De advocaat in de verhouding tot zijn beroepsgroep

Regel 24 Onderlinge verhoudingen

In het belang van de rechtzoekenden en van de advocatuur in het algemeen streven advocaten naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen.

Toelichting

Advocaten moeten elkaar met het oog op een goede beroepsuitoefening kunnen vertrouwen. Die is gediend met een onderlinge verhouding tussen advocaten die berust op vertrouwen en welwillendheid. Daarom moeten advocaten zich onthouden van al wat hun onderlinge verhouding zou kunnen verstoren. Uitlatingen die naar algemeen spraakgebruik grievend of kwetsend zijn, behoren advocaten in hun zakelijk verkeer achterwege te laten.

Naar het oordeel van de tuchtrechter dienen de gedragsregels mede tot de instandhouding van een onderlinge verhouding binnen de beroepsgroep die gebaseerd is op welwillendheid en vertrouwen. Dit draagt bij aan een goede beroepsuitoefening. Anderzijds vereist die beroepsuitoefening dat het te dienen partijbelang daaraan niet ondergeschikt wordt gemaakt. Partijdigheid is immers een kernwaarde van de advocatuur. Daarom zal in een mogelijk spanningsveld tussen een welwillende confraternele verhouding en het partijbelang de advocaat steeds een zorgvuldige afweging moeten maken waarbij de omstandigheden van de te behandelen zaak mede bepalend zijn. Naast de vereiste confraternaliteit wordt de vrijheid die de advocaat in zijn (partijdig) optreden kent, ook begrensd door de beginselen van een behoorlijke procesorde. Deze zijn ook van toepassing op het beroepsmatig optreden in rechte (HvD 16 augustus 2013, nr. 6626, ECLI:NL:TAHVD:2013:194).

Welwillendheid en vertrouwen houdt ook in dat de advocaat rekening houdt met de andere advocaat bij het bepalen van het tijdstip van het overleggen van stukken in juridische procedures en equality of arms bij het geven van informatie aan de rechter. Zie daarvoor tevens regel 20 en de toelichting daarop.

Een andere verwijzing naar welwillendheid en vertrouwen is dat een advocaat een doelmatig optreden in de procedure nastreeft en voor ogen dient te houden dat geen onnodige kosten worden gemaakt ten laste van de wederpartij of andere betrokkenen (regel 6) en dat de advocaat zich niet onnodig grievend dient uit te laten (regel 7).

Regel 25 Rechtstreeks benaderen (weder)partij

  1. De advocaat stelt zich met een partij betreffende een aangelegenheid, waarin deze naar hij weet door een advocaat wordt bijgestaan, niet anders in verbinding dan door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze laatste hem toestemming geeft rechtstreeks met die partij in verbinding te treden. Deze regel geldt onverminderd wanneer de bedoelde partij zich tot de advocaat wendt.
     
  2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de advocaat die een aanzegging met rechtsgevolg doet, dat rechtstreeks aan een partij doen, mits met gelijktijdige verzending van een afschrift aan diens advocaat en op voorwaarde dat de mededeling aan een partij beperkt blijft tot deze aanzegging met rechtsgevolg. Indien de advocaat het beoogde rechtsgevolg ook kan bereiken door zijn brief alleen aan de advocaat van een partij te zenden, geldt voormelde uitzondering niet.

Toelichting

Deze regel (voorheen regel 18) heeft tot doel het evenwicht tussen partijen in een juridisch geschil te bewaren. De strekking van de regel is om te voorkomen dat de advocaat van een wederpartij een partij bij een geschil overrompelt zonder bijstand van zijn eigen advocaat (RvD Amsterdam 2 mei 2014, ECLI:NL:TADRAMS:2014:113).

Voor een rechtvaardiging van een uitzondering hierop is een rechtens aanvaardbare reden vereist om de aanzegging niet aan de advocaat te doen, bijvoorbeeld omdat het beoogde rechtsgevolg anders niet kan worden bewerkstelligd (HvD 5 juli 2010, 5679, ECLI:NL:TAHVD:2010:YA1174).

Een uitzondering op deze regel is alleen aanvaardbaar wanneer het gaat om een aanzegging die, om het daarmee beoogde rechtsgevolg te kunnen bewerkstelligen, niet anders gedaan kan worden dan rechtstreeks aan de andere partij. Indien de advocaat het beoogde rechtsgevolg ook kan bereiken door zijn brief alleen aan de advocaat te zenden, geldt de uitzondering niet (RvD Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2014, ECLI:NL:TADRARL:2014:149).

De inhoud van een brief die de ene advocaat aan de cliënt van een de andere advocaat zendt binnen de ruimte die de uitzondering biedt, dient beperkt te blijven tot de toegestane aanzegging met rechtsgevolg en wat daarvoor direct noodzakelijk is. Uitbreiding van de inhoud van zo’n brief komt neer op omzeiling van het in deze regel neergelegde verbod.

Regel 26 Vertrouwelijke mededelingen

  1. Onverminderd het bepaalde in regel 27 dient een advocaat die aan een andere advocaat mededelingen wenst te doen die hij vertrouwelijk behandeld wil zien, dit verlangen duidelijk kenbaar te maken vóór de verzending van de eerste van deze mededelingen.
     
  2. Indien de geadresseerde ervoor kiest aan deze mededelingen niet een vertrouwelijk karakter te verlenen dient hij de afzender daarover onverwijld en aantoonbaar te informeren.
     
  3. Op vertrouwelijke mededelingen als bedoeld in het eerste lid mag in rechte geen beroep worden gedaan, tenzij het belang van de cliënt dit bepaaldelijk vordert, maar dan niet zonder voorafgaand overleg met de advocaat van de wederpartij.
     
  4. Indien dit overleg niet tot een oplossing leidt, dient het advies van de deken te worden ingewonnen voordat in rechte een beroep als vorenbedoeld wordt gedaan.

Toelichting

Ten opzichte van de gedragsregels 1992 is de regeling – destijds genaamd – ‘confraternele correspondentie’ gewijzigd. De oude regeling maakte dat een cliënt die door een advocaat wordt bijgestaan in het nadeel lijkt te zijn, aangezien andere rechtshulpverleners zich niet aan die regel behoeven te houden. Voorts blijkt, ook als gevolg van de wijzigingen in het burgerlijk procesrecht, de handhaving van de vertrouwelijkheid van ‘confraternele correspondentie’ betrekkelijk te zijn.

Niet langer is louter de hoedanigheid van de verzender en ontvanger van de mededelingen bepalend voor de vertrouwelijkheid van de uitgewisselde mededelingen. Het voordeel van de huidige benadering is dat ten aanzien van de mededelingen met rechtshulpverleners die niet advocaat zijn een gelijk speelveld ontstaat, zij het dat een dergelijke afspraak aan de zijde van de ontvanger niet langs tuchtrechtelijke weg kan worden gehandhaafd.

Die nieuwe regel is gebaseerd op regel 5.3 van de Gedragscode voor Europese advocaten van de CCBE. Het uitgangspunt is dat een advocaat die een brief of vergelijkbare vorm van mededelingen aan een andere advocaat wil verzenden met de bedoeling dat deze vertrouwelijk moet blijven tussen de advocaten, de verzendende advocaat vooraf moet informeren of de gewenste vertrouwelijke brief/mededeling op die basis kan worden geaccepteerd. De advocaat dient zijn verlangen tot vertrouwelijkheid in dat geval voorafgaand duidelijk te vermelden. De ontvanger van een dergelijk geuit verlangen kan de vertrouwelijkheid van de mededelingen bevestigen of afwijzen. Indien de mededeling reeds is ontvangen, dient de ontvanger deze onmiddellijk aan de afzender te retourneren zonder van de inhoud kennis te nemen, de inhoud te onthullen of er op enigerlei wijze naar te verwijzen.

Op aldus tot stand gekomen mededelingen tussen advocaten die wel een vertrouwelijk (voorheen ‘confraterneel’) karakter hebben, mag zoals dat voorheen het geval was niet in rechte een beroep worden gedaan. De uitzonderingsmogelijkheid op grond van het belang van de cliënt van de advocaat die de mededeling heeft ontvangen, is gehandhaafd. Ook in dat geval zal de advocaat voorafgaand overleg moeten voeren met de afzender. Mislukt dit overleg, dan dient het advies bij de deken te worden ingewonnen.

Het in rechte geen beroep kunnen doen op de vertrouwelijke mededelingen heeft niet per se tot gevolg dat de mededelingen ook niet kunnen worden gedeeld met de eigen cliënt. De advocaat zal hier prudent een afweging in moeten maken.

Regel 27 Schikkingsonderhandelingen

Omtrent de inhoud van tussen advocaten gevoerde schikkingsonderhandelingen mag aan de rechter aan wiens oordeel of instantie aan wier oordeel de zaak is onderworpen, niets worden medegedeeld zonder toestemming van de advocaat van de wederpartij.

Toelichting

Anders dan bij regel 26 wegen de argumenten tot handhaving van een categorisch verbod ten aanzien van de inhoud van tussen advocaten gevoerde schikkingsonderhandelingen zwaarder dan die om tot afschaffing daarvan te komen. Ook hier hoeven andere rechtshulpverleners zich niet aan deze regel te houden, maar advocaten moeten onderling vrijuit kunnen spreken teneinde een oplossing voor het geschil te kunnen beproeven.

Omtrent de inhoud van schikkingsonderhandelingen mag niets aan de rechter worden meegedeeld. De regel slaat dus niet op het geval dat een partij onvoorwaardelijk aanbiedt te betalen wat zij erkent schuldig te zijn en dit aanbod handhaaft tijdens de procedure. Met een beroep daarop kan immers geen verkeerde indruk worden gewekt. En het is geboden dat hiervan melding mag worden gemaakt, omdat daardoor bijvoorbeeld ongerechtvaardigde veroordelingen in proceskosten kunnen worden voorkomen.

Het is voorts alleen verboden aan de rechter mededeling te doen van de inhoud van schikkingsonderhandelingen. Het enkele feit dat schikkingsonderhandelingen zijn gevoerd (maar niet geslaagd) mag aan de rechter worden medegedeeld, bijvoorbeeld opdat de rechter zich een oordeel kan vormen over de zin van een schikkingscomparitie.

Voorts zal kunnen worden medegedeeld dat schikkingsonderhandelingen zijn gevoerd en de ene partij zegt dat een schikking bestaat en de andere partij dit ontkent. De inhoud van die schikkingsonderhandelingen mogen echter niet worden medegedeeld aan de rechter. Uiteraard gelden voor wilsovereenstemming dan de normale bewijsregels.

Deze regel heeft uitdrukkelijk betrekking op schikkingsonderhandelingen. Op andere gevallen waarin advocaten namens hun wederzijdse cliënten standpunten uitwisselen of anderszins in onderhandeling zijn (bijvoorbeeld in het geval van een fusie of overname) is regel 26 van toepassing. Schikkingsonderhandelingen zien immers op het oplossen van een juridisch geschil. In dat opzicht vormt regel 27 een specialis voor die elementen binnen de correspondentie tussen advocaten die moeten worden opgevat als schikkingsonderhandelingen.

Overigens kan de cliënt aanwezig zijn bij schikkingsonderhandelingen. De cliënt is niet gebonden aan deze gedragsregel, zodat de cliënt wel de inhoud van schikkingsonderhandelingen aan de rechter kan mededelen. Het is aan te raden hierover voorafgaand duidelijkheid te verschaffen.

Regel 28 Overnemen van cliënten

  1. Een advocaat onthoudt zich in beginsel van initiatieven om in een lopende zaak een cliënt van een andere advocaat tot de zijne te maken. Krijgt een advocaat een verzoek de behandeling van een zaak, die reeds bij een andere advocaat in behandeling is, over te nemen, dan voeren deze advocaten onderling overleg met het doel de opvolgende advocaat behoorlijk in te lichten over de stand van de zaak.
     
  2. Is de declaratie van de andere advocaat niet voldaan en beroept deze zich op zijn retentierecht, dan is hij niettemin verplicht het dossier op verzoek van de cliënt aan de opvolgende advocaat af te geven onder door de deken te stellen voorwaarden.

Toelichting

In 1992 heeft de commissie-Bitter uit de gedragsregels de regel verwijderd die verbood cliënten ‘af te troggelen’ van een andere advocaat. Schrapping hiervan motiveerde de commissie-Bitter met de opmerking dat dergelijk gedrag al onder gedragsregel 17 (de ‘onderlinge verhouding van welwillendheid en vertrouwen’) viel.

De afgelopen jaren is er, met name in de strafrechtpraktijk, opnieuw veel te doen geweest over het zogenaamde ‘ronselen’ van cliënten, in het bijzonder ten aanzien van gedetineerden. Regel 28 beoogt duidelijkheid te scheppen over de vraag wat onder het begrip ronselen wel en niet dient te worden verstaan.

Het staat een raadsman in beginsel niet vrij zich te mengen in de relatie tussen een verdachte en zijn raadsman. De regels voor een vrije advocaatkeuze strekken er niet toe inbreuken op een bestaande rechtsverhouding tussen een advocaat en zijn cliënt te faciliteren (HvD 17 december 2012, nr. 6338, ECLI:NL:TAHVD:2012:YA4469).

Het uit eigen beweging proberen te werven van cliënten van een andere advocaat, al dan niet door betaling, laster of smaad ten aanzien van de behandelend raadsman, onoorbare druk of oneigenlijke motieven (ook wel: ‘ronselen’), is niet toegestaan en in strijd met hetgeen een goed advocaat betaamt.

Het is van belang die gevallen te onderscheiden van de situatie waarin een advocaat wordt aangezocht in verband met een (mogelijke) overname. In die gevallen is geen sprake van ‘ronselen’ zoals bedoeld in het eerste lid van deze gedragsregel.

Bij eventuele overname van een strafzaak van een gedetineerde rechtzoekende gaat het erom dat dit, zoals ook bij de overname van andere zaken geldt, op zorgvuldige en niet-onbetamelijke wijze gebeurt. Zo kan in het algemeen worden verlangd dat de advocaat die de behandeling van de zaak overneemt, daaraan voorafgaand behoorlijk overleg voert met de advocaat van wie hij de zaak wenst over te nemen. Dat overleg houdt in dat advocaten daadwerkelijk informatie en standpunten uitwisselen. Voorts behoudt de advocaat wiens zaken worden overgenomen de mogelijkheid bij zijn cliënt na te gaan of het inderdaad zijn wens is van advocaat te wisselen (zie onder andere RvD Amsterdam 15 juli 2014, ECLI:NL:TADRAMS:2014:185).

Het is de eigen verantwoordelijkheid van de overnemende advocaat om daadwerkelijk te overleggen met de andere advocaat alvorens de behandeling van een zaak over te nemen. Dit kan anders zijn als zich dwingende omstandigheden voordoen die ertoe leiden dat de overnemende advocaat niet in de gelegenheid is daadwerkelijk voorafgaand overleg te voeren.

Deze gedragsregel laat onverlet dat een andere advocaat een second opinion kan geven. In dat geval is het verzoek niet om de behandeling van de zaak over te nemen, maar een overname kan daaruit wel volgen. Ook in die gevallen is deze gedragsregel van toepassing.

Regel 29 Medewerking onderzoek deken

Bij een tuchtrechtelijk onderzoek, een verzoek om informatie van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek verband houdt of een verzoek om medewerking op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, is de betrokken advocaat verplicht alle gevraagde inlichtingen aanstonds aan de deken te verstrekken, zonder zich op zijn geheimhoudingsplicht te kunnen beroepen, behoudens in bijzondere gevallen.

Toelichting

Als gevolg van de wijziging van de Advocatenwet per 1 januari 2015 heeft de deken de positie verkregen van wettelijk toezichthouder. Zijn optreden als zodanig wordt ingekaderd door de bepalingen over de uitoefening van toezicht in Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Voordien oefende de deken ook aan hem opgedragen controles uit, maar droeg deze vorm van toezicht niet het karakter van het in de Awb geregelde toezicht.

Daarmee hebben ook de tuchtrechtelijke procedure en het op advocaten uit te oefenen toezicht elk een meer zelfstandige betekenis gekregen. De tuchtprocedure is geregeld in eigen procedureregels van de Advocatenwet. De plicht van een advocaat om desgevraagd aan een tuchtrechtelijk onderzoek door de deken mee te werken, vloeit dan ook voort uit de omstandigheid dat hij lid is van de beroepsgroep. Als zodanig vergt de betamelijkheid van een behoorlijk advocaat dat hij zijn medewerking verleent aan het onderzoek van de klacht.

De toezichthoudende rol van de deken is geregeld in artikel 45a van de Advocatenwet. De uitoefening van het toezicht door de deken is daarnaast onderworpen aan de desbetreffende bepalingen van de Awb, meer in het bijzonder Titel 5.2 (de artikelen 5:11 tot en met 5:20). Uit de Awb vloeit ook voort dat de advocaat aan de deken binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking dient te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

Navigeer inhoud van  Gedragsregels

Navigeer inhoud van Gedragsregels

Uitgelicht

Wet- en regelgeving

Alle wet- en regelgeving voor de advocatuur. Van de Advocatenwet tot de Verordening op de advocatuur (Voda) en de Regeling op de advocatuur (Roda).

Voor uw praktijk

Ondersteuning voor advocaten bij hun beroepsuitoefening: van de advocatenpas tot het rechtsgebiedenregister en geheimhoudernummers.