b ziet op het uitoefenen van de praktijk in een samenwerkingsverband. Voor de vereisten van een samenwerkingsverband zie artikel 5.3. De samenwerking kan rechtspersoonlijkheid hebben, bijvoorbeeld een naamloze of besloten vennootschap, maar dat hoeft niet, bijvoorbeeld in geval van een (openbare) maatschap. 

 

Onderdeel c ziet op de advocaten die in dienstverband werkzaam zijn. In het spraakgebruik wordt de term ‘advocaat in dienstverband’ meestal alleen gebruikt voor advocaten in dienst van een bedrijf of (overheids)organisatie (zie artikel 5.9, onderdelen e tot en met g). Het ziet echter ook op de meeste stagiaires en advocaat-medewerkers. Het merendeel van de in Nederland ingeschreven advocaten werkt op basis van een arbeidsovereenkomst; deze vallen onder dit onderdeel. Bijvoorbeeld de advocaten die bij grotere kantoren werken vallen hieronder, behalve als ze partner zijn. De partners van die kantoren vallen onder onderdeel b.

Navigeer inhoud van  Verordening op de advocatuur

Navigeer inhoud van Verordening op de advocatuur

Uitgelicht

Wet- en regelgeving

Alle wet- en regelgeving voor de advocatuur. Van de Advocatenwet tot de Verordening op de advocatuur (Voda) en de Regeling op de advocatuur (Roda).

Voor uw praktijk

Ondersteuning voor advocaten bij hun beroepsuitoefening: van de advocatenpas tot het rechtsgebiedenregister en geheimhoudernummers.