Toelichting
De Gedragsregels 1992 verboden in regel 16 nog ieder contact van een advocaat met een getuige die door de wederpartij was aangezegd; dat werd in het tweede lid van die gedragsregel nog eens gespecificeerd voor de strafrechtpraktijk. De regel bevatte geen instructies voor de betamelijke omgang met getuigen als zodanig. Deze regeling vormt naar de huidige opvattingen een inbreuk op het beginsel van due process en met name van equality of arms en behoort daarom te vervallen.
Aan een nuancering in een extra lid van deze gedragsregel ter zake van de omgang met getuigen binnen de sfeer van de eigen cliënt bestaat bij invoering van deze algemene gedragsregel geen behoefte meer. Het algemene principe dat in deze gedragsregel is neergelegd, biedt immers reeds ruimte voor overleg met ‘eigen getuigen’ (die al dan niet al door een wederpartij zijn aangezegd) en bevat de vermaning daarin zorgvuldig te zijn.
Tegelijk is het wel gewenst om te bepalen dat de advocaat in de contacten met getuigen grote prudentie aan de dag legt, en dat hij zich in het bijzonder verre houdt van ongeoorloofde beïnvloeding van getuigen. Deze gedragsregel laat onverlet de algemene strafbaarstelling van de opzettelijke beïnvloeding van getuigen (artikel 285a Sr).
Teneinde aan te sluiten bij de algemene strafbaarstelling is aangegeven dat ongeoorloofde beïnvloeding niet is toegestaan. Ieder gesprek is immers al beïnvloeding, maar niet per se ongeoorloofd. Het is duidelijk dat getuigen geen ‘woorden in de mond’ mogen worden gelegd. Een getuige moet naar waarheid verklaren en mag op dat terrein niet worden beïnvloed of worden gehinderd.
Een advocaat behoort te voorkomen dat een situatie ontstaat waarin een getuige vóór diens verhoor in zijn af te leggen verklaring door toedoen of nalaten van een advocaat kan worden beïnvloed, zoals wanneer hij die getuige toestaat aanwezig te zijn bij een bespreking tussen hemzelf en zijn cliënt aangaande het komende getuigenverhoor. Door de aanwezigheid van de getuige bij het gesprek met zijn cliënt toe te staan, kan een advocaat dus tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen (HvD 31 maart 2000, Advocatenblad 2000, p. 971).
In strafzaken is het vragen van een ‘terughoudende’ opstelling bij het benaderen van eigen getuigen niet reëel: het is nodig en wordt in de praktijk ook verwacht dat advocaten eerst met potentiële getuigen spreken over wat zij wel of niet hebben waargenomen, alvorens een eventueel verzoek te doen tot het (doen) horen van die getuigen.
Het tweede lid is niet van toepassing op de strafrechtpraktijk. Daar is immers geen sprake van oproepen, maar van ‘doen oproepen’ (zie bijvoorbeeld artikel 263 van het Wetboek van Strafvordering).
Regel 20 Eerlijk proces
Toelichting
Deze regel verwoordt het algemene uitgangspunt dat in procedures op tegenspraak, waarin de rechtsstrijd op het scherp van de snede wordt gevoerd, een advocaat niet moet trachten ongerechtvaardigd voordeel te trekken uit zijn tegenpartij. De advocaat mag niet uit het oog verliezen dat op al deze procedures (civielrechtelijke, strafrechtelijke, bestuursrechtelijke of overige procedures) het beginsel van fair play van toepassing is.
Een uitwerking van dat beginsel was neergelegd in de oude regel 14, eerste lid, waarin staat dat de advocaat er bij het bepalen van het tijdstip van overleggen van stukken aan de rechter aan wiens oordeel de zaak is onderworpen rekening mee dient te houden dat de wederpartij een reactie daarop voldoende zorgvuldig moet kunnen voorbereiden. Het beginsel van fair play heeft echter een ruimere reikwijdte en kan onder omstandigheden ook een verplichting meebrengen om de wederpartij die niet door een advocaat wordt bijgestaan een afschrift te zenden van stukken die aan de rechtbank worden gestuurd (zie RvD Amsterdam 28 februari 2017, ECLI:NL:TADRAMS:2017:48).
De in het eerste lid verwoorde regel geldt overigens alleen ten aanzien van die bij de procedure betrokken partijen die in het bestaande systeem aanspraak hebben op het verkrijgen van processtukken.
Op grond van procesreglementen bestaat er in toenemende mate minder nadruk op het houden van een pleidooi. In het bestuursprocesrecht bestaat in het kader van de ‘nieuwe zaaksbehandeling’ nauwelijks nog ruimte voor meer dan een korte mondelinge toelichting. Voor zover het houden van een pleidooi voor een rechterlijke instantie is toegelaten, dient de advocaat niet alleen de leden van het gerecht maar ook de advocaat van de wederpartij een exemplaar van zijn pleitnota te geven. Het doel hiervan is dat wordt voorkomen dat de advocaat via zijn pleitnota gecamoufleerd bepaalde informatie aan de rechter geeft die daardoor niet bekend is bij de wederpartij. Om diezelfde reden moet de advocaat transparant zijn over het weglaten van bepaalde informatie tijdens het pleiten, terwijl die wel in de pleitnota is opgenomen. Deze regel heeft op de eerste plaats betrekking op een handelen jegens de advocaat van de wederpartij. Het staat de advocaat evenwel vrij om ook een afschrift van de pleitnota aan een andere procesvertegenwoordiger dan een advocaat te geven.
In het strafrecht is er geen sprake van een advocaat aan de zijde van de ‘wederpartij’: de advocaat staat hier in een contradictoire procedure tegenover de officier van justitie. Met wederpartij wordt hier niet het Openbaar Ministerie bedoeld.