Na de gedragsregels van 1968, 1980 en 1992 is in 2018 de tekst vastgesteld van de nieuwe set gedragsregels. Het was nodig om de gedragsregels uit 1992 te herijken, gelet op het inmiddels verstreken tijdsverloop, de ingrijpende wijziging van de Advocatenwet in 2015 en de veranderingen die zich in de advocatenpraktijk hebben voorgedaan. Om die reden heeft de algemene raad een commissie herijking gedragsregels ingesteld, die de opdracht kreeg om te bezien in hoeverre de gedragsregels 1992 dienden te worden herzien. De commissie stond onder leiding van mr. J.D. Loorbach (Rotterdam, voorzitter) en bestond voorts uit mr. Chr. A. Alberdingk Thijm (Amsterdam), mr. H.J. de Groot (Groningen), mr. M. de Rijke (Den Haag), prof. dr. mr. J.E. Soeharno (Amsterdam), mr. J.S. Spijkerman (Den Haag), mr. E.A. van Win (Leiden) en mr. dr. R. Sanders (Den Haag, secretaris).
De commissie heeft medio 2017 een conceptset gedragsregels het licht doen zien, die door de algemene raad in consultatie is gegeven aan de balie, ketenpartners en enkele specifieke gremia, zoals de raad van advies en het dekenberaad. De binnengekomen reacties zijn door de commissie beoordeeld en verwerkt. Daarna is de set voorgelegd aan de algemene raad en vervolgens aan het college van afgevaardigden. Ook hierbij zijn diverse opmerkingen gemaakt die zijn verwerkt in de uiteindelijke tekst. Met deze werkwijze is beoogd tot gedragsregels te komen die een weergave vormen van de anno 2018 binnen de balie levende opvattingen.
De algemene raad heeft op 14 februari 2018 de Gedragsregels 2018 vastgesteld. Daarbij is geconstateerd dat opvattingen van de balie zich kunnen ontwikkelen, bijvoorbeeld door maatschappelijke ontwikkelingen of jurisprudentie. De algemene raad heeft daarom gekozen voor een zogenaamde ‘levende’ toelichting, dat wil zeggen een toelichting die in geval van gewijzigde opvattingen tussentijds kan worden aangepast.
Een belangrijke aanleiding voor de herijking van de gedragsregels is geweest de codificatie van de kernwaarden in artikel 10a, eerste lid, van de Advocatenwet. Dit artikel luidt:
‘In het belang van een goede rechtsbedeling draagt de advocaat zorg voor de rechtsbescherming van zijn cliënt. Daartoe is de advocaat bij de uitoefening van zijn beroep:
- onafhankelijk ten opzichte van zijn cliënt, derden en de zaken waarin hij als zodanig optreedt;
- partijdig bij de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt;
- deskundig en kan hij beschikken over voldoende kennis en vaardigheden;
- integer en onthoudt hij zich van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt; en
- vertrouwenspersoon en neemt hij geheimhouding in acht binnen de door de wet en het recht gestelde grenzen.’
Wat in 2015 niet is gewijzigd, is de wettelijke tuchtnorm. Advocaten zijn, ingevolge artikel 46 van de Advocatenwet, aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, ter zake van inbreuken op het bepaalde bij of krachtens de Advocatenwet en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, de verordeningen van de Nederlandse orde en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
Van belang is te benadrukken dat de advocateneed, kernwaarden, wettelijke tuchtnorm en deze gedragsregels dienen te prevaleren boven andere in de praktijk gebruikte gedragscodes, richtlijnen en best practices. Advocaten kunnen derhalve niet aan dergelijke andere gedragscodes worden gebonden wanneer dat in strijd komt met de inhoud van de advocateneed, kernwaarden, wettelijke tuchtnorm en deze gedragsregels.
Advocaten handelen partijdig in de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de cliënt. Mede daardoor is de advocaat, als academisch geschoolde jurist, een bijzondere bemiddelaar tussen de rechtzoekende en de rechter. Dit komt met name tot uiting in de procespraktijk. De advocaat is echter ook een bijzondere bemiddelaar tussen de rechtzoekende en het recht. Dit komt met name naar voren in de adviespraktijk. Zo bezien is de advocaat ‘de gids in de jungle van het recht’. In deze gedragsregels is qua taalgebruik met name aangesloten bij de procespraktijk. De gedragsregels gelden echter ook voor de adviespraktijk, tenzij uit de tekst nadrukkelijk anders blijkt.
De bescherming van de vertrouwelijkheid van uitgewisselde informatie tussen de rechtzoekende die zich wil beraden op zijn rechtspositie en de advocaat is van essentieel belang in de rechtsstaat. De advocaat moet de rechtzoekende daarbij van advies kunnen dienen. Dit advies kan aan procederen voorafgaan, maar de goede rechtsbedeling vergt ook toegang tot het recht zonder dat sprake is van een proces. De rechtzoekende moet zich zonder belemmering tot advocaten kunnen wenden om advies over zijn juridische positie in te winnen. Het verstrekken van juridisch advies is daarmee een essentiële hulpverleningstaak van de advocaat en behoort tot diens specifieke taakuitoefening.
Vanaf de inwerkingtreding van de Wet positie en toezicht advocatuur in 2015 is de deken in het arrondissement toezichthouder in de zin van artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht. De deken kan in de handhaving laakbaar handelen of nalaten voorleggen aan de tuchtrechter of in bepaalde gevallen een boete of last onder dwangsom opleggen.
De deken van de orde van advocaten in het arrondissement houdt zich ook bezig met voorlichting en bemiddeling bij geschillen tussen advocaten onderling. Een advocaat die een conflict van plichten ervaart, moeite heeft met het bepalen van zijn houding, of uitleg wil van deze gedragsregels, kan derhalve advies vragen aan de deken in zijn arrondissement. In enkele gevallen schrijven de gedragsregels voor om dit advies te vragen.
Daar waar in de gedragsregels ‘hij’ of ‘zijn’ wordt vermeld, dient tevens ‘zij’ of ‘haar’ te worden gelezen.
Graag wordt inhoudelijk verwezen naar de hiernavolgende Inleiding en de gedragsregels zelf met de daarbij behorende toelichting.
De algemene raad,
14 februari 2018
Ten geleide
Na de gedragsregels van 1968, 1980 en 1992 is in 2018 de tekst vastgesteld van de nieuwe set gedragsregels. Het was nodig om de gedragsregels uit 1992 te herijken, gelet op het inmiddels verstreken tijdsverloop, de ingrijpende wijziging van de Advocatenwet in 2015 en de veranderingen die zich in de advocatenpraktijk hebben voorgedaan. Om die reden heeft de algemene raad een commissie herijking gedragsregels ingesteld, die de opdracht kreeg om te bezien in hoeverre de gedragsregels 1992 dienden te worden herzien. De commissie stond onder leiding van mr. J.D. Loorbach (Rotterdam, voorzitter) en bestond voorts uit mr. Chr. A. Alberdingk Thijm (Amsterdam), mr. H.J. de Groot (Groningen), mr. M. de Rijke (Den Haag), prof. dr. mr. J.E. Soeharno (Amsterdam), mr. J.S. Spijkerman (Den Haag), mr. E.A. van Win (Leiden) en mr. dr. R. Sanders (Den Haag, secretaris).
De commissie heeft medio 2017 een conceptset gedragsregels het licht doen zien, die door de algemene raad in consultatie is gegeven aan de balie, ketenpartners en enkele specifieke gremia, zoals de raad van advies en het dekenberaad. De binnengekomen reacties zijn door de commissie beoordeeld en verwerkt. Daarna is de set voorgelegd aan de algemene raad en vervolgens aan het college van afgevaardigden. Ook hierbij zijn diverse opmerkingen gemaakt die zijn verwerkt in de uiteindelijke tekst. Met deze werkwijze is beoogd tot gedragsregels te komen die een weergave vormen van de anno 2018 binnen de balie levende opvattingen.
De algemene raad heeft op 14 februari 2018 de Gedragsregels 2018 vastgesteld. Daarbij is geconstateerd dat opvattingen van de balie zich kunnen ontwikkelen, bijvoorbeeld door maatschappelijke ontwikkelingen of jurisprudentie. De algemene raad heeft daarom gekozen voor een zogenaamde ‘levende’ toelichting, dat wil zeggen een toelichting die in geval van gewijzigde opvattingen tussentijds kan worden aangepast.
Een belangrijke aanleiding voor de herijking van de gedragsregels is geweest de codificatie van de kernwaarden in artikel 10a, eerste lid, van de Advocatenwet. Dit artikel luidt:
‘In het belang van een goede rechtsbedeling draagt de advocaat zorg voor de rechtsbescherming van zijn cliënt. Daartoe is de advocaat bij de uitoefening van zijn beroep:
Wat in 2015 niet is gewijzigd, is de wettelijke tuchtnorm. Advocaten zijn, ingevolge artikel 46 van de Advocatenwet, aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, ter zake van inbreuken op het bepaalde bij of krachtens de Advocatenwet en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, de verordeningen van de Nederlandse orde en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
Van belang is te benadrukken dat de advocateneed, kernwaarden, wettelijke tuchtnorm en deze gedragsregels dienen te prevaleren boven andere in de praktijk gebruikte gedragscodes, richtlijnen en best practices. Advocaten kunnen derhalve niet aan dergelijke andere gedragscodes worden gebonden wanneer dat in strijd komt met de inhoud van de advocateneed, kernwaarden, wettelijke tuchtnorm en deze gedragsregels.
Advocaten handelen partijdig in de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de cliënt. Mede daardoor is de advocaat, als academisch geschoolde jurist, een bijzondere bemiddelaar tussen de rechtzoekende en de rechter. Dit komt met name tot uiting in de procespraktijk. De advocaat is echter ook een bijzondere bemiddelaar tussen de rechtzoekende en het recht. Dit komt met name naar voren in de adviespraktijk. Zo bezien is de advocaat ‘de gids in de jungle van het recht’. In deze gedragsregels is qua taalgebruik met name aangesloten bij de procespraktijk. De gedragsregels gelden echter ook voor de adviespraktijk, tenzij uit de tekst nadrukkelijk anders blijkt.
De bescherming van de vertrouwelijkheid van uitgewisselde informatie tussen de rechtzoekende die zich wil beraden op zijn rechtspositie en de advocaat is van essentieel belang in de rechtsstaat. De advocaat moet de rechtzoekende daarbij van advies kunnen dienen. Dit advies kan aan procederen voorafgaan, maar de goede rechtsbedeling vergt ook toegang tot het recht zonder dat sprake is van een proces. De rechtzoekende moet zich zonder belemmering tot advocaten kunnen wenden om advies over zijn juridische positie in te winnen. Het verstrekken van juridisch advies is daarmee een essentiële hulpverleningstaak van de advocaat en behoort tot diens specifieke taakuitoefening.
Vanaf de inwerkingtreding van de Wet positie en toezicht advocatuur in 2015 is de deken in het arrondissement toezichthouder in de zin van artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht. De deken kan in de handhaving laakbaar handelen of nalaten voorleggen aan de tuchtrechter of in bepaalde gevallen een boete of last onder dwangsom opleggen.
De deken van de orde van advocaten in het arrondissement houdt zich ook bezig met voorlichting en bemiddeling bij geschillen tussen advocaten onderling. Een advocaat die een conflict van plichten ervaart, moeite heeft met het bepalen van zijn houding, of uitleg wil van deze gedragsregels, kan derhalve advies vragen aan de deken in zijn arrondissement. In enkele gevallen schrijven de gedragsregels voor om dit advies te vragen.
Daar waar in de gedragsregels ‘hij’ of ‘zijn’ wordt vermeld, dient tevens ‘zij’ of ‘haar’ te worden gelezen.
Graag wordt inhoudelijk verwezen naar de hiernavolgende Inleiding en de gedragsregels zelf met de daarbij behorende toelichting.
De algemene raad,
14 februari 2018