Verordening op de advocatuur

Besluit van het college van afgevaardigden van 4 december 2014 tot vaststelling van de verordening op de advocatuur (Verordening op de advocatuur) (1)

(1) Zoals gewijzigd bij besluit van het college van afgevaardigden van 2 december 2015 (Veegverordening 2015), bij besluit van 19 april 2017 (Verzamelverordening 2016), bij besluit van 7 december 2016 (Wijzigingsverordening derdengelden 2016), bij besluit van 29 maart 2018 (Wijzigingsverordening beroepsaansprakelijkheidsverzekering), bij besluit van 13 december 2018 (Wijzigingsverordening kwaliteitsbevorderende maatregelen en Wijzigingsverordening verlenging Experiment letsel en overlijdensschadezaken), bij besluit van 10 december 2019 (Verzamelverordening 2019 en Wijzigingsverordening civiele cassatie 2019), bij besluit van 21 juni 2017 (Wijzigingsverordening kwaliteitstoetsen, inw.tr. 1 maart 2020), bij besluit van 26 maart 2020 (Wijzigingsverordening beroepsopleiding advocaten 2020), bij besluit van 1 juli 2020 (Wijzigingsverordening kwaliteitstoetsen 2020), bij besluit van 3 december 2020 (Verzamelverordening 2020 en Wijzigingsverordening experiment rechtsbijstandsverzekeraars), bij besluit van 30 november 2021 (Verzamelverordening 2021), bij besluit van 6 april 2022 (Wijzigingsverordening vakbekwaamheid 2022), bij besluit van 27 september 2022 (Wijzigingsverordening geheimhoudernummers DJI/AIVD/MIVD), bij besluit van 20 december 2023 (Wijzigingsverordening vervolgverlenging Experiment letsel- en overlijdensschadezaken), bij besluit van 20 december 2023 (Wijzigingsverordening kwaliteitstoetsen 2023), bij besluit van 30 september 2024 (Veegverordening 2024), bij besluit van 4 december 2024 (Verzamelverordening 2024), bij besluit van 24 juni 2025 (Wijzigingsverordening verlenging experiment rechtsbijstandsverzekeraars 2025) en bij besluit van 30 september 2025 (Wijzigingsverordening resultaatgerelateerd honorarium en experiment letsel- en overlijdensschadezaken 2025).

Het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten,

Overwegende dat het uit een oogpunt van kenbaarheid en vermindering van regels wenselijk is de bestaande verordeningen te harmoniseren, te vereenvoudigen en in een verordening te integreren;

Gezien het voorstel van de algemene raad;

Gelet op de artikelen 4, vijfde lid, 9b, zesde lid, 9c, tweede lid, 9j, derde en vierde lid, 28, eerste en tweede lid, 32a, vijfde lid, 36a, vijfde lid, van de Advocatenwet;

Stelt de volgende verordening vast:

1. Algemeen

De Verordening op de advocatuur is een verordening die het resultaat is van de regelgevende bevoegdheid die toegekend is aan het college van afgevaardigden op grond van de artikelen 4, vijfde lid, 9b, zesde lid, 9c, tweede lid, 9j, derde en vierde lid, 28 eerste en tweede lid, 32a, vijfde lid, 36a, vijfde lid, van de Advocatenwet. De bevoegdheid wordt ingevuld met het oog op de in artikel 10a, eerste lid, van de Advocatenwet genoemde kernwaarden van de advocaat (integriteit, partijdigheid, bekwaamheid, vertrouwelijkheid en onafhankelijkheid).

 

2. Totstandkoming verordening

De Verordening, toelichting en lagere regelgeving zijn tot stand gekomen als gevolg van het project doorlichting. Dat project is in 2012 van start gegaan met het doel de bestaande verordeningen, regelingen en reglementen van de Nederlandse orde van advocaten te herschrijven. Gedragsregels bleven buiten beschouwing in het kader van de doorlichting. Het doel was om te komen tot overzichtelijke en kwalitatief goede regelgeving voor de advocatuur.

Als gevolg van het project doorlichting zijn twaalf verordeningen en tien regelingen en reglementen opgenomen in een enkele verordening en een enkele uitvoeringsregeling.

De verordening is tevens in lijn gebracht met de tekst van de Advocatenwet zoals deze luidt na de aanpassingen van de Wet toezicht en positie advocatuur, die voor het merendeel met ingang van 1 januari 2015 in werking treedt (Stb. 2014, nr. 429). Artikel I, onderdeel R, (de wijziging van artikel 26) van die wet treedt op een later tijdstip in werking.

 

3. Reikwijdte verordening

De verordening is verbindend voor advocaten die op het tableau van de Nederlandse orde van advocaten zijn ingeschreven (artikel 29, eerste lid, van de Advocatenwet). Dit betreft de advocaten, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Advocatenwet. Hieronder vallen zowel advocaten, die in Nederland de universitaire rechtenstudie hebben afgerond en de beroepsopleiding volgen of hebben afgerond, die op grond van artikel 2, eerste lid, van die wet om inschrijving hebben verzocht, als advocaten, die in een ander land het recht hebben verkregen om de titel ‘advocaat’ te voeren en die op grond van artikel 16h van die wet ingeschreven worden. Die laatste categorie betreft advocaten die in een lidstaat behorend tot de Europese Economische Ruimte (EER) of Zwitserland gerechtigd zijn het beroep van advocaat uit te oefenen onder hun oorspronkelijke beroepstitel. De EER bestaat uit de lidstaten van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen en Liechtenstein. De Verordening is voor deze advocaten verbindend op grond van artikel 29 en artikel 16k van de Advocatenwet.

Ook advocaten die niet in Nederland maar in een ander land in de EER of Zwitserland zijn ingeschreven en die in Nederland incidenteel bij wijze van dienstverrichting werkzaamheden uitoefenen, zijn gebonden aan de verordening.. Deze “bezoekende” advocaten uit die landen dienen de beroepsregels in acht te nemen die gelden voor in Nederland ingeschreven advocaten, met inbegrip van de verordeningen (artikelen 16d, tweede lid, 16f en 29 van de Advocatenwet).

De verordening is tevens verbindend voor rechtspersonen en samenwerkingsverbanden waarin advocaten hun praktijk uitoefenen (artikel 29 van de Advocatenwet). Daarbij moet het gaan om praktijkrechtspersonen en samenwerkingsverbanden in de zin van deze verordening.

Daarnaast is in enkele artikelen de reikwijdte van een afdeling of paragraaf nader bepaald (bijvoorbeeld artikel 4.2 en artikel 6.1). In die artikelen wordt dan een onderscheid gemaakt naar advocaten die op grond van artikel 16h van de Advocatenwet zijn ingeschreven of advocaat-stagiaires. 

Hoofdstuk 1 Definities

In het eerste hoofdstuk wordt een uniforme set van definities gegeven, die geldt voor de begrippen in deze verordening en de daarop gebaseerde lagere regelgeving.

Afdeling 1.1 Definities

Artikel 1.1 Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • advocaat: de in Nederland ingeschreven advocaat;
  • advocaat bij de Hoge Raad: de advocaat, bedoeld in artikel 9j, eerste lid, van de Advocatenwet;
  • advocatenpas:  het door de Nederlandse orde van advocaten verstrekte authenticatiemiddel met een elektronische component dat een set van eigenschappen bevat waarmee toegang kan worden verleend tot bepaalde beveiligde internetdiensten;
  • basistest: de test, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, onderdeel a;
  • beoefenaar van een toegelaten vrij beroep: een beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdelen b en c;
  • beroepsopleiding advocaten: de opleiding, bedoeld in artikel 9c, van de Advocatenwet;
  • buitenstagiaire: de stagiaire aan wie op grond van artikel 9b, derde lid, van de Advocatenwet vrijstelling is verleend van de verplichting bij een patroon kantoor te houden;
  • CCBE: Council of Bars and Law Societies of Europe;
  • certificaat beroepsopleiding: het bewijs, bedoeld in artikel 8c, eerste lid, onderdeel c, onder 2 van de Advocatenwet dat met gunstig gevolg het in artikel 9c, eerste lid, van de Advocatenwet bedoelde examen is afgelegd;
  • deken: de deken van de orde in het arrondissement, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Advocatenwet;
  • derdengelden: gelden die een relatie hebben met de dienst die door de advocaat wordt verleend en die niet zijn bestemd voor de advocaat in het kader van zijn optreden in die hoedanigheid, maar voor de cliënt of een derde, uitgezonderd verschotten en griffierechten;
  • financiële resultaat: het totaal van de ontvangen hoofdsom, rente, kostenvergoedingen, inclusief vergoeding op grond van artikel 96 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en (proces)kostenveroordelingen;
  • geaccrediteerde opleidingsinstelling: een opleidingsinstelling die de in artikel 3.25 bedoelde accreditatie heeft verkregen;
  • geheimhouder: een advocaat of een persoon met een van de advocaat afgeleide geheimhoudingsplicht en afgeleid verschoningsrecht;
  • geheimhoudernummer: een telefoon- of faxnummer dat doorgaans gebruikt wordt door geheimhouders voor vertrouwelijke communicatie;
  • gestructureerd intercollegiaal overleg: een gestructureerd overleg over vraagstukken met betrekking tot de dagelijkse praktijkvoering van advocaten;
  • houdster-rechtspersoon: een rechtspersoon die als feitelijke en statutaire activiteit heeft direct of indirect aandelen te houden in een praktijkrechtspersoon, lid te zijn van een coöperatie of op daarmee vergelijkbare wijze deel te nemen in een praktijkrechtspersoon;
  • intervisie: een gestructureerde en periodieke bespreking in een kleine groep hiërarchische gelijkwaardige professionals waarin dilemma’s en vragen over het eigen functioneren, de praktijkvoering en praktijkuitoefening centraal staan;
  • klacht: iedere schriftelijke uiting van ongenoegen van of namens de cliënt jegens de advocaat of de onder diens verantwoordelijkheid werkzame personen over de totstandkoming en de uitvoering van een overeenkomst van opdracht, de kwaliteit van de dienstverlening of de hoogte van de declaratie, het verrichten of aanbieden van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden, niet zijnde een klacht als bedoeld in paragraaf 4 van de Advocatenwet;
  • onderwijsaanbieders: de aanbieder, bedoeld in artikel 3.23, de uitvoeringsorganisatie beroepsopleiding advocaten en een geaccrediteerde opleidingsinstelling;
  • patroon: de advocaat onder wiens begeleiding de stagiaire de praktijk uitoefent;
  • peer review: een gestructureerde inhoudelijke beoordeling van bij een advocaat in behandeling zijnde of behandelde dossiers door een reviewer, gevolgd door een gesprek tussen de advocaat en de reviewer;
  • praktijk uitoefenen in dienst: een advocaat die op grond van een arbeidsovereenkomst of aanstelling een werkgever heeft;
  • praktijkrechtspersoon: iedere op de uitoefening van de rechtspraktijk gerichte rechtspersoon die voldoet aan de in artikel 5.7 gestelde eisen, niet zijnde een houdster-rechtspersoon;
  • raad van de orde: de raad van de orde in het arrondissement, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Advocatenwet;
  • samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 5.3;
  • specifieke kosten: kosten verbonden aan de behandeling van een zaak, waaronder in ieder geval

a. kosten gemaakt in opdracht van de advocaat voor medische adviezen en medische informatieverstrekking, toedrachtsonderzoeken of inschakeling van rekenbureaus, arbeidsdeskundigen en schade-experts; en

b. reiskosten van de advocaat, kosten van getuigen en tolken, deurwaarderskosten, kosten van gerechtelijk of buitengerechtelijk tussen partijen benoemde deskundigen, griffierecht, alsmede het bedrag van de eventuele kostenveroordeling van de rechtzoekende;

  • stage: de uitoefening van de praktijk door een advocaat onder begeleiding van een patroon;
  • stagiaire: een advocaat die verplicht is zijn praktijk uit te oefenen onder begeleiding van een patroon;
  • stagiaire-ondernemer: de stagiaire die de praktijk voor eigen risico en rekening uitoefent;
  • stichting derdengelden: een stichting die ten doel heeft de derdengelden te beheren;
  • uitvoeringsorganisatie: de uitvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 3.23.

Artikel 1.1
In dit artikel worden de in de verordening gebruikte begrippen gedefinieerd. De definities zijn in alfabetische volgorde opgenomen en kennen geen nummering. Dit vergemakkelijkt het invoegen van een nieuwe definitie, indien dat nodig mocht blijken te zijn.

Omdat de verordening is gebaseerd op de Advocatenwet (hierna ook: de wet), zijn de daaraan ontleende begrippen niet omschreven. De gedachte is dat er geen gerede twijfel kan bestaan over wie bedoeld is met ‘het college van afgevaardigden’ of ‘secretaris van de algemene raad’. Ook is er vanaf gezien om de naam van de Advocatenwet te definiëren, opdat telkens verwezen kan worden naar de “wet”. Er wordt, althans in de artikelteksten, telkens waar nodig verwezen naar de Advocatenwet. Deze naam is kort genoeg en de meerwaarde van definiëren is beperkt.

De in deze verordening gebruikte begrippen worden uitgelegd conform de Advocatenwet en overige (hogere) regelgeving, ook indien deze niet specifiek zijn gedefinieerd. De regelgeving van hogere orde, zoals Europese richtlijnen en wetten in formele zin, gaan voor op deze verordening. De uitleg en toepassing van deze verordening zal moeten geschieden conform de hogere regelgeving.

Advocaat
Op het tableau, dat door de secretaris van de algemene raad wordt gehouden, worden de advocaten ingeschreven. De inschrijving is zowel mogelijk op grond van artikel 2 als op grond van artikel 16h van de Advocatenwet.

Advocatenpas
De advocatenpas is een authenticatiemiddel met een elektronische component waarmee toegang kan worden verleend tot bepaalde beveiligde internetdiensten. Alleen advocaten of een gemachtigde na specifieke toestemming van een advocaat (omdat die advocaat de factuur krijgt) kunnen een advocatenpas aanvragen.

De elektronische component kan op twee manieren zijn vormgegeven:

1. een chip op de fysieke pas met daarbij een kaartlezer, die een eenmalig wachtwoord (one time password, of OTP) genereert;

2. een applicatie (softtoken) op de smartphone die het akkoord van de advocaat herkent.

Dit stelt gebruikers in staat om in te loggen op de beveiligde websites van onder andere de Nederlandse orde van advocaten. Op die manier kunnen advocaten en door de advocaat gemachtigde medewerkers toegang in een beveiligde online omgeving krijgen. 

Basistest
De juridisch-inhoudelijke test in het voorportaal van de beroepsopleiding advocaten als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel a.

Beoefenaar van een toegelaten vrij beroep
Een beoefenaar van een toegelaten vrij beroep is een advocaat die lid is van een door de algemene raad erkende buitenlandse balie, een notaris, kandidaat-notaris, een octrooigemachtigde, een lid van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, of een universitair geschoold lid van het Register Belastingadviseurs. Voor buitenlandse advocaten geldt dat daaronder ook wordt verstaan het buitenlandse equivalent van een advocaat, dat mogelijk met een andere term in een andere taal wordt aangeduid, zie artikel 1, tweede lid, van de Beroepskwalificatierichtlijn (1998/5/EG). Hetzelfde geldt voor de buitenlandse equivalent van de benaming ‘balie’.

Derdengelden
Derdengelden zijn gelden die de advocaat in het kader van zijn dienstverlening ontvangt ten behoeve van zijn cliënt of ten behoeve van een derde. Er moet een duidelijke relatie zijn met de dienstverlening van de advocaat. Verschotten en griffierechten zijn geen derdengelden.

Financiële resultaat
Het financiële resultaat is het op geld gewaardeerde resultaat in een procedure. Het omvat niet meer en niet minder dan de volgende financiële elementen: de ontvangen hoofdsom, rente en kostenvergoedingen. Kostenvergoedingen worden berekend inclusief de vermogensschade op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), proceskostenveroordelingen en andere kostenveroordelingen. De definitie is opgenomen in verband met het bepaalde in paragraaf 7.4.3. Om de omvang van het maximale honorarium voor de advocaat te berekenen, is hier opgenomen welke onderdelen betrokken kunnen worden in het financiële resultaat. De opsomming is limitatief. De vergoedingen op basis van artikel 6:96 van het BW maken van het financiële resultaat deel uit. De te vergoeden kosten worden in mindering gebracht op de te verkrijgen bedragen. Zodoende kan het financiële resultaat negatief zijn.

Gestructureerd intercollegiaal overleg
Bij gestructureerd intercollegiaal overleg staan vraagstukken met betrekking tot de dagelijkse praktijkvoering centraal. Zo kunnen advocaten binnen een kantoor of in een groep advocaten van verschillende kantoren met elkaar van gedachten wisselen over de juridische en niet-juridisch-inhoudelijke aspecten van het werk. Hierbij kunnen zowel vakinhoudelijke vragen worden gesteld als vragen over gedragsrecht, het optreden in het publieke domein als vertegenwoordiger van de beroepsgroep, het opstellen van een ontwikkelplan, de vormgeving van de praktijkvoering, enzo-voorts. Door dit overleg wordt aandacht gegeven aan verschillende elementen van professionaliteit. De kwaliteitsbevordering behelst immers meer dan alleen het beheersen van vakinhoudelijke kennis. Het overleg vindt plaats met een begeleider. Dit is geen deskundige in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Advocatenwet. Deelnemende advocaten moeten daarmee rekening houden in het kader van de geheimhoudingsplicht.

Houdster-rechtspersoon
In de advocatuur is het gebruikelijk dat aandelen in een praktijkrechtspersoon worden gehouden door een BV, waarvan de aandelen worden gehouden door de persoon die de advocatuurlijke praktijk uitoefent in of via de praktijkrechtpersoon. De BV die de aandelen in de praktijkrechtspersoon houdt is de houdster-rechtspersoon. De aandelen van die houdster-rechtspersoon kunnen ook weer door een andere rechtspersoon worden gehouden. Ook kan een stichting de houdster-rechtspersoon zijn als een stichting administratiekantoor de aandelen houdt in een praktijkrechtspersoon en op die aandelen certificaten zijn uitgebracht.

Intervisie
Intervisie is een gestructureerde en periodieke bespreking in een groep van advocaten werkzaam op dezelfde rechtsgebieden, waarin dilemma’s, vragen of het eigen functioneren, de praktijkvoering of praktijkuitoefening worden ingebracht door de deelnemers. De bespreking ziet derhalve op de houding en het gedrag van de advocaat, maar wel met betrekking tot de inhoud van een zaak of de wijze waarop de praktijkvoering is vormgegeven. Met ‘hiërarchisch gelijkwaardige professionals’ wordt bedoeld dat de groep zodanig wordt samengesteld dat iedere advocaat zich veilig voelt om aan het overleg mee te doen en zich niet beoordeeld voelt door een kantoorgenoot. De groep kan – zolang dat aspect voor ogen wordt gehouden – bestaan uit zowel partners als medewerkers. Het is niet de bedoeling dat tijdens de intervisie uitgebreid de juridische inhoud van een dossier wordt besproken; het gaat om de koers in een zaak of dilemma’s die spelen. Voor zover vertrouwelijke informatie wordt gedeeld of herleidbaar is, geldt dat de gespreksleider een deskundige is in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Advocatenwet. De deskundige heeft een geheimhoudingsplicht op grond van artikel 26, derde lid, van de Advocatenwet.

Klacht
De kerndefinitie bij de bepalingen over klachten en geschillen (afdeling 6.8) is ‘klacht’. Afdeling 6.8 bepaalt dat advocaten in een kantoorklachtenregeling moeten vastleggen hoe klachten die onder deze definitie vallen, worden afgehandeld. Een klacht in de zin van deze definitie kan betrekking hebben op ongenoegen over de totstandkoming en de uitvoering van een overeenkomst van opdracht, de kwaliteit van de dienstverlening of de hoogte van de declaratie. Daarmee wordt benadrukt dat de klacht in de zin van deze verordening gaat over de dienstverlening door de advocaat. Deze klacht is daarom te onderscheiden van ‘tuchtrechtelijke klachten’ in de zin van paragraaf 4 van de Advocatenwet. Deze ‘tuchtrechtelijke klachten’ zijn klachten die ingevolge artikel 46c van de Advocatenwet bij de deken in het arrondissement worden ingediend. Over het algemeen zullen deze ‘tuchtklachten’ gaan over enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten of enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Een klager kan met klachten over de dienstverlening terecht bij de klachtenfunctionaris van het kantoor (artikel 6.28, tweede lid, onderdeel c) en met klachten over bejegening, gedrag, zorg voor de cliënt en dergelijke bij de deken in het arrondissement. Dat neemt niet weg dat een cliënt met klachten over bejegening zich (eerst) tot de klachtenfunctionaris kan wenden. De deken kan uiteraard bemiddelen op grond van artikel 35, tweede lid, en artikel 46d, eerste lid, van de Advocatenwet. 

In de definitie is opgenomen dat het ongenoegen in ieder geval schriftelijk kenbaar moet worden gemaakt. Dit is niet bedoeld als drempel, maar heeft als doel een zorgvuldige klachtbehandeling. Dit neemt niet weg dat een mondelinge klacht eveneens volgens het kantoorklachtenreglement kan worden afgehandeld, maar dit is niet verplicht. Het ligt dan wel voor de hand dat de afhandeling van de klacht door de advocaat of het kantoor op schrift zal worden gesteld.

Onderwijsaanbieders
Alle aanbieders van onderwijs in de beroepsopleiding advocaten, derhalve de aanbieder van de basistest, de uitvoeringsorganisatie en de geaccrediteerde opleidingsinstelling(en).

Peer review
Peer review is een vorm van gestructureerde feedback die ziet op de juridische beoordeling van dossiers van een advocaat door een reviewer. Omdat de reviewer inzage heeft in dossiers van de advocaat is het van belang dat de reviewer aangemerkt wordt als deskundige in de zin van artikel 26 van de Advocatenwet, zodat de in artikel 26, derde lid van de Advocatenwet geregelde geheimhoudingplicht van toepassing is. Het is van belang dat zowel de gereviewde advocaat als de reviewer op hetzelfde rechtsgebied werkzaam zijn, zodat de juridische inhoud voldoende onderdeel kan uitmaken van de beoordeling. In het gesprek dat volgt op de review kan worden besproken welke alternatieven in de behandeling van de zaak mogelijk zijn of waren en wat de advocaat daarvan kan leren. Op die manier wordt de kwaliteit in de inhoudelijke behandeling van zaken bevorderd.

Praktijk uitoefenen in dienst
De term ‘praktijk uitoefenen in dienst’ houdt in het uitoefenen van de advocatuurlijke praktijk bij een andere persoon, samenwerkingsverband of rechtspersoon, waarbij sprake is van een arbeidsverhouding. Een arbeidsverhouding wordt getoetst aan vier elementen: er moet arbeid worden verricht, tegen een vergoeding, voor een zekere tijd en waarbij er een gezagsverhouding is.

Praktijkrechtspersoon
Een praktijkrechtspersoon is een rechtspersoon waarin de rechtspraktijk wordt uitgeoefend. Onder rechtspraktijk wordt de advocatuurlijke praktijk geschaard, maar ook de notariële praktijk en de beroepsuitoefening van andere beoefenaren van een toegelaten vrij beroep. Naar Nederlands recht zijn deze beroepsbeoefenaren meestal georganiseerd in rechtspersonen als de BV, de NV, de stichting en de coöperatie. In Nederland is ook de Limited liability partnership (hierna: LLP) naar het recht van Engeland en Wales als praktijkrechtspersoon in zekere mate gangbaar. De LLP naar het recht van o.a. Delaware heeft geen rechtspersoonlijkheid en is om die reden geen praktijkrechtspersoon. Een praktijkrechtspersoon is de rechtspersoon die de overeenkomsten met cliënten aangaat. Er zijn ook rechtspersonen die deelnemen in een samenwerkingsverband (bijvoorbeeld BV’s die maat zijn in een maatschap) die onder de definitie van praktijkrechtspersoon vallen als dat samenwerkingsverband zelf geen rechtspersoonlijkheid heeft. In deze constellaties kan de maatschap of de BV de overeenkomst van opdracht met cliënten aangaan. Het is aan de advocaat om daarover duidelijkheid te verschaffen aan (potentiële) cliënten op grond van artikel 7.4.

Samenwerkingsverband
Onder samenwerkingsverband wordt verstaan elke vorm van samenwerking tussen een advocaat en een andere persoon, samenwerkingsverband of rechtspersoon, waarin rekening en risico worden gedeeld, of waarin zeggenschap of eindverantwoordelijkheid over de praktijkuitoefening wordt gedeeld. In ieder geval is er sprake van een samenwerkingsverband als de samenwerking is gegoten in de vorm van een rechtspersoon. Indien voldaan is aan de definitie van samenwerkingsverband gelden de bijzondere voorwaarden van onder meer hoofdstuk 5, maar ook van gedragsregel 7. Zie tevens de toelichting op artikel 5.3.

Specifieke kosten
De specifieke kosten omvatten de kosten die aan de behandeling van een letselschade- of overlijdensschadezaak zijn verbonden. In onderdeel a worden min of meer gebruikelijke advieskosten opgesomd en in onderdeel b de kosten voor juridische experts en diverse processtappen. De specifieke kosten hebben een bijzondere rol in het kader van paragraaf 7.4.3 (resultaatgerelateerde beloning) en in het bijzonder van artikel 7.10.Omdat de specifieke kosten relevant zijn voor de berekening van de beloning voor de advocaat, valt deze beloning niet onder deze kosten. De opsomming is niet limitatief.

Hoofdstuk 2 Organisatie van de Nederlandse orde van advocaten

Het tweede hoofdstuk van de Verordening op de advocatuur omvat het organisatorische deel van de regelgeving. In afdeling 2.1 is de regelgeving opgenomen die de organen van de orde in het leven roept, voor zover deze niet reeds bij wet zijn ingesteld. Afdeling 2.2 bevat de regelgeving die ziet op de geldstromen van en naar de Nederlandse orde van advocaten. 

Afdeling 2.1 Raden en commissies

De Nederlandse orde van advocaten is een publiekrechtelijke rechtspersoon op grond van artikel 17, eerste juncto derde lid, van de Advocatenwet. In artikel 17a, eerste lid, van deze wet wordt een aantal organen van de Nederlandse orde ingesteld, te weten de algemene raad, de deken van de algemene raad, het college van afgevaardigden, de raad van advies en het college van toezicht. De opsomming is limitatief (vergelijk College van Beroep voor het bedrijfsleven, 21 september 2006, ECLI:CBB:2006: AY8684). Deze organen zijn bestuursorganen in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Awb. Het zijn daarom zogeheten a-organen. Deze a-organen kunnen bevoegdheden geattribueerd krijgen.

In deze verordening worden bepaalde raden en commissies ingesteld. Dat zijn ook organen van de Nederlandse orde van advocaten. Een orgaan is een instantie van een rechtspersoon die beslissingsbevoegdheid heeft gekregen krachtens wet of statuten, vergelijk artikelen 2:14 en 2:15 van het BW.

De bij verordening ingestelde organen van de Nederlandse orde van advocaten zijn geen bestuursorganen in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onderdeel a, van de Awb, (a-organen), maar kunnen wel bevoegdheden toegedeeld krijgen. Door het toedelen van deze bevoegdheden kunnen deze organen de status van bestuursorgaan krijgen, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel b, van de Awb. Die toedeling van bevoegdheden kan bijvoorbeeld door het verlenen van mandaat of door delegatie geschieden. 

Paragraaf 2.1.1 Raad van advies

Algemeen

Artikel 32a, eerste lid, van de Advocatenwet regelt de instelling van de raad van advies. Verder worden in dat artikel het aantal leden, hun incompatibiliteiten (vierde lid) en de taak (tweede lid) van de raad van advies beschreven. Het vijfde lid van artikel 32a van de Advocatenwet biedt een grondslag voor het stellen van nadere regels bij verordening over de samenstelling en inrichting van de raad van advies. Dit lid biedt tevens de mogelijkheid om de adviestaak uit te breiden. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt door in artikel 2.2 de taken van de raad van advies uit te breiden.

De instelling van de raad van advies heeft als doel de externe legitimatie van de regelgeving van de orde te verhogen. Het gezag van de raad van advies is vooral gelegen in de samenstelling en de onderscheiden kwaliteiten van de leden met hun specifieke maatschappelijke ervaring. Daarbij dient de samenstelling van de raad van advies te verzekeren dat effectief invulling wordt gegeven aan de inbreng van derden bij de beroepsuitoefening door de advocatuur. De verordening geeft de raad van advies tevens de taak om vanuit verschillende perspectieven de maatschappelijke positionering en de hoofdlijnen van het beleid van de Nederlandse orde van advocaten te becommentariëren. De hoofdlijnen van het beleid kunnen blijken uit een beleidsplan dat jaarlijks wordt vastgesteld, maar ook uit andere beleidsdocumenten. Door advisering aan de algemene raad kan de raad van advies een waardevolle bijdrage leveren aan de kwaliteit van de besluitvorming en daarmee aan het algemeen belang dat de samenleving heeft bij een goed functionerende advocatuur.

De raad van advies neemt geen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Op de adviezen van de raad van advies zijn onder meer de artikelen 3:7 en 3:43 van de Awb van toepassing. Die houden, voor zover hier van belang, in dat de algemene raad de noodzakelijke informatie aan de raad van advies ter beschikking moet stellen en zijn beweegredenen aan de raad van advies moet mededelen als van het advies wordt afgeweken. In deze verordening hoeft dat derhalve niet nogmaals geregeld te worden. 

Artikel 2.1 Leden raad van advies
  1. De leden van de raad van advies hebben daarin zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie zonder last of ruggespraak uit.
  2. Benoeming vindt plaats op grond van deskundigheid en ervaring die nodig is voor een goede vervulling van de taak van de raad van advies.

De leden worden op persoonlijke titel benoemd en adviseren zonder last of ruggespraak. Dit houdt in dat zij geheel onafhankelijk zijn.

De leden van de raad van advies moeten beschikken over een brede maatschappelijke ervaring en een grote mate van kennis op bepaalde terreinen. Zij dienen in staat te zijn vanuit een algemeen maatschappelijk perspectief gezichtspunten aan te dragen die van wezenlijk belang zijn voor de plaats van de advocatuur in de samenleving. De in het tweede lid bedoelde kennis en ervaring moeten in de raad van advies als geheel voorhanden zijn. Dit betekent dat niet elk afzonderlijk lid daarover behoeft te beschikken.

Artikel 2.2 Taakomschrijving raad van advies
  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 32a, tweede lid, van de Advocatenwet heeft de raad van advies tot taak de algemene raad te adviseren over de maatschappelijke positionering van de Nederlandse orde van advocaten en over hoofdpunten van beleid die de algemene raad daartoe aan de raad van advies voorlegt.
  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 32a, derde lid, van de Advocatenwet voorziet de algemene raad in openbaarmaking van de adviesaanvraag, bedoeld in het eerste lid, en het aan het advies gegeven gevolg.

De raad van advies wordt gevraagd om te adviseren over conceptregelgeving, conform artikel 32a, tweede lid, van de Advocatenwet. Het eerste lid van artikel 2.2 bevat een uitbreiding van die adviestaak ten opzichte van de wettelijke taak.

De raad van advies adviseert over de maatschappelijke positionering van de orde als publiekrechtelijk beroepsorganisatie. Hij betrekt daarbij de volgende invalshoeken: de orde als institutie, de positionering ten behoeve van de advocatuur in zijn geheel en de positionering ten behoeve van de individuele advocaat. De raad van advies kan zo een bijdrage leveren aan de maatschappelijke functie en het functioneren van de beroepsorganisatie.

Daarnaast bevat het eerste lid een adviestaak voor de raad van advies betreffende de hoofdpunten van het beleid. De algemene raad legt deze hoofdpunten van het beleid voor aan de raad van advies. Deze hoofdpunten worden op dit moment vastgelegd in een jaarplan voor het komend begrotingsjaar. Het is bepalend voor de weg die orde wil inslaan. De naam van dit document en de tijdshorizon ervan kunnen veranderen. De algemene raad kan ook op andere wijze om advies vragen over de hoofdpunten van beleid. Te denken valt dan aan advisering op basis van een projectplan, een expliciet ten behoeve van het advies opgestelde notitie of een rapport. Het document dat aan de raad van advies wordt voorgelegd kan vergezeld gaan van een begroting.

Ieder advies, uitgebracht door de raad van advies, is op grond van artikel 32a, derde lid, van de Advocatenwet openbaar. Het tweede lid draagt aan de algemene raad op ook de adviesaanvraag en het aan het advies gegeven gevolg openbaar te maken. Het wordt aan de algemene raad overgelaten op welke wijze openbaarmaking plaatsvindt. In de praktijk geschiedt dit door plaatsing op de website van de Nederlandse orde van advocaten en door opneming in het jaarverslag van de NOvA en van de raad van advies. 

Artikel 2.3 Benoeming leden raad van advies
  1. Op voordracht van de algemene raad benoemt het college van afgevaardigden de leden van de raad van advies voor een periode van ten hoogste vier jaar.
  2. Een lid kan eenmaal worden herbenoemd.

Het tweede lid houdt in dat na een eerste termijn van ten hoogste vier jaar aansluitend een herbenoeming voor ten hoogste vier jaar mogelijk is. Dit waarborgt dat regelmatig nieuwe leden worden benoemd. Het artikel sluit niet uit dat iemand verschillende keren wordt benoemd; wel volgt uit het artikel dat de maximale onafgebroken zittingsduur acht jaar bedraagt. 

Artikel 2.4 Werkwijze raad van advies
  1. De algemene raad wijst uit de leden een voorzitter aan.
  2. De raad van advies stelt zijn eigen werkwijze vast.

De algemene raad kiest uit de leden van de raad van advies een voorzitter. De aanwijzing als voorzitter kan los staan van de benoeming als lid en kan dus op een later moment aanvangen. Het voorzitterschap eindigt als de benoemingstermijn verstrijkt en geen herbenoeming plaatsvindt of herbenoeming niet meer mogelijk is.

De raad van advies kan de eigen werkwijze vaststellen binnen de kaders gesteld in de Advocatenwet en deze verordening. Onder werkwijze wordt onder meer verstaan de vergaderorde, hoe en hoe vaak de vergadering bijeengeroepen wordt en de wijze van totstandkoming van de adviezen.

Dit past bij de gedachte dat de raad van advies autonoom is. Hij kan deze werkwijze desgewenst in een reglement opnemen.

Paragraaf 2.1.2 Dekenberaad

Het dekenberaad is een overlegorgaan waarin alle dekens overleg plegen over de wijze waarop zij hun taken en bevoegdheden uitoefenen. Dekens nemen deel aan dit overleg enerzijds als toezichthouder en klachtbehandelaar en anderzijds als voorzitter van de raad van de orde in hun arrondissement. Het dekenberaad draagt in belangrijke mate bij aan effectieve, efficiënte en doelmatige toezichtuitoefening en klachtbehandeling door overleg tussen de dekens te faciliteren. Het dekenberaad draagt tevens bij aan een goede afstemming en harmonisering van de uitvoering van de taken van de raden van de orde. Het dekenberaad wordt ondersteund door medewerkers van het bureau van de Nederlandse orde van advocaten (artikel 2.25).

Artikel 2.5 Leden dekenberaad
  1. Er is een dekenberaad dat uit de dekens van de orden in de arrondissementen bestaat.
  2. De deken en secretaris van de algemene raad nemen deel aan het overleg van het dekenberaad, tenzij het dekenberaad anders beslist.

Het dekenberaad bestaat uit de dekens van de orden in de arrondissementen (11 in totaal).

Gelet op het goed functioneren van de Nederlandse orde van advocaten is het nuttig dat de algemeen deken en de algemeen secretaris deelnemen en bijdragen aan de informatie-uitwisseling van het dekenberaad. Ze nemen in principe deel aan het overleg van het dekenberaad. Het dekenberaad kan beslissen dat beiden of een van beide niet kunnen deelnemen aan een onderdeel van het overleg.  Een deken die verhinderd is kan zich laten vervangen door zijn plaatsvervanger.

Artikel 2.6 Werkzaamheden dekenberaad

De werkzaamheden van het dekenberaad zijn:

  1. het uitwisselen van informatie en kennis met betrekking tot toezicht en klachtbehandeling;
  2. het signaleren en bespreken van ontwikkelingen op het gebied van toezicht en klachtbehandeling;
  3. het verzamelen van informatie met betrekking tot toezicht en klachtbehandeling ten behoeve van de verslaglegging, bedoeld in artikel 2.24; en
  4. het uitwisselen van informatie en kennis ter bevordering van een uniforme uitvoering van bij of krachtens de Advocatenwet aan de dekens en de raden van de orde opgedragen taken.

Het dekenberaad kan alle onderwerpen die de taken van dekens aangaan, agenderen en bespreken. Het dekenberaad is bij uitstek geschikt om concrete casuïstiek te bespreken en inzichten op collegiale wijze te delen. Het uitwisselen van opgedane kennis en ervaringen, alsmede het bespreken van opkomende ontwikkelingen, dragen bij aan een slagvaardiger, efficiënter en proactiever toezicht. Dit kan leiden tot informele aanbevelingen, bijvoorbeeld in de vorm van best practices. In het dekenberaad kan ook kennis en informatie worden uitgewisseld over alle onderwerpen die de raden van de orde aangaan. Deze uitwisseling is nuttig en noodzakelijk met het oog op een effectievere en meer geharmoniseerde taakuitoefening. 

Artikel 2.7 Werkwijze dekenberaad
  1. Het dekenberaad kiest uit zijn leden een voorzitter.
  2. Het dekenberaad stelt zijn eigen werkwijze vast.

Het dekenberaad kan een van de leden kiezen als voorzitter. Het kan daarnaast het technisch voorzitterschap van de vergadering bij een andere persoon beleggen dan de gekozen voorzitter. Het dekenberaad kan de taken van de voorzitter en de technisch voorzitter desgewenst vastleggen in een huishoudelijk reglement. Het dekenberaad stelt zijn eigen werkwijze vast en bepaalt onder meer welke onderwerpen besproken worden en hoe vaak, waar en wanneer men met elkaar overlegt.

Paragraaf 2.1.3 Commissie cassatie

Artikel 9j, derde lid van de Advocatenwet draagt het college van afgevaardigden op bij verordening regels te stellen over het verkrijgen, het behoud en het verlies van de hoedanigheid van advocaat bij de Hoge Raad, alsmede de aantekening op het tableau. Met het stellen van vakbekwaamheidseisen die op de cassatiepraktijk toegesneden zijn, wordt beoogd dat bij beroepen in cassatie deugdelijke schriftelijke stukken worden ingediend. Deze vakbekwaamheidseisen zijn opgenomen in afdeling 4.2 van deze verordening; deze gelden naast de vakbekwaamheidseisen die zijn opgenomen in afdeling 4.1 en die aan iedere advocaat worden gesteld. Paragraaf 2.1.3 regelt de instelling en taken van de commissie cassatie. De instelling van de commissie berust op artikel 9j, vijfde lid, van de Advocatenwet. Dat artikellid bepaalt dat de algemene raad zorg draagt voor de uitvoering van de aangelegenheden, bedoeld in het derde lid van artikel 9j van de Advocatenwet. De algemene raad kan mandaat en machtiging verlenen aan de commissie dan wel enkele leden daarvan voor het nemen van beschikkingen onderscheidenlijk het  uitoefenen van de hierboven bedoelde taken. De commissie cassatie verricht deze bevoegdheden en handelingen uit namens de algemene raad. De algemene raad faciliteert op grond van artikel 2.25 de commissie met een secretariaat. De leden en het secretariaat van de commissie civiele cassatie zijn ingevolge artikel 2:5 van de Awb tot geheimhouding verplicht ten aanzien van vertrouwelijke gegevens die hun in die functie ter kennis komen. De commissie cassatie brengt jaarlijks aan de algemene raad een verslag uit over haar werkzaamheden. De algemene raad neemt op zijn beurt de cijfers op in het jaarverslag van de Nederlandse orde van advocaten.

Artikel 2.8 Leden van de commissie cassatie
  1. Er is een commissie cassatie die bestaat uit ten minste vijf leden die deskundig zijn op het terrein van cassatie in burgerlijke zaken.
  2. Een lid van de commissie cassatie is geen lid van of niet werkzaam bij:
    1. de Hoge Raad
    2. het parket bij de Hoge Raad;
    3. een orgaan van de Nederlandse orde van advocaten;
    4. een orgaan van de orde van advocaten in een arrondissement, uitgezonderd de jaarlijkse vergadering van de orde, bedoeld in artikel 17a, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Advocatenwet;
    5. de raden van discipline; of
    6. het hof van discipline.

De leden van de commissie cassatie moeten op het terrein van de civiele cassatie deskundig zijn. Hierbij kan worden gedacht aan oud-raadsheren in de Hoge Raad dan wel oud-leden van het parket bij de Hoge Raad, (voormalige) civiele cassatieadvocaten, (emeritus) hoogleraren burgerlijk (proces)recht, en voormalige medewerkers van het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad. Zittende leden van de Hoge Raad en van het parket komen niet in aanmerking. Hun betrokkenheid bij de commissie zou hun onafhankelijke positie ten opzichte van de advocaat bij de Hoge Raad in het geding kunnen brengen, alsook de onafhankelijkheid van de cassatieadvocatuur als geheel. Er is geen maximum aan het aantal leden gesteld, gelet op de omvang van het takenpakket en de op grond daarvan te verwachten werkbelasting van de commissie.

Artikel 2.9 Taakomschrijving commissie cassatie

Een door de algemene raad te bepalen aantal leden van de commissie cassatie heeft tot taak namens de algemene raad het mondeling examen, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, onderdeel b, af te nemen van advocaten die de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ wensen te verkrijgen en de proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, af te nemen van advocaten bij de Hoge Raad.

De algemene raad bepaalt het aantal leden van de commissie cassatie dat namens de algemene raad het mondeling examen en de proeve van bekwaamheid afneemt.

Het met goed gevolg afleggen van het mondeling examen is één van de eisen om de voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken te verkrijgen. Het met goed gevolg afleggen van de proeve van bekwaamheid is één van de eisen om de onvoorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken te verkrijgen.

Dit artikel laat onverlet dat de algemene raad ten aanzien van andere in afdeling 4.2 van de verordening geregelde bevoegdheden inzake de (on)voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken machtiging of mandaat kan verlenen aan leden van de commissie cassatie.

Artikel 2.10 Benoeming leden commissie cassatie
  1. De algemene raad benoemt de leden van de commissie cassatie voor een periode van ten hoogste vier jaar.
  2. Een lid kan eenmaal worden herbenoemd.
Artikel 2.11 Werkwijze commissie cassatie
  1. De algemene raad wijst uit de leden een voorzitter aan.
  2. De commissie cassatie stelt haar werkwijze vast in overleg met de algemene raad.

De algemene raad kiest uit de leden van de commissie cassatie een voorzitter. De aanwijzing als voorzitter kan los staan van de benoeming als lid en kan dus op een later moment aanvangen. Het voorzitterschap eindigt als de benoemingstermijn verstrijkt en geen herbenoeming plaatsvindt of herbenoeming niet meer mogelijk is. De commissie cassatie kan, binnen de kaders gesteld in de Advocatenwet en deze verordening, en in overleg met de algemene raad haar werkwijze vaststellen. Onder werkwijze wordt onder meer verstaan de vergaderorde en hoe en hoe vaak de vergadering bijeengeroepen wordt. Tevens kan de commissie, waar daar behoefte aan is, afspraken maken over de wijze van beoordelen, binnen de kaders die daarvoor in deze verordening en het mandaatbesluit van de algemene raad zijn gegeven. Het overleg met de algemene raad over de werkwijze beoogt de bijeenkomsten en af te nemen examens en proeven van bekwaamheid af te stemmen op de reële behoefte eraan. Tevens kan op die manier een goede invulling gegeven worden aan het mandaat dat de algemene raad geeft. 

Paragraaf 2.1.4 Nederlandse delegatie, commissies en werkgroepen CCBE

De Nederlandse delegatie bij de CCBE bestaat uit twee leden van de algemene raad, waaronder de algemeen deken, de information officer, een medewerker van het bureau van de Nederlandse orde van advocaten en een vierde lid. De delegatie heeft tot taak de Nederlandse orde van advocaten te vertegenwoordigen bij de standing committee en de plenaire vergadering van de CCBE. Daarnaast kan de CCBE commissies en werkgroepen in het leven roepen. Het is mogelijk dat de CCBE de algemene raad verzoekt te participeren in een dergelijke commissie of werkgroep. De algemene raad kan één of meerdere personen aanwijzen om de Nederlandse orde van advocaten te vertegenwoordigen in de betreffende commissie of werkgroep. Zij dienen hun werkzaamheden echter via de information officer af te stemmen met de algemene raad en daarover verslag te doen.

Artikel 2.12 Leden delegatie, commissies en werkgroepen CCBE
  1. Er is een Nederlandse delegatie bij de CCBE die bestaat uit ten minste drie leden, waaronder de algemeen secretaris, een medewerker van het bureau van de Nederlandse orde van advocaten die als information officer optreedt en een lid van de algemene raad.
  2. Artikel 2.14, eerste tot en met het vierde lid, is niet van toepassing op de algemeen secretaris en de medewerker van het bureau van de Nederlandse orde van advocaten die als information officer optreedt.
  3. De algemene raad wijst het hoofd van de delegatie aan.
  4. De algemene raad kan één of meer vertegenwoordigers namens de Nederlandse orde van advocaten laten deelnemen in door de CCBE ingestelde commissies of werkgroepen.

De delegatie bij de CCBE bestaat uit ten minste drie leden, waaronder in ieder geval een lid van de algemene raad. Het is aan de algemene raad om uiteindelijk te bepalen hoe groot de delegatie is en wie lid, naast het lid van de algemene raad, zijn van de delegatie. Op grond van het tweede lid wijst de algemene raad in ieder geval de algemeen secretaris en de medewerker bij de NOvA die als information officer optreedt, aan als lid van de delegatie. Zij worden dus niet benoemd en behoeven dus ook niet te worden herbenoemd, artikel 2.14 van de Voda is niet van toepassing. Hiermee beoogt de algemene raad de continuïteit van de delegatie te waarborgen en tegelijkertijd meer flexibiliteit te creëren.

Artikel 2.13 Taakomschrijving delegatie, commissies en werkgroepen CCBE
  1. De delegatie bij de CCBE heeft tot taak het vertegenwoordigen van de Nederlandse orde van advocaten bij de standing committee en de plenaire vergadering van de CCBE.
  2. De Nederlandse vertegenwoordiging in commissies en werkgroepen van de CCBE heeft tot taak, na afstemming met de algemene raad:
    1. het vertegenwoordigen van de Nederlandse orde van advocaten;
    2. het geven van advies aan de algemene raad over Europese wet- en regelgeving en beleidsvraagstukken die van belang zijn voor de advocatuur en de rechtzoekende in het algemeen. 
Artikel 2.14 Benoeming delegatie, commissieleden en werkgroepleden CCBE
  1. De algemene raad benoemt de leden van de delegatie voor een periode van ten hoogste vier jaar.
  2. De algemene raad benoemt, op verzoek van de CCBE, de Nederlandse vertegenwoordigers in commissies en werkgroepen van de CCBE voor een periode van ten hoogste vier jaar.
  3. Een lid van de delegatie, commissie of werkgroep kan eenmaal worden herbenoemd.
  4. Het lidmaatschap van de delegatie, een commissie of werkgroep eindigt van rechtswege bij beëindiging van het lidmaatschap van de algemene raad.
  5. Het lidmaatschap van een commissie of werkgroep eindigt van rechtswege bij opheffing van de commissie of werkgroep.
Artikel 2.15 Werkwijze delegatie, commissie en werkgroep CCBE
  1. De Nederlandse vertegenwoordiging in een commissie of werkgroep doet na deelname aan een vergadering verslag aan de delegatie en de algemene raad.
  2. De informatie-uitwisseling vindt plaats via de information officer, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid.

Paragraaf 2.1.5 Adviescommissie regelgeving

De raad van advies heeft per 1 januari 2015 de wettelijke taak gekregen te adviseren over voorstellen voor verordeningen (artikel 32a Advocatenwet). De adviescommissie regelgeving bestaat al veel langer en is destijds ingesteld om te adviseren over verordeningen en andere regelgeving van de Nederlandse orde, dus voordat de raad van advies deze taak kreeg. Gelet op de wettelijke taak van de raad van advies ligt het voor de hand dat de taak van de adviescommissie regelgeving nader wordt gespecificeerd.

Juridisch bestaan er geen belemmeringen voor advisering door twee aparte instanties. Toch geeft het meerwaarde om ervoor te zorgen dat de invalshoek van beide instanties complementair is.

Deze verordening legt het zwaartepunt van de advisering door de adviescommissie regelgeving bij de juridische kwaliteit en de gevolgen voor de praktijk van advocaten van de concept-regelgeving. De raad van advies is in zijn taakuitoefening niet beperkt door het geen in deze verordening of toelichting is opgenomen. Gelet op de samenstelling van de raad van advies is desalniettemin de verwachting dat de raad van advies in zijn advisering een maatschappelijke en niet-juridisch-technische invalshoek zal kiezen.

De adviescommissie is onafhankelijk in haar advisering. Daarom is afdeling 3.3 van de Awb op de adviescommissie regelgeving van toepassing. De adviezen hebben immers betrekking op besluiten van de algemene raad respectievelijk het college van afgevaardigden.

Door de toepasselijkheid van afdeling 3.3 van de Awb zijn er ook andere artikelen van deze wet van toepassing. Zo is de vertrouwelijkheid van de stukken geregeld in artikel 2:5, en is in artikel 3:43, eerste lid, geregeld dat een adviseur in kennis wordt gesteld van het besluit als het advies niet is opgevolgd. In de toelichting op dat besluit zal ook moeten worden opgenomen waarom afgeweken wordt van het advies. Dit volgt uit artikel 3:50 van de Awb.

Artikel 2.16 Leden adviescommissie regelgeving
  1. Er is een adviescommissie regelgeving die uit vier tot acht leden bestaat, waarvan de meerderheid, waaronder de voorzitter, advocaat is.
  2. Een lid van de adviescommissie regelgeving is geen lid van of werkzaam bij:
    1. het college van afgevaardigden,
    2. de algemene raad,
    3. een raad van de orde in een arrondissement,
    4. een raad van discipline, of
    5. het hof van discipline. 

De leden van de adviescommissie regelgeving worden door de algemene raad benoemd. De algemene raad kan er op die wijze voor zorgen dat binnen de commissie expertise en ervaring op wenselijk geachte vakgebieden aanwezig is. Het tweede lid van artikel 2.16 regelt de incompatibiliteiten van de adviescommissie regelgeving. Op die wijze wordt elke schijn van vooringenomenheid over de toepassing van regelgeving vermeden.

Wel kunnen naast advocaten andere experts met specifieke kennis over juridische- en wetgevingskwaliteit in de adviescommissie regelgeving opgenomen worden. Evenwel dient de meerderheid van de commissie, evenals de voorzitter, advocaat te zijn om voldoende voeling met de advocatuurlijke praktijk te borgen, en de advocaat de normadressaat is.

Artikel 2.17 Taakomschrijving adviescommissie regelgeving
  1. De adviescommissieregelgeving heeft tot taak de algemene raad gevraagd te adviseren over voorstellen van regelgeving van de Nederlandse orde van advocaten ten aanzien van de juridische en wetgevingskwaliteit van voorgenomen regelgeving van de Nederlandse orde van advocaten.
  2. De algemene raad bericht de adviescommissie tot welk gevolg het advies heeft geleid en zendt het advies mee met conceptregelgeving aan het college van afgevaardigden.
  3. Een lid van de algemene raad kan de vergaderingen van de commissie bijwonen.

In het tweede lid van dit artikel is opgenomen dat de algemene raad de commissie informeert over zijn besluiten waarover geadviseerd is. Daarmee dus ook in de gevallen waarin de Awb niet tot bekendmaking aan de commissie zou verplichten, zoals gevallen waarin het advies onverkort gevolgd is.

Een lid van de algemene raad kan de vergaderingen bijwonen en regelgevingsvoorstellen nader toelichten. De advisering door de adviescommissie kan daardoor aan relevantie winnen. 

In de taak van de adviescommissie regelgeving is expliciet de toetsing van de kwaliteit van de voorgenomen regelgeving en van de daarbij gehanteerde wetgevingstechniek opgenomen.

Artikel 2.18 Benoeming leden adviescommissie regelgeving
  1. De algemene raad benoemt de leden van de adviescommissie regelgeving voor een periode van ten hoogste vier jaar.
  2. Een lid kan eenmaal worden herbenoemd.
Artikel 2.19 Werkwijze adviescommissie regelgeving
  1. De algemene raad wijst uit de leden een voorzitter aan.
  2. De adviescommissie regelgeving stelt haar werkwijze vast in overleg met de algemene raad.

De algemene raad wijst uit de leden van de adviescommissie regelgeving een voorzitter aan. De aanwijzing als voorzitter kan los staan van de benoeming als lid en kan dus op een later moment aanvangen. Het voorzitterschap eindigt als de benoemingstermijn verstrijkt en geen herbenoeming plaatsvindt of herbenoeming niet meer mogelijk is.

De adviescommissie regelgeving kan haar werkwijze vaststellen, in overleg met de algemene raad. Onder werkwijze wordt onder meer verstaan de vergaderorde, hoe en hoe vaak de vergadering bijeengeroepen wordt en de wijze van totstandkoming van de adviezen. De algemene raad kan in het overleg over de werkwijze ingaan op de planning en de te verwachten regelgevingsconcepten. Tevens houdt de algemene raad de afstemming met de advisering door de raad van advies in het oog. De inhoud van het advies valt niet onder de werkwijze en komt onafhankelijk tot stand. 

Paragraaf 2.1.5a Adviescommissie beroepsopleiding advocaten

Artikel 2.19a Leden adviescommissie beroepsopleiding advocaten
  1. Er is een adviescommissie beroepsopleiding advocaten.
  2. Een lid van de adviescommissie beroepsopleiding advocaten is geen lid van of werkzaam bij een orgaan van de Nederlandse orde van advocaten of een orgaan van de orde van advocaten.
Artikel 2.19b Taakomschrijving adviescommissie beroepsopleiding advocaten

De adviescommissie beroepsopleiding advocaten heeft tot taak de algemene raad gevraagd en ongevraagd te adviseren over:

  1. de kwaliteit en de uitvoering van de beroepsopleiding advocaten;
  2. de beroepsopleiding advocaten, waaronder in ieder geval de eindtermen.

De adviescommissie advocaten heeft als taak de algemene raad te adviseren over de kwaliteit en de uitvoering van de beroepsopleiding advocaten, alsmede gevraagd en ongevraagd te adviseren over de beroepsopleiding advocaten zelf.

De adviescommissie beroepsopleiding advocaten krijgt een brede samenstelling uit de advocatuur, het onderwijs en de rechterlijke macht en adviseert vanuit een onafhankelijke positie over met name het curriculum en de toekomstbestendigheid en kwaliteit van de beroepsopleiding. Artikel 2.19c, tweede lid, schrijft voor vanuit welke disciplines in ieder geval personen dienen te worden benoemd. Vanuit elke aanbieder (uitvoeringsorganisatie dan wel geaccrediteerde opleidingsinstelling) is ten minste één persoon vertegenwoordigd.

De adviescommissie beroepsopleiding advocaten stelt haar werkwijze vast in overleg met de algemene raad. Onder werkwijze wordt onder meer verstaan de vergaderorde, hoe en hoe vaak de vergadering bijeengeroepen wordt en de wijze van totstandkoming van de adviezen. Hieronder wordt ook verstaan de mogelijkheid om in kleiner verband over specifieke deelonderwerpen adviezen voor te bereiden. De nadere invulling van de taak van de adviescommissie valt niet onder de werkwijze en vindt dan ook niet plaats in overleg met de algemene raad.

Op basis van artikel 2.25, eerste lid, onder d wordt bewerkstelligd dat de (nieuwe) adviescommissie beroepsopleiding advocaten wordt voorzien van een secretariaat.

De leden van de (nieuwe) adviescommissie beroepsopleiding advocaten ontvangen vacatiegeld en reiskostenvergoeding (artikel 2.31).

Artikel 2.19c Benoeming leden adviescommissie beroepsopleiding advocaten
  1. De algemene raad benoemt de leden van de adviescommissie beroepsopleiding advocaten voor een periode van ten hoogste vier jaar.
  2. Bij de benoeming draagt de algemene raad er zorg voor dat in ieder geval:
    1. ten minste drie leden advocaat zijn;
    2. ten minste drie leden afkomstig zijn uit het wetenschappelijk onderwijs;
    3. één lid afkomstig is per organisatie, bedoeld in de artikelen 3.24 en 3.25;
    4. ten minste twee leden uit de rechterlijke macht.
  3. Een lid kan eenmaal worden herbenoemd.
Artikel 2.19d Werkwijze adviescommissie beroepsopleiding advocaten
  1. De algemene raad wijst uit de leden een voorzitter aan.
  2. De adviescommissie beroepsopleiding advocaten stelt haar werkwijze vast in overleg met de algemene raad.

Paragraaf 2.1.6 Overige adviescommissies

Naast de commissie civiele cassatie en de adviescommissie regelgeving kan de algemene raad andere adviescommissies instellen. Deze overige adviescommissies adviseren de algemene raad over beleidsvraagstukken en wetsvoorstellen op een specifiek juridisch terrein. De adviezen zien in de regel niet op de regelgeving afkomstig van de Nederlandse orde van advocaten maar op regelgeving van de centrale overheid, die raakt aan de praktijkuitoefening van de advocaten.

Met de adviezen is de algemene raad in staat om belanghebbenden, zoals de diverse ministeries, te informeren over de gevolgen van regelgevingsvoorstellen voor de advocatuur, rechtzoekenden en de rechtspleging.

De adviescommissies zijn adviseur in de zin van artikel 3:5 van de Awb indien ze adviseren over voorgenomen besluiten van de algemene raad. 

De in paragraaf 2.1.6 van de verordening bedoelde adviescommissies dienen te worden onderscheiden van commissies en werkgroepen die de algemene raad op grond van het Bestuursreglement algemene raad kan instellen. Dergelijke commissie en werkgroepen dienen ter voorbereiding van besluitvorming door de algemene raad en/of ter advisering aan de algemene raad over aangelegenheden die verband houden met de taken van de Nederlandse orde van advocaten. Advisering door een dergelijke commissie of werkgroep is vertrouwelijk, tenzij en voor zover de algemene raad besluit tot openbaarmaking of bij of krachtens wettelijk voorschrift openbaarmaking verplicht is (artikel 7, derde lid, van het Bestuursreglement algemene raad).

Artikel 2.20 Leden overige adviescommissies

De algemene raad kan voor een rechtsgebied of beleidsterrein een adviescommissie instellen die uit ten minste drie leden bestaat.

De algemene raad kan besluiten een adviescommissie in te stellen. Een dergelijk instellingsbesluit is een besluit in de zin van de Awb. Spiegelbeeldig daaraan kan de algemene raad ook besluiten een eerder ingestelde commissie op te heffen bijvoorbeeld als er aan het functioneren van de commissie geen behoefte meer bestaat. Het instellingsbesluit kan bepalen dat een adviescommissie voor bepaalde tijd of een concrete taak is ingesteld.

De algemene raad kan ook een commissie instellen in samenwerking met andere, externe organisaties, waarin niet-advocaten (mede) zitting hebben. De algemene raad kan een deel van de leden door deze andere organisaties laten benoemen. 

Artikel 2.21 Taakomschrijving overige adviescommissies

Een adviescommissie heeft tot taak de algemene raad gevraagd of ongevraagd te adviseren over voorstellen voor wet- en regelgeving of beleidsvraagstukken die van belang zijn voor de advocatuur en de rechtzoekende in het algemeen.

De adviescommissies krijgen bij hun instelling de opdracht te adviseren over het specifieke beleidsterrein waarin zij zijn geverseerd. 

Artikel 2.22 Benoeming leden overige adviescommissies
  1. De algemene raad benoemt de leden voor een periode van ten hoogste vier jaar.
  2. Een lid kan tweemaal worden herbenoemd.

De leden van de adviescommissies worden door de algemene raad benoemd.

De benoeming is voor een periode van ten hoogste vier jaar, en de leden kunnen tweemaal worden herbenoemd. Om vernieuwing te bewerkstelligen, is het in de ogen van de algemene raad noodzakelijk om het aantal benoemingstermijnen te maximeren. Na ten hoogste twaalf jaar wordt daarom een lid van een adviescommissie vervangen. De algemene raad kan besluiten een lid niet opnieuw te herbenoemen. Hij kan de ontstane vacature vervullen door benoeming van een nieuw lid. 

Artikel 2.23 Werkwijze overige adviescommissies
  1. De adviescommissie kiest uit de leden een voorzitter.
  2. De adviescommissie stelt haar werkwijze vast in overleg met de algemene raad.

De leden van een adviescommissie kiezen zelf uit hun midden een voorzitter. De voorzitter is tevens lid van de adviescommissie. De verkiezing als voorzitter kan los staan van de benoeming als lid en kan dus op een later moment aanvangen. Het voorzitterschap eindigt als de benoemingstermijn verstrijkt en geen herbenoeming plaatsvindt of herbenoeming niet meer mogelijk is, of indien de leden een andere voorzitter kiezen.

Een adviescommissie kan haar eigen werkwijze vaststellen, in overleg met de algemene raad. Onder werkwijze wordt onder meer verstaan de vergaderorde, hoe en hoe vaak de vergadering bijeengeroepen wordt en de wijze van totstandkoming van de adviezen. De algemene raad wil het overleg over de werkwijze voeren met het oog op de bruikbaarheid van de adviezen. Bij het vaststellen van de werkwijze neemt een adviescommissie het instellingsbesluit en deze verordening in acht.

Paragraaf 2.1.6a Commissie disciplinaire rechtspraak

De commissie disciplinaire rechtspraak leest tuchtrechtelijke beslissingen en onderzoekt welke beslissingen zich ervoor lenen om onder de aandacht te brengen van advocaten en derden. Deze tuchtrechtelijke beslissingen kunnen, indien nuttig en van belang, worden geannoteerd. De publicatie vindt plaats in het Advocatenblad.

Artikel 2.23a Leden commissie disciplinaire rechtspraak
  1. Er is een commissie disciplinaire rechtspraak die uit drie tot zes personen bestaat, waarvan de meerderheid advocaat is.
  2. Een lid van de commissie disciplinaire rechtspraak is geen lid of niet werkzaam bij:
    1. de algemene raad,
    2. een raad van de orde in een arrondissement,
    3. een raad van discipline, of
    4. het hof van discipline.

Artikelen 2.23a, 2.23b en 2.23c
Naast advocaten kunnen ook andere experts in het tuchtrecht in de commissie opgenomen worden. Evenwel dient de meerderheid advocaat te zijn om voldoende voeling met de advocatuurlijke praktijk te borgen. Het tweede lid van artikel 2.23a regelt de incompatibiliteiten van de commissie disciplinaire rechtspraak. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de regeling zoals opgenomen artikel 32a, vierde lid van de Advocatenwet en artikel 2.28 van de Voda. Ten aanzien van de uitsluiting van een lid van de raad van de orde in een arrondissement geldt de overweging dat in geval van klachtbehandeling de deken kan worden vervangen door een ander lid van de raad van de orde (artikel 46c, vierde lid, van de Advocatenwet). Het wordt niet wenselijk geacht dat leden van een raad van de orde die zich bezighouden met dekenale klachtafhandeling lid zijn van deze commissie.

Met artikel 2.23b wordt beoogd sneller de voor de advocatuur en anderen (bijvoorbeeld tuchtcolleges) relevante tuchtrechtelijke beslissingen te kunnen delen en duiden, zonder dat daarbij een specifiek medium aangegeven wordt. Relevante tuchtrechtelijke uitspraken kunnen via meerdere media onder de aandacht van advocaten worden gebracht, bijvoorbeeld via de website van de NOvA, de nieuwsbrief Tuchtrechtupdates of in het Advocatenblad.

Leden van de commissie disciplinaire rechtspraak kunnen, gelijk aan leden van de overige adviescommissies, tweemaal worden herbenoemd.

Artikel 2.23b Taakomschrijving commissie disciplinaire rechtspraak

De commissie disciplinaire rechtspraak heeft tot taak tuchtrechtelijke beslissingen te selecteren en te annoteren voor publicatie.

Artikel 2.23c Benoeming leden commissie disciplinaire rechtspraak
  1. De algemene raad benoemt de leden van de commissie disciplinaire rechtspraak voor een periode van ten hoogste vier jaar.
  2. Een lid kan tweemaal worden herbenoemd.
Artikel 2.23d Werkwijze commissie disciplinaire rechtspraak
  1. De algemene raad wijst uit de leden een voorzitter aan.
  2. De commissie disciplinaire rechtspraak stelt haar werkwijze vast in overleg met de algemene raad.

Paragraaf 2.1.7 Verslag en ondersteuning

Artikel 2.24 Verslag van werkzaamheden
  1. De raad van advies brengt jaarlijks verslag uit van zijn werkzaamheden aan de algemene raad, die dit ter kennis brengt van het college van afgevaardigden.
  2. Het dekenberaad brengt jaarlijks verslag uit van zijn werkzaamheden aan het college van afgevaardigden en het college van toezicht.
  3. De verslagen zijn openbaar en de algemene raad publiceert deze elektronisch.

De raad van advies brengt een verslag van werkzaamheden uit. De algemene raad zendt dit verslag van werkzaamheden aan het college van afgevaardigden. Tevens maakt de algemene raad het verslag van werkzaamheden openbaar door publicatie op de website.

Het verslag van werkzaamheden van het dekenberaad bevat waardevolle informatie betreffende het toezicht door de dekens. Het dekenberaad beschrijft zijn werkzaamheden mede ten behoeve van het regelgevende orgaan van de orde, te weten het college van afgevaardigden (tweede lid). De informatie uit het verslag van werkzaamheden kan voor het college van afgevaardigden aanleiding zijn om de regelgeving aan te passen.

Het openbare verslag van werkzaamheden van het dekenberaad bevat voor het college van toezicht waardevolle informatie. Uit het oogpunt van efficiëntie wordt het daarom rechtstreeks aan dat college gezonden.

Genoemde verslagen maakt de algemene raad openbaar door publicatie op de website van de Nederlandse orde van advocaten (derde lid). 

Artikel 2.25 Secretariaat commissies
  1. De algemene raad voorziet in het secretariaat van:
    1. het dekenberaad;
    2. de commissie cassatie;
    3. de adviescommissie regelgeving;
    4. de adviescommissie beroepsopleiding advocaten.
  2. De algemene raad kan voorzien in het secretariaat van de raad van advies en de overige adviescommissies, bedoeld in artikel 2.20.
     

In dit artikel is bepaald dat de algemene raad voorziet in de ondersteuning van het dekenberaad, de commissie cassatie, de adviescommissie regelgeving en de adviescommissie beroepsopleiding advocaten. De algemene raad kan de raad van advies en de overige adviescommissies ondersteunen als dat naar het oordeel van de algemene raad dienstig is.

Afdeling 2.2 Inkomsten en uitgaven

In deze afdeling zijn de inkomsten en de uitgaven van de Nederlandse orde van advocaten opgenomen.

Paragraaf 2.2.1 Bijdragen aan de Nederlandse orde van advocaten

Op grond van artikel 32 van de Advocatenwet stelt het college van afgevaardigden jaarlijks het bedrag vast dat advocaten moeten bijdragen ter dekking van de door de orde te maken kosten. In deze paragraaf wordt geregeld op welke wijze de hoogte van de bijdrage wordt bepaald en op welk tijdstip de advocaat de financiële bijdrage is verschuldigd. Deze paragraaf heeft artikel 28 van de Advocatenwet als grondslag.

De algemene raad is belast met de facturering van de hoofdelijke omslag. . Omdat de algemene raad een bestuursorgaan in de zin van de Awb is en de verschuldigdheid van de financiële bijdrage uit een wettelijk voorschrift voortvloeit, is op de verplichting tot betaling titel 4.4. van de Awb (geldschulden) van toepassing. 

Artikel 2.26 Verschuldigdheid financiële bijdrage
  1. De advocaat die op 1 januari van enig jaar op het tableau staat ingeschreven, is voor dat jaar de financiële bijdrage ten volle verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.
  2. De advocaat die in het eerste kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar de financiële bijdrage ten volle verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.
  3. De advocaat die in het tweede kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar 75% van de financiële bijdrage verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.
  4. De advocaat die in het derde kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar 50% van de financiële bijdrage verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.
  5. De advocaat die in het vierde kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar 25% van de financiële bijdrage verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.
  6. Aan de advocaat wordt in een kalenderjaar in totaal niet meer dan de eerst verschuldigde financiële bijdrage van het betreffende kalenderjaar in rekening gebracht.
  7. Met inachtneming van artikel 2.27, tweede lid, aanhef en onderdeel b, brengt de algemene raad de financiële bijdrage, bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, bij de advocaat in rekening.
  8. Met inachtneming van artikel 32, eerste en tweede lid, van de Advocatenwet brengt de raad van de orde de financiële bijdrage, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet bij de advocaat in rekening. 

Op grond van artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet stelt het college van afgevaardigden de financiële bijdrage vast ter dekking van de kosten van de NOvA. 

In artikel 2.26, eerste lid, is geregeld dat de advocaat de financiële bijdrage is verschuldigd per 1 januari van het kalenderjaar. De advocaat die op 1 januari van enig jaar op het tableau staat ingeschreven, is voor dat jaar het volledige bedrag van de financiële bijdrage verschuldigd. Deze bijdrage kan op grond van artikel 2.27 van de Voda verschillen al naar gelang de hoogte van het bruto-inkomen uit arbeid van de advocaat in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de financiële bijdrage is verschuldigd dan wel de duur of voorwaardelijkheid van de inschrijving op 1 januari van de advocaat op het tableau.

Het is aan het college van afgevaardigden om op voordracht van de algemene raad de hoogte van de financiële bijdrage te bepalen.

Er volgt geen teruggave indien de advocaat gedurende het jaar wordt geschrapt van het tableau, respectievelijk zijn inschrijving op eigen verzoek wordt doorgehaald. Indien de advocaat bijvoorbeeld in februari wordt geschrapt, is die advocaat de financiële bijdrage ten volle voor het lopende kalenderjaar verschuldigd. Een restitutie brengt een onevenredige administratieve verwerkingslast met zich mee. De advocaat kan bij de keuze voor het moment van in- en uitschrijving rekening houden met deze regel.

In artikel 2.26, tweede tot en met het vijfde lid, is een staffel opgenomen op basis waarvan de financiële bijdrage van de advocaat die in een betreffend kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, wordt bepaald.

In het zesde lid is aangegeven dat aan een advocaat, indien hij meer dan een keer beëdigd wordt in het betreffende jaar, ten hoogste de eerst door hem verschuldigde financiële bijdrage in rekening wordt gebracht. Als voorbeeld ter toelichting: indien een advocaat zich zou inschrijven in het tweede kwartaal van een jaar, betaalt hij 75% van de financiële bijdrage voor het betreffende jaar. Indien hij zich daarna uitschrijft, en in het derde kwartaal opnieuw inschrijft, is hij op dat moment 50% van de financiële bijdrage verschuldigd. Dat zou leiden tot de ongewenste situatie dat hij in dat jaar 125% van de financiële bijdrage in rekening krijgt gebracht.

Ingevolge artikel 4:87 van de Awb moet de betaling geschieden binnen zes weken nadat de beschikking is verzonden. Tegen een dergelijke beschikking staat bezwaar en beroep open.

In een uitspraak van 19 december 2019 heeft de bestuursrechter de bestaande praktijk bevestigd (ECLI:NL:RBAMS:2019:9496). In de annotatie bij die uitspraak zijn er vragen gesteld of de grondslag voor het vaststellen van de financiële bijdrage voor de individuele advocaat niet expliciet geregeld moet worden in de Voda (L.M. Koenraad en H. Peters in AB 2020/161). De algemene raad is bevoegd om de hoogte van de bijdrage van een individuele advocaat vast te stellen. Het is echter vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid en rechtszekerheid beter om in de Voda expliciet een grondslag hiervoor op te nemen om zo de bestaande praktijk te codificeren. Daartoe zijn een zevende en achtste lid toegevoegd aan artikel 2.26 van de Voda waarmee expliciet wordt gemaakt dat de algemene raad en de raad van de orde in het arrondissement bevoegd zijn om de financiële bijdrage bij een individuele advocaat in rekening te brengen.

Artikel 2.27 Voorstel hoogte financiële bijdrage
  1. De algemene raad doet het college van afgevaardigden jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de financiële bijdrage, die kan verschillen naar gelang van:
    a. de hoogte van het door de Belastingdienst geregistreerde inkomen van de advocaat in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de financiële bijdrage verschuldigd is;
    b. de duur of voorwaardelijkheid van de inschrijving van de advocaat op 1 januari van dat jaar.
  2. De algemene raad kan regels stellen over:
    a. de wijze van berekening van en de bewijsmiddelen voor het door de Belastingdienst geregistreerde inkomen;
    b. de indeling in categorieën, afhankelijk van de hoogte van het door de Belastingdienst geregistreerde inkomen, de duur of de voorwaardelijkheid van de inschrijving.

Artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet vereist dat het college van afgevaardigden jaarlijks een besluit neemt over de hoogte van de financiële bijdrage. Artikel 2.27 biedt een grondslag voor een differentiatie van het tarief van de bijdrage en voor normering van het door de Belastingdienst geregistreerde inkomen. Op grond van artikel 2.27 wordt bij besluit van de algemene raad een indeling in categorieën voorgeschreven. Het college van afgevaardigden stelt jaarlijks de hoogte van het bedrag per categorie vast.

Paragraaf 2.2.2 Opleidings- en examengelden

Artikel 2.28 Opleidings- en examengeld beroepsopleiding advocaten
  1. De uitvoeringsorganisatie brengt aan de stagiaire die deelneemt aan de beroepsopleiding advocaten, respectievelijk het in artikel 3.19, eerste lid, genoemde examen, opleidings- en examengeld in rekening voor het voorportaal, met uitzondering van de basistest, en de onderwijsonderdelen, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel b. De aanbieder, bedoeld in artikel 3.23, brengt aan de stagiaire, bedoeld in de eerste volzin, het verschuldigde bedrag voor de basistest in rekening. De factuur kan op naam worden gesteld van het kantoor van de stagiaire.
  2. De hoogte van het opleidings- en examengeld onderscheidenlijk het verschuldigde bedrag voor de basistest wordt vastgesteld door de algemene raad.

Een stagiaire sluit voor het volgen van de beroepsopleiding advocaten een overeenkomst met de uitvoeringsorganisatie via de Nederlandse orde van advocaten. De Nederlandse orde van advocaten treedt op als tussenpersoon. De overeenkomst is de grondslag voor de inning van opleidings- en examengeld.

Het opleidings- en examengeld is afhankelijk van de te volgen vakken en het aantal af te leggen toetsen en herkansingen. De algemene raad heeft in de overeenkomst met de uitvoeringsorganisatie de concrete bedragen ervoor vastgelegd. De algemene raad heeft het college van afgevaardigden geïnformeerd over de hoogte van de bedragen en zal het college van afgevaardigden tijdig informeren als de opleidings- en examengelden wijzigen.

De stagiaire kan met zijn kantoor overeenkomen dat deze de opleidings- en examengelden voor hem betaalt. Op het inschrijfformulier kan worden aangeven ten name van wie de factuur moet worden gesteld. De advocaat-stagiaire blijft wel hoofdelijk aansprakelijk voor het voldoen van de rekening.

De opleidings- en examengelden worden in twee delen in rekening gebracht. In het eerste jaar van de opleiding wordt het eerste deel gefactureerd. De toegang tot het tweede jaar van de opleiding wordt geweigerd indien de facturen over het eerste jaar niet voldaan zijn (artikel 3.16, derde lid). In de loop van het tweede jaar wordt het resterende deel van de cursus- en examengelden gefactureerd.

Een stagiaire die met de opleiding stopt, blijft het cursus- en examengeld verschuldigd. Hij ontvangt geen restitutie. De stagiaire die bijvoorbeeld in de loop van het eerste jaar met de opleiding stopt, is alleen het cursus- en examengeld over het eerste jaar verschuldigd.

Artikel 2.29 Kosten examen en proeve van bekwaamheid cassatie

De advocaat is voor het examen, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, onderdeel b, en de proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, een door de algemene raad vast te stellen vergoeding verschuldigd binnen een door de algemene raad te bepalen termijn.

De algemene raad brengt de bijdrage voor het examen en de proeve van bekwaamheid in rekening. De hoogte van de bijdrage is bij lagere regeling vastgelegd en is gerelateerd aan de kosten die de algemene raad (of de Nederlandse orde van advocaten) voor de volledige behandeling maakt. Onder de kosten wordt in ieder geval verstaan: de vacatiegelden en onkostenvergoeding voor de leden van de commissie die het examen, respectievelijk de proeve van bekwaamheid afnemen, de kosten van de voorbereidende werkzaamheden en de kosten van een ruimte voor het afnemen van het examen of de proeve van bekwaamheid. 

Paragraaf 2.2.3 Vacatiegelden en kostenvergoedingen

Artikel 2.30 Vergoeding algemene raad

Het college van afgevaardigden stelt de vergoeding vast voor de werkzaamheden van de deken en de overige leden van de algemene raad.

De deken, de plaatsvervangend deken en de overige leden van de algemene raad ontvangen voor hun werkzaamheden een vergoeding uit de middelen van de Nederlandse orde. Het college van afgevaardigden stelt de hoogte van de vergoeding vast. Het tijdbeslag van de onderscheiden functies kan aanleiding vormen voor een gedifferentieerde vergoeding. Het besluit van het college kan bepalen dat de vergoeding jaarlijks wordt aangepast aan bijvoorbeeld de inflatie.

Artikel 2.31 Rechthebbenden vacatiegeld en reiskostenvergoeding
  1. De algemene raad kent vacatiegeld en een reiskostenvergoeding toe aan:
    1. de leden van een raad van discipline en het hof van discipline die tevens advocaat zijn;
    2. de leden en plaatsvervangende leden van het college van afgevaardigden en de leden van het college van afgevaardigden die zijn benoemd in de financiële commissie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van de Advocatenwet;
    3. de leden van de raad van advies en de commissie cassatie;
    4. de leden van de redactie van het Advocatenblad die tevens advocaat zijn.
  2. Onder plaatsvervangende leden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan: als zodanig gekozen leden.

Voor het bijwonen van vergaderingen en overleggen kan de Nederlandse orde van advocaten een vergoeding toekennen. Deze vergoeding wordt vacatiegeld genoemd en beoogt de kosten voor het bijwonen inclusief de voorbereiding, te compenseren. Vacatiegeld wordt uitsluitend verstrekt indien de bedoelde vergadering is bijgewoond.

Voor het voorbereiden van een vergadering of overleg zonder dat deze wordt bijgewoond wordt geen vacatiegeld toegekend.

Normaal gesproken is vacatiegeld een bijdrage in de kosten voor het reizen van en naar de vergadering of het overleg. Door de geografische spreiding van de leden van de Nederlandse orde van advocaten, wordt het noodzakelijk geacht een separate reiskostenvergoeding toe te kennen.

De in dit artikel genoemde personen hebben recht op vacatiegeld en reiskostenvergoeding.

Het tweede lid bepaalt dat voor het college van afgevaardigden geldt dat plaatsvervangend leden ook vacatiegeld ontvangen indien zij niet daadwerkelijk de plaats van een lid innemen.

Artikel 2.32 Rechthebbenden reiskostenvergoeding

De algemene raad vergoedt de reiskosten van:

  1. de deken en de overige leden van de algemene raad;
  2. de door de algemene raad benoemde leden van adviescommissies;
  3. de leden van de adviescommissie regelgeving;
  4. degene die op verzoek van de algemeen deken, de algemene raad of het college van afgevaardigden een bijeenkomst bijwoont en de Nederlandse orde van advocaten officieel vertegenwoordigt;
  5. de leden van een door het college van afgevaardigden ingestelde voorbereidingscommissie.
Artikel 2.33 Verblijfskostenvergoeding

De algemene raad kan verblijfskosten vergoeden indien dat naar zijn oordeel doelmatig is.

Artikel 2.34 Andere rechthebbenden

De algemene raad kan in bijzondere gevallen aan anderen dan de in artikel 2.31 en artikel 2.32 genoemden een kostenvergoeding toekennen.

Artikel 2.35 Hoogte vacatiegeld en reiskostenvergoeding
  1. De algemene raad stelt de hoogte van het vacatiegeld vast, die kan verschillen naar rechthebbende en tijdsduur.
  2. De algemene raad stelt de hoogte van de reiskostenvergoeding vast, die kan verschillen naar transportmiddel.

Dit artikel bevat een grondslag om de hoogte van de vergoedingen voor vacatiegeld en voor reiskosten bij regeling van de algemene raad vast te stellen. In de lagere regeling van de algemene raad is ook opgenomen de vergoeding voor de werkzaamheden van de griffier(s) van tuchtcolleges. De grondslag daarvoor is artikel 60, tweede lid, van de Advocatenwet. Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid dat de algemene raad besluit over de hoogte van de kostenvergoeding aan de griffier. Het is daardoor niet mogelijk en niet nodig om die vergoeding op te nemen in de verordening.

Artikel 2.36 Nadere regels wijze declaratie
  1. De algemene raad stelt regels vast over de wijze waarop de vergoedingen, bedoeld in deze paragraaf worden gedeclareerd.
  2. De algemene raad kan bij de aanvraag voor vacatiegeld of andere vergoeding van de aanvrager nadere bewijsmiddelen verlangen.

Paragraaf 2.2.4 Subsidie ondersteuning tuchtcolleges

De stichting ondersteuning tuchtrechtcolleges advocatuur (SOTA) heeft statutair tot doel “het beheer en de distributie van de door de Orde beschikbaar gestelde financiële middelen ten behoeve van het functioneren van de tuchtrechtspraak voor advocaten”.

De algemene raad draagt zorg voor de besluitvorming over en uitbetaling van die financiële middelen. Als gevolg van het materiële subsidiebegrip dat in de subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht wordt gehateerd moet de financiële vergoeding van de Nederlandse orde van advocaten aan de stichting worden gekwalificeerd als een subsidie in de zin van de Awb en dient de juridische grondslag voor de verlening van die subsidie te worden vastgelegd in een ‘wettelijk voorschrift’; in dit geval de Verordening op de advocatuur.

Bij het opstellen van paragraaf 2.2.4 is zo veel mogelijk aangesloten bij de wettelijke bepalingen van de subsidietitel in de Algemene wet bestuursrecht (titel 4.2), zodat in de verordening kan worden volstaan met de regels die specifiek gelden voor de subsidieverlening en subsidievaststelling door de algemene raad jegens de stichting. In het bijzonder is uitdrukkelijk afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht over per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen van toepassing verklaard op de subsidiëring van de stichting. Deze afdeling bevat een uitgebreide standaardregeling voor het verlenen van exploitatiesubsidies aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid. De standaardregeling bevat nadere bepalingen over onder andere de termijnen en verantwoording bij de aanvraag en de vaststelling van de jaarlijkse subsidie.

Daarnaast is ook uitdrukkelijk artikel 4.76 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing verklaard. Hierdoor heeft de SOTA de verplichting om via het financiële verslag voldoende inzicht te geven.

In de voorgestelde artikelen zijn aanvullend op de wettelijke bepalingen regels opgenomen over onder meer het vaststellen van een subsidieplafond en een begrotingsvoorbehoud, de wijze waarop de subsidie wordt aangevraagd en vastgesteld en de daarbij geldende termijnen. Ook de verantwoording voor de uitgaven en het aanhouden van een egalisatiereserve zijn in het voorstel neergelegd.

Artikel 2.36a Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op het verlenen van subsidie voor activiteiten die door de stichting ondersteuning tuchtcolleges advocatuur worden uitgevoerd en welke passen binnen de statutaire doelstellingen van de stichting.

Artikel 2.36b Overeenkomstige toepassing
  1. Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op alle per boekjaar verstrekte subsidies.
  2. Artikel 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing, indien de subsidie-ontvanger zijn inkomsten in overwegende mate ontleent aan de subsidie.
Artikel 2.36c Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
  1. De algemene raad kan jaarlijks bij de vaststelling van de begroting besluiten tot het instellen van een subsidie­plafond.
  2. De algemene raad wijst bij de bekendmaking van een subsidieplafond op de mogelijkheid dat dit subsidieplafond kan worden verlaagd en betrekt daarbij de gevolgen voor de reeds ingediende aanvragen.
  3. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar worden gesteld.
Artikel 2.36d Subsidieaanvraag
  1. De aanvraag tot subsidieverlening wordt schriftelijk ingediend bij de algemene raad.
  2. Een aanvraag wordt ingediend uiterlijk 1 oktober van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.
Artikel 2.36e Egalisatiereserve

De stichting ondersteuning tuchtcolleges advocatuur vormt een egalisatiereserve met inachtneming van artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2.36f Subsidieverlening
  1. De algemene raad kan besluiten tot het verstrekken van subsidie met inachtneming van de in de begroting van de Nederlandse orde van advocaten opgenomen financiële middelen en het subsidieplafond.
  2. De algemene raad besluit op een volledige aanvraag tot subsidieverlening uiterlijk vóór 31 december van het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.
  3. De algemene raad kan voorwaarden verbinden aan de subsidie­verlening.
  4. De algemene raad geeft in het besluit tot subsidieverlening aan op welke wijze de verantwoording van de subsidie door de verkrijger plaatsvindt.
  5. Indien een subsidie wordt verstrekt vindt eenmalige betaling plaats door overmaking van de gehele subsidie.
Artikel 2.36g Verplichtingen en toestemming
  1. De algemene raad kan de subsidie-ontvanger de verplichtingen genoemd in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht opleggen.
  2. De algemene raad kan de subsidie-ontvanger de verplichting opleggen van voorafgaande toestemming voor handelingen als genoemd in artikel 4:71, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
  3. Onverminderd het eerste en tweede lid kan de algemene raad verplichtingen opleggen met betrekking tot:
    1. het aangaan van verplichtingen met een looptijd langer dan één jaar;
    2. het verhogen van de personeelsformatie van de subsidieontvanger;
    3. het uitputten en onderling aanvullen van begrotingsposten;
    4. de maximale grootte en jaarlijkse toename van de egalisatiereserve;
    5. de berekening van uurtarieven, de gebruikmaking van kostenbegrippen en productienormen;
    6. de aan de subsidie gekoppelde productie gedurende een kalenderjaar;
    7. de wijze waarop het betalingsverkeer en de autorisatie van een betaling plaatsvindt;
Artikel 2.36h Verantwoording en subsidievaststelling
  1. De aanvraag tot subsidievaststelling wordt schriftelijk ingediend bij de algemene raad uiterlijk dertien weken na het verrichten van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend.
  2. De aanvraag wordt in ieder geval vergezeld van:
    1. een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht;
    2. een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten in een financieel verslag of jaarrekening; en
    3. een balans op het einde van het afgelopen subsidietijdvak het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop.
  3. De algemene raad kan afwijken van het bepaalde in het tweede lid of andere gegevens opvragen die voor de subsidievaststelling van belang zijn.
  4. De algemene raad besluit op een aanvraag tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de volledige aanvraag.

Afdeling 2.3 Arbeidsvoorwaarden medewerkers college van toezicht

Artikel 2.37 Arbeidsvoorwaarden medewerkers college van toezicht

De arbeidsvoorwaarden van de medewerkers van het bureau van de Nederlandse orde van advocaten zijn van overeenkomstige toepassing op de secretaris en andere medewerkers van het college van toezicht.

Het college van toezicht is een orgaan van de Nederlandse orde van advocaten (artikel 17a, eerste lid, van de Advocatenwet). De secretaris en de andere medewerkers van het college van toezicht zijn dan ook in dienst van de Nederlandse orde van advocaten. Het college van toezicht benoemt en ontslaat de secretaris. Het personeelsreglement van de Nederlandse orde van advocaten dat de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden bevat, is van overeenkomstige toepassing op de secretaris en overige medewerkers van het college van toezicht. Hun arbeidsvoorwaarden zijn gelijk aan die van andere medewerkers van de Nederlandse orde van advocaten wat betreft:

  • primaire arbeidsvoorwaarden, te weten de indeling in schalen en periodieken en de regeling van het aantal uren, de werktijden, de verlofdagen en de blokdagen en de ziektemeldingen;
  • secundaire arbeidsvoorwaarden, waaronder de pensioenregeling en de reiskostenvergoeding.

Onverminderd deze arbeidsrechtelijke relatie met de Nederlandse orde van advocaten vindt de werkinhoudelijke aansturing plaats door het college van toezicht op grond van artikel 36a, vijfde lid, van de Advocatenwet. Het college van toezicht verzorgt bijvoorbeeld ook de functionerings- en beoordelingscyclus van de secretaris en de overige medewerkers van het college van toezicht.

Hoofdstuk 3 Stage

Afdeling 3.1 Stage

Paragraaf 3.1.1 Algemeen

Artikel 3.1 Aanvang stage

De stage vangt aan op het moment dat de stagiaire is beëdigd, de stage en de patroon zijn goedgekeurd en de uitoefening van de praktijk is aangevangen.

Artikel 3.2 Voltooide stage

De stagiaire krijgt de verklaring, bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet, op het moment waarop de termijn, bedoeld in artikel 9b, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de Advocatenwet, is verstreken en:

  1. de stagiaire beschikt over het certificaat beroepsopleiding;
  2. de stagiaire voldoet aan het bepaalde in artikel 3.9 en artikel 3.10, eerste lid; en
  3. de raad van de orde, gehoord de patroon en de stagiaire, oordeelt dat de stagiaire over voldoende praktijkervaring beschikt, bedoeld in artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet.

Artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet bepaalt dat van het met gunstig gevolg voltooien van de stage door de raad van de orde een verklaring aan de stagiaire wordt verstrekt. De stageverklaring is het bewijs dat de stage is voltooid en de advocaat de praktijk niet langer onder begeleiding van een patroon dient uit te oefenen. In artikel 3.2 zijn de vereisten voor het verkrijgen van een stageverklaring opgenomen. Deze voorwaarden zijn, geparafraseerd, als volgt:

- de stagetermijn van drie jaar is geëindigd (in geval van deeltijd geldt de van rechtswege verlengde termijn);
- het examen van de beroepsopleiding is met goed gevolg afgelegd;
- de verplichte onderdelen van de stage zijn gevolgd, zoals de lokale opleiding (artikel 3.10) en
- de praktijkonderdelen (artikel 3.9) zijn volbracht.

De raad van de orde kan tot de conclusie komen dat de stagiaire – hoewel deze aan de genoemde eisen voldoet - te weinig praktijkervaring heeft. In dat geval kan de raad van de orde de stage verlengen met ten hoogste drie jaar (artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet). Deze verlenging is een beschikking waaraan de raad van de orde nadere voorwaarden kan stellen. De raad van de orde verleent geen stageverklaring tot aan die voorwaarden is voldaan en de verlengde termijn is verlopen. Tegen de verlenging van de stage en daarmee de weigering om een stageverklaring af te geven staat administratief beroep open bij de algemene raad (artikel 9b, zesde lid, van de Advocatenwet).

Artikel 3.3 Deeltijd
  1. De stagiaire die in deeltijd werkzaam is, oefent de praktijk uit voor ten minste 24 uur per week.
  2. In afwijking van het eerste lid oefent de stagiaire-ondernemer die in deeltijd werkzaam is, de praktijk uit voor ten minste 32 uur per week.
  3. De stagiaire die in deeltijd wenst te werken, informeert de raad van de orde over het voorgenomen aantal uren dat per week gewerkt zal worden, voorafgaand aan de uitoefening van de praktijk en voorafgaand aan iedere wijziging in het aantal uren dat per week gewerkt zal worden.

Ingevolge artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet is het mogelijk om als stagiaire respectievelijk stagiaire-ondernemer in deeltijd te werken. Of er sprake is van deeltijd, hangt af van het contractuele aantal uren dat wordt gewerkt. Indien dat minder is dan 40 uur per week (voltijd) is sprake van deeltijd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in zijn uitspraak van 16 februari 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AS6227) geoordeeld dat, als minder 40 uur per week gewerkt wordt, er sprake is van deeltijd werken zelfs indien in de CAO is neergelegd dat een werkweek 36 uur is.

Dit artikel stelt het minimumaantal uren op 24, respectievelijk 32 uren per week. Een stagiaire die 24 uur per week werkt zal vijf jaar (260 weken) de praktijk moeten uitoefenen onder begeleiding van een patroon. Indien een stagiaire in deeltijd wil werken, dient hij de raad van de orde daarover vooraf te informeren in verband met het vaststellen van de beoogde einddatum van de stage. De verlenging van de duur van de stage voor deeltijders is niet van invloed op de duur van de beroepsopleiding advocaten. Deeltijd-stagiaires volgen de beroepsopleiding tegelijk met de stagiaires die niet in deeltijd werken. Er is niet voorzien in de mogelijkheid de opleiding in een ander, lager, tempo te volgen.

Voor beginnende advocaten is het van belang om snel voldoende ervaring op te doen zodat een goede praktijkvoering, ook in een vroeg stadium in de stage, gewaarborgd is. Dit betekent dat stagiaires bij voorkeur vanaf moment van beëdiging zoveel mogelijk verschillende aspecten van hun vak zien, in verschillende soorten situaties werken en vooral veel praktijkervaring opdoen. Enige substantiële omvang van deze werkzaamheden, waardoor ook routine kan worden opgedaan, is daarbij van belang.

Het aantal minimaal te werken uren in een week is om die reden gesteld op 24. Dit minimum was al opgenomen in de Stageverordening 2012 en wordt in deze verordening niet gewijzigd. Artikel 8c, vijfde lid, van de Advocatenwet bepaalt dat de duur van de stage naar rato wordt verlengd, maar dat die verlenging niet meer kan bedragen dan drie jaar. Dat suggereert dat de wetgever een minimum heeft gesteld aan het aantal te werken uren. Dat minimum zou 20 uur zijn. De Advocatenwet is daarin echter niet concludent. Een hoger minimum is niet alleen nodig met het oog op de praktijkervaring, maar ook met het oog op de belasting door de beroepsopleiding. Dit hogere minimum is ook ingegeven door het feit dat stagiaires vaak het onderwijs van de beroepsopleiding advocaten onder werktijd volgen. Voor die stagiaire blijven er gemiddeld per week dan slechts twee dagen praktijk over, hetgeen de Orde als een echt minimum beschouwd. Een advocaat-stagiaire moet zich realiseren dat als hij zich wil bekwamen als advocaat, hij daartoe regelmatig, in een relatief kort tijdbestek, ervaring in de praktijk dient op te doen.

In het derde lid is opgenomen dat de stagiaire de raad van de orde informeert over het aantal uren dat zal worden gewerkt en bij elke wijziging daarvan (Zie o.m. ECLI:NL:RVS:2013:1476).  

Artikel 3.4 Stage geëindigd of opgeschort
  1. De stage eindigt zonder stageverklaring:
    1. met wederzijds goedvinden van patroon en stagiaire;
    2. door opzegging door de stagiaire;
    3. door opzegging door de patroon, na daartoe verkregen goedkeuring van de raad van de orde;
    4. door een ambtshalve beslissing van de raad van de orde.
  2. De stage is van rechtswege opgeschort:
    1. indien de stagiaire de praktijk meer dan drie maanden niet uitoefent, tenzij dit het gevolg is van wettelijk zwangerschaps- of bevallingsverlof;
    2. indien de stagiaire geen patroon heeft of de praktijk niet onder zijn begeleiding uitoefent;
    3. indien de patroon is geschorst, de praktijk niet meer uitoefent of de stagiaire niet meer kan begeleiden;
    4. zodra de patroon en de stagiaire niet langer in hetzelfde arrondissement zijn ingeschreven.
  3. De opzegging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan zonder voorafgaande goedkeuring door de raad van de orde plaatsvinden indien het certificaat beroepsopleiding niet meer kan worden overgelegd binnen het tijdvak, bedoeld in artikel 8c, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid, van de Advocatenwet.
  4. De in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde goedkeuring wordt alleen geweigerd indien de opzegging onredelijk is.
  5. De patroon brengt het einde van de stage of de opschorting, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en c, en tweede lid, onverwijld schriftelijk ter kennis van de raad van de orde.

Artikel 3.4 regelt het einde van de stage zonder dat een stageverklaring wordt afgegeven. Het rechtsgevolg daarvan is dat de verplichtingen tussen de stagiaire en de patroon over en weer komen te vervallen. Daarnaast regelt artikel 3.4 de effecten van opschorting van de stage. Dit effect is beperkt, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 mei 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AX2118). In die uitspraak kwam aan de orde dat de Advocatenwet voorschrijft wanneer de verplichting om onder toezicht (in de huidige terminologie van de Advocatenwet: begeleiding) van een patroon de praktijk uit te oefenen eindigt. Artikel 9b, eerste lid, van de Advocatenwet bepaalt dat deze verplichting drie jaar duurt. In het tweede lid krijgt de raad van de orde de mogelijkheid om deze periode met ten hoogste drie jaar te verlengen indien de praktijkervaring van de stagiaire nog ontoereikend is. De Afdeling merkt vervolgens in overweging 2.3.1. op:

“In geval van een langduriger onderbreking vindt, in aansluiting op hetgeen is bepaald in artikel 9b, tweede lid, eerste volzin, van de Wet ten aanzien van deeltijd, een evenredige verlenging van de stageperiode plaats. Dit beleid is gebaseerd op de gedachte dat aan de wettelijk voorgeschreven stageperiode een legitiem algemeen belang bij een goede opleiding van advocaten ten grondslag ligt en dat benutting van die volle periode noodzakelijk is om de vereiste brede kennis en ervaring op te doen. Op die grond wordt vastgehouden aan de zogenoemde "zuivere speeltijd gedachte", inhoudende dat de in artikel 9b, eerste lid, van de Wet bedoelde periode van drie jaar in beginsel niet doorloopt indien de praktijk niet daadwerkelijk wordt uitgeoefend, zoals in geval van ziekte of vakantie- of ander verlof. De Afdeling is evenwel van oordeel dat de tekst van artikel 9b, eerste lid, van de Wet geen grondslag biedt aan de uitleg die de raad van toezicht [per 1 januari 2015: raad van de orde in het arrondissement] in zijn beleid aan deze bepaling heeft gegeven, omdat de periode van drie jaar gedurende welke de advocaat onder toezicht zijn werk moet doen, gerelateerd is aan zijn inschrijving als zodanig en niet aan de daadwerkelijke uitoefening van de praktijk.“

De consequentie van de uitspraak en de eerder genoemde bestaande grondslagen in de Advocatenwet is dat een verordening niet kan voorschrijven dat de ‘zuivere speeltijd’ als doctrine wordt gehanteerd. Het einde van de stage is reeds in de Advocatenwet gegeven. Een effect van een tussentijds einde van de stage of opschorting ervan is evenwel dat de toegang tot de beroepsopleiding in beginsel wordt geweigerd. Dat is geregeld in artikel 3.16. Daarnaast blijft gelden dat de stagiaire de praktijk alleen mag uitoefenen onder begeleiding van de patroon. Bij opschorting van de stage van rechtswege is daar geen sprake van; de praktijk mag in dat geval niet worden uitgeoefend.

In het eerste lid verdienen enkele situaties bijzondere aandacht. De eenzijdige opzegging van de begeleidingsovereenkomst door de stagiaire of de beëindiging in onderling overleg is niet aan formaliteiten gebonden. De begeleidingsovereenkomst kan ook onderdeel uitmaken van de arbeidsovereenkomst. Het verdient wel de voorkeur om de opzegging schriftelijk te doen, althans schriftelijk te bevestigen. De opzegging door de patroon is wel aan voorwaarden gebonden. Daarvoor is goedkeuring door de raad van de orde vereist (op grond van het eerste lid, onderdeel c) tenzij het certificaat beroepsopleiding niet of niet meer binnen de termijn van artikel 8c, derde lid, van de Advocatenwet gehaald kan worden. Dit laatste is bijvoorbeeld aan de orde indien de stagiaire ook voor de derde en laatste toetskans is gezakt. Ingevolge het derde lid is in dat geval geen voorafgaande goedkeuring nodig.

Het tweede lid, onderdeel a, ziet op een stagiaire die, bijvoorbeeld omdat deze ziek is, de praktijk niet uitoefent. In dat geval is de stage zonder nadere besluitvorming door de raad van de orde van rechtswege opgeschort, tenzij de periode van niet-uitoefening slechts van korte duur is. Uit een oogpunt van uniformiteit is deze termijn bepaald op drie maanden. De opschorting van rechtswege ontstaat op het moment dat de stagiaire de praktijk drie maanden niet heeft uitgeoefend, tenzij dit het gevolg is van een wettelijk zwangerschaps- of bevallingsverlof (artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg). Door deze clausulering wordt discriminatie tussen stagiaires op grond van geslacht uitgesloten. Stagiaires die dit verlof opnemen en in die periode het onderwijs niet willen of kunnen volgen, en de examens niet kunnen afleggen, zullen overigens wel een beroep moeten doen op de hardheidsclausule (artikel 3.17, vijfde lid) om op een ander moment het onderwijs te mogen volgen of de toetsen te mogen afleggen. Op grond van het tweede lid, onderdeel b, wordt de stage van rechtswege opgeschort indien de patroon niet meer als zodanig kan functioneren. Dat kan zijn omdat hijzelf de praktijk niet meer kan of mag uitoefenen, of omdat hij de voor de stagiaire noodzakelijke begeleiding niet meer kan verschaffen. Als de patroon geschorst is, is hij op dat moment geen advocaat en mag hij de praktijk niet uitoefenen. Hoewel de schorsing van de patroon reeds is vervat in de voornoemde opschortingsgrond is deze omwille van de kenbaarheid expliciet in onderdeel c genoemd. Het bepaalde in dit artikel laat de verplichtingen uit hoofde van een eventuele arbeidsovereenkomst tussen de stagiaire en werkgever onverlet. Het opschorten of beëindigen van de stage leidt er wel toe dat een stagiaire op grond van artikel 3.16, tweede lid, onderdeel b, geen toegang meer heeft tot de beroepsopleiding. Een stagiaire wiens stage is opgeschort, kan nog wel een beroep doen op de hardheidsclausule van artikel 3.16, vierde lid.

Op grond van het vijfde lid van artikel 3.4 rust op de patroon de plicht om de raad van de orde te informeren over het intreden van een van de situaties waardoor de stage geëindigd of opgeschort is. Deze situaties zijn bekend bij de patroon. De patroon weet beter dan de raad van de orde wanneer de situatie is ingetreden. Overigens geldt voor de patroon ook de verplichting om de raad van de orde te informeren indien de stagiaire enige tijd de praktijk niet uitoefent (artikel 3.13, zesde lid).

Paragraaf 3.1.2 Goedkeuring stage en patroon

Artikel 3.5 Goedkeuring stage en patroon
  1. De raad van de orde is belast met de goedkeuring van de stage en de beoogd patroon.
  2. De stagiaire dient het verzoek om goedkeuring van de stage en de beoogd patroon in, door middel van een door de algemene raad vastgesteld formulier. Het formulier wordt medeondertekend door de beoogd patroon. De algemene raad stelt nadere regels met betrekking tot de bij het verzoek te verstrekken gegevens.
  3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek van de stagiaire om wijziging van de patroon.

De raad van de orde moet aan elke stage en patroon zijn goedkeuring verlenen. Ook indien de stagiaire van patroon wenst te wisselen, is goedkeuring vereist. Het initiatief tot de goedkeuring gaat uit van de stagiaire, die zelf verantwoordelijk is  voor het vinden van een patroon.  
Met een daartoe bestemd aanvraagformulier vraagt de stagiaire de raad van de orde goedkeuring van de stage en van de beoogde patroon. Op grond van de bijlagen 1a tot en met 1e van de Regeling op de advocatuur wordt het formulier ook ondertekend door de beoogd patroon. Voorts worden bij het verzoek om goedkeuring van de stage en de beoogd patroon niet alleen stukken verlangd, maar ook gegevens. Een voorbeeld hiervan is of de patroon juridisch medewerkers, niet zijnde advocaat begeleidt.

Ten behoeve van de goedkeuring verstrekt de stagiaire de raad van de orde persoonsgegevens van de beoogde patroon, die daarmee voorafgaand aan het goedkeuringsverzoek schriftelijk heeft ingestemd. Tevens legt de stagiaire de arbeidsovereenkomst over en, zo die niet daarin is opgenomen, de begeleidingsovereenkomst.  Als aan de genoemde formaliteiten niet is voldaan, kan de raad van de orde het verzoek in beginsel buiten behandeling stellen (artikel 4:5, Awb).

Artikel 3.5a Cursus voor patroons
  1. Een beoogd patroon heeft in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek om goedkeuring, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, een cursus voor patroons gevolgd.
  2. Een cursus als bedoeld in het eerste lid is gevolgd, indien de beoogd patroon ten minste zes uur onderwijs heeft gevolgd dat het patroonschap voor een stagiaire ten goede komt en:
    1. dat onderwijs is gegeven door een of meerdere deskundige docenten; en
    2. de identiteit en de aanwezigheid van de deelnemers zijn vastgesteld.
  3. In afwijking van het tweede lid, aanhef, geldt voor de duur van een cursus ten minste drie uur onderwijs, indien de beoogd patroon in de drie jaar voorafgaand aan de cursus reeds een in het tweede lid bedoelde cursus heeft gevolgd.
  4. De algemene raad kan nadere regels stellen over de inhoud van de cursus, bedoeld in het tweede en derde lid.

Artikel 3.5a Cursus voor patroons
De patroon vervult voor de stagiaire een brugfunctie tussen de praktijk en de beroepsopleiding. De patroon draagt voor een belangrijk deel bij aan de vorming van de stagiair binnen het kantoor. Daarnaast wordt verwacht dat de patroon een actieve rol gaat spelen in de beroepsopleiding. Een sterkere rol van de patroon wordt dan ook wenselijk geacht. Om de begeleiding kwalitatief te versterken wordt een patroonscursus periodiek verplicht gesteld voor alle patroons.

In artikel 3.5a, tweede lid, is omschreven aan welke eisen een dergelijke cursus ten minste moet voldoen. De cursus dient ten minste zes uur te omvatten en betrekking hebben op het patroonschap voor een stagiaire. Op grond van het vierde lid heeft de algemene raad nadere regels gesteld over de inhoud van de cursus. Heeft de beoogd patroon in de drie jaar voorafgaand reeds een cursus gevolgd die voldoet aan het tweede lid, kan voor de nieuw te volgen cursus worden volstaan met een duur van drie uur.

Wordt geen cursus gevolgd of een cursus gevolgd die niet voldoet aan het tweede lid van artikel 3.5a, dan wordt door de raad van de orde goedkeuring aan de stage en beoogd patroon onthouden. In die gevallen is geen nadere afweging mogelijk.

Bij bepaalde (meestal grote) advocatenkantoren wordt gebruik gemaakt van een praktijkbegeleider bij de (feitelijk) begeleiding van een stagiaire. Een begeleiding door een praktijkbegeleider laat onverlet dat de verantwoordelijkheid voor de begeleiding bij de patroon berust (zie artikel 9b, eerste lid, van de Advocatenwet).

Overigens volgt uit de zinsnede “zijn kantoor” in het huidige artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Voda dat de raad van de orde de goedkeuring van de stage en de beoogd patroon kan onthouden indien deze praktijkbegeleider tuchtrechtelijke of stafrechtelijke sancties zijn opgelegd, dan wel over hem tuchtrechtelijke klachten zijn ontvangen of met betrekking tot hem onregelmatigheden of gegronde bedenkingen zijn gebleken.

Artikel 3.6 Beoordeling aanvraag goedkeuring
  1. De raad van de orde kan de goedkeuring, bedoeld in artikel 3.5, onthouden indien:
    1. aan de beoogd patroon of zijn kantoor tuchtrechtelijke of strafrechtelijke sancties zijn opgelegd;
    2. over de beoogd patroon tuchtrechtelijke klachten zijn ontvangen of met betrekking tot hem of zijn kantoor onregelmatigheden of gegronde bedenkingen zijn gebleken;
    3. de beoogd patroon korter dan een periode van zeven jaar in Nederland als advocaat is ingeschreven of ingeschreven is geweest;
    4. de beoogd patroon reeds patroon is hetzij van een buitenstagiaire, hetzij van een stagiaire-ondernemer;
    5. de beoogd patroon reeds patroon is van twee of meer stagiaires;
    6. de beoogd patroon reeds patroon is van een stagiaire waarvan de duur van de stage korter is dan een jaar;
    7. de beoogd patroon niet geschikt wordt geacht als patroon;
    8. op andere gronden te verwachten valt dat er onvoldoende begeleiding zal zijn in de uitoefening van de praktijk.
  2. Indien de advocaat is ingeschreven overeenkomstig artikel 2a van de Advocatenwet bedraagt de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, vier jaar.
  3. De raad van de orde onthoudt de goedkeuring in ieder geval:
    1. indien de beoogd patroon geen cursus als bedoeld in artikel 3.5a, eerste lid, heeft gevolgd;
    2. indien de beoogd patroon korter dan een aaneengesloten periode van vijf jaar in Nederland als advocaat is ingeschreven of ingeschreven is geweest;
    3. in geval van een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer, indien de beoogd patroon korter dan een periode van zeven jaar in Nederland als advocaat is ingeschreven of ingeschreven is geweest.
  4. Indien de advocaat is ingeschreven overeenkomstig artikel 2a van de Advocatenwet bedraagt de periode, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, twee jaar en de periode, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, vier jaar.

De raad van de orde heeft een ruime discretionaire bevoegdheid bij de beoordeling van de geschiktheid van een patroon (ABRvS, 28 dec. 1999, Adv.bl. 2000-3, p. 131).  De verordening perkt deze discretionaire bevoegdheid niet in. Wel blijkt er behoefte te bestaan aan een concreet toetsingskader. Daarom is in het eerste lid een aantal situaties opgenomen waarin de raad van de orde goedkeuring kan weigeren. Als zich een van deze situaties voordoet, zal de raad van de orde in beginsel uit kunnen gaan van de ongeschiktheid van de patroon. Indien bijvoorbeeld door de raad van de orde signalen over onregelmatigheden zijn ontvangen over een kantoor of gegronde bedenkingen zijn gerezen die zien op de omgang met stagiaires, de begeleiding, of meer in algemene zin op de uitoefening van de praktijk, dan is dat in beginsel voldoende reden om een patroon of de stage niet goed te keuren. Zijn de klachten niet ernstig of heeft het kantoor respectievelijk de patroon zijn gedrag aangepast, dan hoeft dat in beginsel geen belemmering te zijn om de patroon en de stage toch goed te keuren.

Over de in artikel 3.6, derde lid, onderdeel a, bedoelde cursussen wordt van de patroon gevraagd een verklaring in te leveren. Die verklaring kan bijvoorbeeld zien op de cursussen die in de laatste vijf jaar zijn gevolgd.

Op grond van het eerste lid, onderdelen d en e, kan de raad van de orde de goedkeuring onthouden indien de beoogd patroon reeds patroon is hetzij van een buitenstagiaire hetzij van een stagiaireondernemer of de beoogd patroon reeds patroon is van twee of meer stagiaires en de duur van de stage van een van die stagiaires korter is dan een jaar. De patroon zal meer aandacht moeten schenken aan de begeleiding van stagiaires die pas kort werkzaam zijn. Vandaar dat opgenomen is dat ten hoogste één van de stagiaires minder dan een jaar stagiaire is. Indien meerdere stagiaires korter stage lopen dan een jaar, is dat een grond om de goedkeuring te weigeren.

Onderdeel f van het eerste lid omschrijft een restcategorie, volgens welke de patroon voor een stage of  stagiaire ongeschikt kan zijn (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2014:3998). Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een hoog verloop van stagiaires in de afgelopen jaren. Ook in die gevallen kan het wenselijk zijn dat de goedkeuring wordt onthouden. Onderdeel h ziet op de aspecten van de stage die niet noodzakelijkerwijs de kwaliteiten van een patroon betreffen. Op grond van onderdeel g kan de goedkeuring worden onthouden indien op andere gronden te verwachten valt dat er onvoldoende begeleiding zal zijn in de uitoefening van de praktijk.

Het derde lid schrijft voor in welke gevallen de goedkeuring onthouden dient te worden. In die gevallen is geen nadere beoordeling mogelijk. De gronden in het derde lid houden verband met het volgen van een cursus voor patroons en de duur van de inschrijving van de advocaat. Het verzoek om goedkeuring wordt afgewezen in alle gevallen waarin de patroon korter dan vijf jaar is ingeschreven of, in geval van een EU-advocaat, korter dan twee jaar. De raad van de orde kan dus wel tot goedkeuring overgaan indien de patroon tussen de vijf en de zeven jaar is ingeschreven als advocaat. In dat geval heeft de raad van de orde behalve bijzondere aandacht voor de geschiktheid van de patroon ook aandacht voor de stagiaire (zie de eerder aangehaalde ECLI:NL:RVS:2014:3998). Als een buitenstagiaire of een stagiaire-ondernemer de aanvraag doet, moet de patroon in elk geval langer dan zeven jaar zijn ingeschreven, of in geval van een EU-advocaat, langer dan vier jaar. 

Artikel 3.7 Bemiddeling bij zoeken patroon

Indien de patroon in de uitoefening van de praktijk is geschorst, de praktijk niet meer uitoefent of de stagiaire niet meer kan begeleiden, kan de raad van de orde bemiddelen bij het zoeken van een andere patroon.

Een stagiaire moet er zelf zorg voor dragen dat hij een patroon heeft. Indien de patroon wegvalt, is de stage opgeschort, hetgeen betekent dat de stagiaire niet langer de belangen van zijn cliënten mag behartigen. In dat geval kan de raad van de orde bemiddelen bij het zoeken van een nieuwe patroon. De bemiddeling gaat niet zo ver dat de raad van de orde een advocaat aan kan wijzen. Dit artikel heeft als grondslag artikel 9b, zevende lid en artikel 28 van de Advocatenwet.

Paragraaf 3.1.3 Verplichtingen stagiaire

Artikel 3.8 Verplichtingen stagiaire
  1. De stagiaire verschaft de patroon de informatie die deze nodig heeft om te voldoen aan de verplichtingen, genoemd in artikel 3.13.
  2. De stagiaire informeert de raad van de orde indien de stage tussentijds is geëindigd of van rechtswege is opgeschort, met uitzondering van de situaties, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onderdeel c, en artikel 3.13, zesde lid.
  3. De stagiaire verricht de hem door de patroon of werkgever opgedragen werkzaamheden, met dien verstande dat de nakoming van de verplichtingen, genoemd in artikel 3.13, tweede lid, voorrang heeft. Hij verleent zijn medewerking aan de naleving van artikel 3.13, negende lid, door zijn patroon.

Om de rol van patroon goed te kunnen vervullen, zal de stagiaire zijn patroon de informatie moeten verschaffen die hij als patroon nodig heeft. Die informatie kan betrekking hebben op concrete zaken, maar ook op aspecten die zien op praktijkuitoefening. 

Naast de vernieuwde beroepsopleiding blijven onder andere verplichte praktijkervaringseisen (artikel 3.9 van de Voda) en verplichte activiteiten in een arrondissement (artikel 3.10 van de Voda) bestaan.

Artikel 3.9 Praktijkervaring stagiaire

De stagiaire is aan het eind van de stage in staat zelfstandig en naar behoren de praktijk uit te oefenen en heeft gedurende de stage ten minste de volgende praktijkervaring opgedaan:

  1. hij is vijf keer in rechte opgetreden in procedures op tegenspraak en de patroon heeft ten minste één mondelinge behandeling bijgewoond;
  2. hij heeft tien stukken, waaronder ten minste zeven processtukken, vervaardigd;
  3. hij heeft op twee van de drie rechtsgebieden burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht, bestuursrecht en bestuursprocesrecht of strafrecht en strafprocesrecht ervaring opgedaan of, indien dat niet mogelijk is, op meerdere sub-rechtsgebieden binnen een van deze rechtsgebieden.

In het eerste lid zijn verplichtingen opgenomen over de praktijkervaring die de stagiaire moet opdoen. Deze verplichtingen houden onder meer in dat ten minste vijf keer in rechte is opgetreden en ten minste tien processtukken, waaronder ten minste zeven processtukken, zijn opgesteld. Daarnaast moet er ervaring zijn opgedaan op twee van de drie juridische hoofdrichtingen (civiel recht, strafrecht of bestuursrecht), tenzij dat binnen het kantoor niet mogelijk is. Het uitgangspunt is dat de stagiaire in verschillende hoofdrichtingen ervaring opdoet.

Die ervaring hoeft niet te bestaan uit gevoerde procedures, maar kan ook bestaan uit het geven van juridische adviezen of andersoortige werkzaamheden. In een kantoor dat zich bijvoorbeeld specialiseert in strafzaken, kan de stagiaire die in de beroepsopleiding bestuursrecht doet, ervaring opdoen met fiscale aspecten van een zaak, naast zijn ervaring op het vakgebied ‘economisch strafrecht’.

Het is mogelijk dat binnen een kantoor zich geen zaken aandienen in een andere hoofdrichting of dat de tweede hoofdrichting binnen het kantoor een zo beperkte rol speelt, dat het feitelijk onmogelijk is dat alle stagiaires ervaring in deze tweede (andere) hoofdrichting opdoen. In dat geval is het de plicht van de patroon (artikel 3.13, tweede lid) er op toe te zien dat de stagiaire wel op verschillende rechtsgebieden binnen de hoofdrichting ervaring opdoet. Voor de vraag wat een rechtsgebied is, kan worden aangesloten bij de lijst van rechtsgebieden die te vinden is op de site van de Nederlandse orde. De patroon dient zich bewust te zijn van de wenselijkheid van een brede ontwikkeling van de stagiaire. Hem zal onvoldoende inspanning verweten kunnen worden als de stagiaire niet in staat wordt gesteld ervaring op een ander rechtsgebied op te doen, terwijl dat wel mogelijk is. Er rust dus een inspanningsverplichting op de patroon.

De raad van de orde kan geen verplichtingen opleggen aan de stagiaire die van deze regels afwijken. Wel kan de raad van de orde in een specifiek geval op grond van artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet beslissen dat er onvoldoende praktijkervaring is opgedaan en oordelen dat de stage daarom wordt verlengd. In dat geval kan de raad van de orde bijvoorbeeld extra praktijkeisen stellen en als gevolg daarvan de afgifte van de stageverklaring uitstellen.

In het tweede lid is benadrukt dat de beroepsopleiding advocaten van de stagiaire altijd voorrang heeft op de werkzaamheden van de stagiaire op het kantoor.

Artikel 3.10 Activiteiten in arrondissement
  1. Aan het eind van de stage heeft de stagiaire tien opleidingspunten behaald voor activiteiten die de raad van de orde voor stagiaires aanbiedt of laat aanbieden en een voldoende behaald voor de pleitoefening.
  2. De raad van de orde draagt er zorg voor dat de in het eerste lid bedoelde activiteiten en de pleitoefening bijdragen aan de professionele vorming en de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiaire.
  3. De raad van de orde kent een punt per uur toe aan de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, niet zijnde de pleitoefening.
  4. Bij de overgang naar een ander arrondissement worden de opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid, en de voldoende voor de pleitoefening meegenomen.

Dit artikel heeft betrekking op de lokale opleiding. De raden van de orde dienen zorg te dragen voor voldoende aanbod en voor voldoende niveau van het aanbod. Aan de pleitoefening worden vier punten toegekend, omdat daarvoor ook voorbereiding noodzakelijk is. Het vierde lid impliceert dat de raden van de orde elkaars opleidingspunten erkennen. Aldus kan een stagiaire die van werkkring verandert en in een ander arrondissement kantoor gaat houden, de reeds behaalde punten meenemen.

Artikel 3.11 Buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer

Een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer:

  1. richt de organisatie van zijn kantoor, inclusief de dienstverlening aan de cliënt en de administratie, de boekhouding daaronder begrepen, adequaat in; en
  2. neemt alleen zaken aan die hij gelet op zijn kantoororganisatie adequaat kan behandelen.

Een buitenstagiaire en stagiaire-ondernemer hebben een bijzondere verplichting om de eigen kantoororganisatie adequaat in te richten. Omdat de buitenstagiaire geen kantoor houdt bij zijn patroon, kan de patroon geen zorg dragen voor de inrichting van het kantoor. Iets vergelijkbaars geldt voor de stagiaire-ondernemer. De in dit artikel opgenomen verplichting is vergelijkbaar met die van artikel 6.1 tot en met artikel 6.3. Het verschil met gewone stagiaires is dat deze laatsten voor de inrichting van het kantoor afhankelijk (kunnen) zijn van de patroon bij wie zij kantoor houden.

Overigens zullen buitenstagiaires en stagiaires-ondernemer ook bij het aannemen van zaken een inschatting moeten maken of zij de deskundigheid bezitten die nodig is (artikel 4.1). Aan het begin van de stage zal dat minder vaak het geval zijn. Indien de stagiaire de deskundigheid niet bezit, zal hij de zaak aan een andere advocaat moeten overdragen of een andere deskundige advocaat moeten betrekken bij de behandeling van de zaak. Dat kan uiteraard de patroon zijn, maar ook een andere advocaat.

Artikel 3.12 Liquiditeit en boekhouding stagiaire-ondernemer
  1. De stagiaire-ondernemer beschikt steeds over een passende kredietfaciliteit of over voldoende vermogen ter dekking van de kosten van het bruto minimumloon voor een jaar en de overige kosten van de praktijkvoering.
  2. De stagiaire-ondernemer zendt aan de raad van de orde ten minste tweemaal per jaar de balans en de winst- en verliesrekening die door de patroon voor gezien ondertekend zijn. De stagiaire-ondernemer verstrekt de raad van de orde desgevraagd een toelichting of nadere inlichtingen.

Een stagiaire-ondernemer is een stagiaire die voor eigen rekening en risico praktijk voert. Daaraan zijn risico’s verbonden die ook de rechtzoekende kunnen raken, onder meer het risico op faillissement. Om dat risico te beperken, wordt van een aspirant stagiaire-ondernemer een deugdelijk ondernemingsplan verlangd. Tevens is met het oog op deze risico’s de verplichting opgenomen dat de stagiaire een bepaalde financiële buffer beschikbaar heeft en houdt, bijvoorbeeld in de vorm van een krediet. Deze financiële buffer moet passend zijn. De passendheid en daarmee de minimale waarde van het krediet wordt bepaald door de raad van de orde. Een buffer van minder dan € 15.000 wordt niet passend geacht. De financiële buffer dient onder andere als waarborg voor de continuïteit van de bedrijfsvoering.

Het tweede lid stelt veilig dat de raad van de orde periodiek wordt geïnformeerd over de financiële situatie van de stagiaire-ondernemer. Hierdoor kan de raad van de orde, indien nodig, bij de patroon aandringen op betere begeleiding of maatregelen te nemen om te voorkomen dat de cliënten van de stagiaire-ondernemer gedupeerd raken. De verplichting tot medeondertekenen van de balans en winst- en verliesrekening door de patroon beoogt te bewerkstelligen dat de patroon zich vergewist van de financiële situatie van de stagiaire. De patroon dient overigens ook aan de stagiaire-ondernemer “leiding, voorlichting en raad” (artikel 3.13, eerste lid) te verschaffen. Daarnaast moet de patroon bij de begeleiding bijzondere aandacht schenken aan de deugdelijke financiële administratie door de stagiaire (artikel 3.13, vijfde lid). Uitdrukkelijk zij hierbij opgemerkt dat de patroon door medeondertekening niet medeaansprakelijk wordt. De ondertekening is ‘voor gezien’.

Paragraaf 3.1.4 Verplichtingen patroon

Aan de algemene raad wordt regelgevende bevoegdheid toegekend voor het maken van een opleidings-en examenreglement. De algemene raad kan voor de uitvoering van deze bevoegdheid gebruik maken van de expertise van de uitvoeringsorganisatie. Het reglement voorzien in een nadere regeling van de inhoud van het onderwijs, zoals de (keuze)vakken die worden aangeboden, de vereiste voorbereiding en de tijd die daarmee gemoeid is, en meer praktische, aan verandering onderhevige zaken, waarvoor regeling op het niveau van een reglement is aangewezen.

In het opleidings- en examenreglement wordt de concrete, praktische uitvoering van de beroepsopleiding beschreven. Waaronder de beoordeling van het huiswerk of de voorbereiding door de stagiaire en het daarmee verbonden toelaten tot het onderwijs of het als absent registreren van een stagiaire. Tevens wordt in het reglement de examencommissie ingesteld, die in stand gehouden wordt door de uitvoeringsorganisatie. De examencommissie krijgt in het reglement taken en bevoegdheden toebedeeld, door middel van delegatie of attributie, die verband houden met het examen. Te denken valt aan het toelaten tot het examen, de vaststelling van de inhoud van toetsen en het vaststellen van het cijfer.

Ook kan de algemene raad aan de examencommissie de bevoegdheid delegeren om het certificaat beroepsopleiding te verstrekken (artikel 3.21). Het behaald hebben van een certificaat beroepsopleiding is een krachtens de Advocatenwet gestelde voorwaarde om zelfstandig het beroep van advocaat te kunnen uitoefenen. Gelet hierop is de examencommissie een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onderdeel b, van de Awb; de commissie is immers met enig openbaar gezag bekleed. 

Artikel 3.13 Verplichtingen patroon
  1. De patroon geeft de stagiaire leiding, voorlichting en raad met betrekking tot de praktijkuitoefening in de ruimste zin van het woord. Hij schenkt daarbij bijzondere aandacht aan de introductie van de stagiaire bij en diens optreden jegens de rechterlijke macht, beroepsgenoten en cliënten. Hij bewaakt de ontwikkeling van de stagiaire op een systematische en structurele wijze.
  2. De patroon draagt er zorg voor dat de stagiaire de voor hem geldende verplichtingen nakomt, waaronder de verplichtingen, bedoeld in artikel 3.8 tot en met artikel 3.12, artikel 3.17 tot en met artikel 3.19 en artikel 2.28, en de maatregelen die door de algemene raad zijn vastgesteld, opleidingsmaatregelen daaronder begrepen.
  3. De werkgever stelt de stagiaire die bij hem de praktijk in dienst uitoefent en bij hem kantoor houdt, met behoud van diens salaris, in de gelegenheid gedurende kantooruren de in het tweede lid genoemde verplichtingen na te komen en de daarvoor noodzakelijke voorbereidingen te treffen.
  4. De patroon van de stagiaire die bij hem kantoor houdt, verschaft de stagiaire passende arbeid, met inachtneming van het tweede lid.
  5. De patroon schenkt bij de begeleiding van een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer bijzondere aandacht aan de inrichting van diens kantoor inclusief de dienstverlening aan de cliënt en de administratie, de boekhouding daaronder begrepen.
  6. De patroon informeert de raad van de orde indien de stagiaire de praktijk enige tijd niet uitoefent.
  7. De patroon van de stagiaire die:
    a. geen stagiaire-ondernemer is en bij hem kantoor houdt, brengt ten minste eenmaal per jaar schriftelijk verslag uit aan de raad van de orde omtrent het verloop van de stage, of zoveel vaker als de raad van de orde noodzakelijk acht;
    b. stagiaire-ondernemer of buitenstagiaire is, brengt ten minste eenmaal per zes maanden verslag uit aan de raad van de orde omtrent het verloop van de stage, of zoveel vaker als de raad van de orde noodzakelijk acht.
  8. De patroon werkt mee aan de opleiding van een stagiaire en verleent zijn medewerking tevens aan de opleidingsmaatregelen op grond van artikel 3.14, eerste lid.
  9. De patroon draagt er zorg voor dat de stagiaire ten minste drie keer een optreden in rechte van een advocaat in een procedure op tegenspraak bijwoont. De advocaat, bedoeld in de eerste volzin, is ten minste een aaneengesloten periode van vijf jaar in Nederland als advocaat ingeschreven of ingeschreven geweest. Indien de advocaat, bedoeld in de eerste volzin, is ingeschreven overeenkomstig artikel 2a van de Advocatenwet, bedraagt de periode, bedoeld in de tweede volzin, twee jaar.

In het zesde lid is een verplichting opgenomen voor de patroon om de raad van de orde te informeren over (langdurige) afwezigheid van de stagiaire. Van “enige tijd” is sprake als de afwezigheid langer is dan gebruikelijk. De praktijk wordt in elk geval “gedurende enige tijd” niet uitgeoefend indien de onderbreking drie maanden duurt. De patroon zal de raad van de orde moeten informeren op het moment dat hem duidelijk wordt dat de onderbreking van langere duur is. Deze informatieplicht heeft tot doel de raad van de orde te informeren over de werkzaamheden van de stagiaire. Daarmee wordt de raad van de orde in staat gesteld een afweging te maken over de praktijkervaring van de stagiaire. Die afweging betrekt de raad van de orde bij het besluit om de stage eventueel te verlengen. Daarnaast kan de raad van de orde informeren naar de reden van de afwezigheid en zo nodig maatregelen nemen. Indien de stagiaire langer dan drie maanden de praktijk niet uitoefent, is de stage van rechtswege opgeschort en wordt de stagiaire in beginsel de toegang tot het onderwijs van de beroepsopleiding ontzegd. Het achtste lid maakt het mogelijk om de patroon in te schakelen bij de beroepsopleiding. Zo kunnen er opleidingsonderdelen worden georganiseerd waar de stagiaire en de patroon gezamenlijk aan deelnemen.

Ter voorbereiding van het door een stagiaire in rechte optreden is het wenselijk dat hij eerst een optreden in rechte op tegenspraak bijwoont. Op grond van het negende lid draagt de patroon er zorg voor dat de stagiaire ten minste drie keer een optreden in rechte in een procedure op tegenspraak bijwoont. Het gaat daarbij om optreden door de patroon zelf, een kantoorgenoot of een andere advocaat. Daarbij wordt als eis gesteld dat de advocaat met wie de stagiaire meegaat, over een bepaalde mate van praktijkervaring beschikt, blijkend uit een periode van ten minste vijf jaar inschrijving als advocaat op het tableau. In het geval deze advocaat een EU-advocaat is, geldt, gelet op artikel 2a van de Advocatenwet, een periode van twee jaar.

Gelet op de aard van de verplichting is ervoor gekozen deze niet in te voegen als één van de vereisten voor het verkrijgen van de stageverklaring (zie artikel 3.2, eerste lid, van de Voda), maar als een verplichting voor de patroon.

Het ligt in de rede dat de patroon in het schriftelijke verslag, bedoeld in artikel 3.13, zevende lid, van de Voda aangeeft of hij heeft voldaan aan deze nieuwe verplichting.

 

Afdeling 3.2 Beroepsopleiding advocaten

In 2017 is de algemene raad gestart met een heroriëntatie op de beroepsopleiding advocaten. De algemene raad voelde noodzaak voor een vernieuwde beroepsopleiding vanwege een verdere diversiteit binnen de advocatuur, technologische ontwikkelingen en veranderende eisen en wensen vanuit de samenleving en de beroepsgroep zelf. Daarnaast is het verstandig om de opzet en inrichting van de beroepsopleiding periodiek te evalueren. Het is zaak om te komen tot een beroepsopleiding die nieuwe generaties advocaten goed voorbereidt op hun toekomst als advocaat binnen het Nederlandse rechtsbestel. Ook wil de algemene raad inspelen op ontwikkelingen binnen de juridische dienstverlening, zoals innovaties en benodigde digitale vaardigheden.

In het voorjaar van 2017 heeft de algemene raad eerste globale uitgangspunten voor een vernieuwde beroepsopleiding advocaten (met de werknaam BA2020) geformuleerd. Deze uitgangspunten sluiten aan bij de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de Nederlandse orde van advocaten om zorg te dragen voor een hoogwaardige beroepsopleiding die als bouwsteen dient voor een kwalitatief hoogwaardige en bestendige advocatuur.

Medio 2018 heeft de algemene raad na een brede oriëntatie en raadpleging van uiteenlopende organisaties meer concrete uitgangspunten vastgesteld voor de vernieuwde opleiding. De belangrijkste uitgangspunten zijn:

- een praktijkgerichte insteek met nadruk op vaardigheden in plaats van nadruk op juridisch‑inhoudelijke vakken;

- ethiek vormt een zwaartepunt in de nieuwe opleiding;

- het belang van onderwijs in groepen stagiaires van gemengde samenstelling;

- een curriculum moet flexibel kunnen inspelen op een veranderende samenleving (en markt);

- zo mogelijk een reductie van studiebelasting voor stagiaires en kantoren.

De algemene raad heeft zich bij de totstandkoming van de vernieuwde beroepsopleiding advocaten onder meer laten adviseren door de drie huidige onderwijsaanbieders, de combinatie CPO/Dialogue (de uitvoeringsorganisatie), de Law Firm School (LFS) en De Brauw.

Hoofdlijnen vernieuwde beroepsopleiding advocaten

De vernieuwde beroepsopleiding advocaten komt tegemoet aan trends als de toenemende differentiatie van de balie en de noodzaak tot (verdere) specialisatie. De opleiding sluit beter aan op de praktijk en levert een belangrijke bijdrage aan het verder verhogen van de kwaliteit van de advocatuur. Er worden geen concessies gedaan aan de kwaliteit van de opleiding bij het mogelijk verminderen van de studiebelasting.

De nadruk van de beroepsopleiding ligt op het in de praktijk kunnen toepassen van (juridisch-inhoudelijke) kennis en vaardigheden. De verbinding tussen de beroepsopleiding en het werken en leren in de praktijk is intensief. Een versterkt patronaat geldt daarbij als belangrijke voorwaarde.

Het belang van onderwijs in gemengde groepen (stagiaires uit kantoren van verschillende omvang, type praktijk en clientèle) is een van de uitgangspunten bij het ontwerp van de vernieuwde beroepsopleiding geweest: de gedachte dat stagiaires elkaar en elkaars praktijk leren kennen, van elkaar kunnen leren, en daarmee ook het gezamenlijk kunnen uitdragen van de advocatuurlijke kernwaarden (integriteit, onafhankelijkheid, betrouwbaarheid, partijdigheid en deskundigheid). Bovendien versterkt het de cohesie binnen de advocatuur.

Toetsing en monitoring van de voortgang

Omdat het karakter van de vernieuwde beroepsopleiding meer praktijk- en toepassingsgericht wordt, verandert ook de toetsing. Formele toetsing blijft beperkt tot de onderwijsonderdelen ethiek en de integratieve dagen. Om deze formele toetsmomenten heen vindt monitoring van de voortgang van de stagiaire plaats, door evaluatie- en feedbackmomenten bij opdrachten en oefeningen. De voortgang van de stagiaire wordt vastgelegd.

Hieronder wordt het aantal dagdelen weergegeven voor de verschillend onderdelen van de BA2020. Bij de genoemde dagdelen gaat het om voorbereiding, onderwijs en toetsing.

OnderwijsonderdelenAantal dagdelen uitvoeringsorganisatieAantal dagdelen geaccrediteerde aanbieder(s)
Basistest1[1] 
Ethiek29 
Algemene vaardigheden11 
Kantoorspecifieke vaardigheden1818
Juridisch-inhoudelijke kennis en voorbereiding van integratieve dagen4242
Integratieve dagen (2)4 
Totaal10560

[1] De basistest wordt namens de NOvA aangeboden door een gespecialiseerde aanbieder, niet zijnde de uitvoeringsorganisatie. 

Adviescommissie beroepsopleiding advocaten

De algemene raad beoogt uitdrukkelijk de regie te voeren op de inrichting en aansturing van de beroepsopleiding advocaten, alsmede op de communicatie daaromheen. Het doel is ook om de beroepsopleiding zo nodig aan te passen wanneer dat nodig is, bijvoorbeeld op grond van nieuwe ontwikkelingen en (tussentijdse) evaluaties. De algemene raad wordt daartoe geadviseerd door een nieuw in het leven geroepen adviescommissie beroepsopleiding advocaten.

De adviescommissie beroepsopleiding advocaten heeft als taak de algemene raad te adviseren over de kwaliteit en de uitvoering van de beroepsopleiding advocaten, alsmede gevraagd en ongevraagd te adviseren over de beroepsopleiding advocaten zelf. Onder laatstgenoemde taak valt het adviseren over het ‘up to date’ houden van de beroepsopleiding.

De adviescommissie beroepsopleiding advocaten krijgt een brede samenstelling uit de advocatuur (met onder andere de Stichting Jonge Balie Nederland), het onderwijs en de rechterlijke macht en adviseert vanuit een onafhankelijke positie over met name het curriculum en de toekomstbestendigheid en kwaliteit van de beroepsopleiding. Een brede samenstelling biedt de mogelijkheid om op systematische wijze en door afstemming tussen de diverse betrokkenen, de kwaliteit van de beroepsopleiding advocaten op het gewenste niveau te brengen en te houden. Ook kan de inbreng van de aanbieders van de beroepsopleiding worden ‘beoordeeld’ aan de opvattingen vanuit het regulier wetenschappelijk onderwijs.

Overgangsrecht

Het eerste cohort van de vernieuwde beroepsopleiding advocaten zal aanvangen in maart 2021. Voor de stagiaires die uiterlijk in september 2020 de huidige beroepsopleiding advocaten beginnen en nadien zonder onderbreking op het tableau staan ingeschreven, blijven de regels omtrent de bestaande beroepsopleiding advocaten van toepassing (zie artikel 9.2a). Het overgangsrecht heeft eerbiedigende werking. Stagiaires worden in de gelegenheid gesteld de door hen aangevangen beroepsopleiding binnen de reguliere duur af te ronden. Ook op de patroon van een stagiaire voor wie het overgangsrecht geldt, is het oude recht van toepassing.

Het tweede lid biedt de mogelijkheid om een stagiaire die zonder onderbreking op het tableau staat ingeschreven en op 1 september 2023 het certificaat van de huidige beroepsopleiding advocaten nog niet heeft behaald, alternatieve maatregelen aan te bieden ter afronding van die beroepsopleiding. Met de uitvoeringsorganisatie worden afspraken gemaakt over het vorenstaande. Het opleggen van de alternatieve maatregelen is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De aard van deze maatregelen is afhankelijk van nog niet behaalde toetsen en deelgenomen onderdelen van de opleiding. Als deze alternatieve maatregelen zijn voltooid, ontvangt de stagiaire alsnog het certificaat beroepsopleiding advocaten.

Voor een geaccrediteerde opleidingsinstelling is in artikel 9.2b van de Voda geregeld dat de voor deze instelling geldende bestaande regels, zoals deze luidden op de dag voor inwerkingtreding van de wijzigingsverordening, blijven gelden voor de resterende duur van de accreditatie.

Op de accreditatie voor de vernieuwde beroepsopleiding is het bepaalde bij of krachtens het nieuwe artikel 3.25 van de Voda van toepassing.

Indien een stagiaire reeds in het bezit is van het certificaat beroepsopleiding op grond van de huidige beroepsopleiding advocaten, gelden voor hem de huidige regels omtrent het voltooien van de stage. Zo zal deze stagiaire moeten voldoen aan de – in het huidige artikel 3.9 van de Voda vastgestelde – praktijkervaringseisen. Dit volgt uit artikel 9.2a, eerste lid.

Artikel 3.14 Indeling beroepsopleiding advocaten

  1. De beroepsopleiding advocaten omvat:
    1. een voorportaal, bestaande uit een basistest en eventueel studiebegeleiding;
    2. onderwijsonderdelen, bestaande uit:
      1°. ethiek;
      2°. algemene vaardigheden;
      3°. kantoorspecifieke vaardigheden;
      4°. juridisch-inhoudelijke kennis; en
      5°. voorbereiding integratieve dagen.
  2. Een negatieve uitkomst van de basistest in het voorportaal vormt geen belemmering voor het volgen van de onderwijsonderdelen van de beroepsopleiding advocaten.
  3. De beroepsopleiding advocaten vangt tweemaal per jaar aan.

Aan de algemene raad wordt regelgevende bevoegdheid toegekend voor het maken van een opleidings-en examenreglement. De algemene raad kan voor de uitvoering van deze bevoegdheid gebruik maken van de expertise van de uitvoeringsorganisatie. Het reglement voorzien in een nadere regeling van de inhoud van het onderwijs, zoals de (keuze)vakken die worden aangeboden, de vereiste voorbereiding en de tijd die daarmee gemoeid is, en meer praktische, aan verandering onderhevige zaken, waarvoor regeling op het niveau van een reglement is aangewezen.

In het opleidings- en examenreglement wordt de concrete, praktische uitvoering van de beroepsopleiding beschreven. Waaronder de beoordeling van het huiswerk of de voorbereiding door de stagiaire en het daarmee verbonden toelaten tot het onderwijs of het als absent registreren van een stagiaire. Tevens wordt in het reglement de examencommissie ingesteld, die in stand gehouden wordt door de uitvoeringsorganisatie. De examencommissie krijgt in het reglement taken en bevoegdheden toebedeeld, door middel van delegatie of attributie, die verband houden met het examen. Te denken valt aan het toelaten tot het examen, de vaststelling van de inhoud van toetsen en het vaststellen van het cijfer.

Ook kan de algemene raad aan de examencommissie de bevoegdheid delegeren om het certificaat beroepsopleiding te verstrekken (artikel 3.21). Het behaald hebben van een certificaat beroepsopleiding is een krachtens de Advocatenwet gestelde voorwaarde om zelfstandig het beroep van advocaat te kunnen uitoefenen. Gelet hierop is de examencommissie een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onderdeel b, van de Awb; de commissie is immers met enig openbaar gezag bekleed. 

Artikel 3.15 Curriculum en opleidingsreglement

  1. De algemene raad stelt het curriculum vast. Het curriculum bevat:
    1. de inhoud van de onderdelen van de beroepsopleiding advocaten, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b;
    2. nadere regels over de onderwijsonderdelen en de omvang ervan;
    3. de eindtermen;
    4. nadere invulling van de onderdelen van het examen.
  2. De algemene raad stelt een opleidingsreglement vast met de procedures en rechten en plichten met betrekking tot de beroepsopleiding advocaten.
  3. In het opleidingsreglement kunnen taken worden opgedragen en bevoegdheden betreffende het onderwijs worden toegekend aan onderwijsaanbieders.

Artikel 3.15a Examenreglement

  1. De algemene raad stelt een examenreglement vast over:
    1. de inrichting en de organisatie van de basistest en het examen, bedoeld in artikel 3.19;
    2. de wijze waarop daaraan kan worden deelgenomen;
    3. de wijze waarop de basistest en het examen wordt afgenomen;
    4. de wijze waarop en de termijn waarbinnen de uitslag bekend wordt gemaakt alsmede of en op welke wijze van deze termijn kan worden afgeweken;
    5. de wijze waarop en de termijn gedurende welke de stagiaire die de basistest of een onderdeel van het examen heeft afgelegd, inzage verkrijgt in zijn beoordeelde werk;
    6. de mogelijkheid van een herbeoordeling van het examen;
    7. de geldigheidsduur van de studieresultaten;
    8. de instelling, de samenstelling en de taken van de examencommissie.
  2. De examencommissie heeft in ieder geval tot taak op objectieve en deskundige wijze vast te stellen of een stagiaire voldoet aan de eindtermen en de uit het opleidingsreglement voortvloeiende opleidingsverplichtingen die nodig zijn voor het verkrijgen van het certificaat, bedoeld in artikel 3.21, eerste lid.
  3. De algemene raad kan in het examenreglement bevoegdheden betreffende het examen delegeren of toekennen aan de examencommissie.

Artikel 3.16 Toelating tot beroepsopleiding advocaten

  1. Een stagiaire schrijft zich voor of bij aanvang van de stage bij de uitvoeringsorganisatie in voor de beroepsopleiding advocaten via de Nederlandse orde van advocaten. Indien een stagiaire voorafgaand aan de aanvang van de beroepsopleiding de basistest heeft afgelegd, legt hij bij de inschrijving, doch uiterlijk voor aanvang van de beroepsopleiding hiervan een bewijsstuk over aan de algemene raad. Het bewijsstuk dient bij aanvang van de beroepsopleiding advocaten niet ouder te zijn dan één jaar.
  2. Een stagiaire is toegelaten tot de beroepsopleiding advocaten en wordt in staat gesteld het onderwijs te volgen indien en voor zo lang:
    1. hij is ingeschreven op het tableau;
    2. de stage voortduurt;
    3. het cursus- en examengeld binnen de betalingstermijn is voldaan; en
    4. de algemene raad de deelname aan de beroepsopleiding advocaten niet heeft beëindigd wegens fraude.
  3. Een stagiaire die niet meer is toegelaten tot de beroepsopleiding advocaten behoudt zijn toetskansen.
  4. De algemene raad stelt nadere regels vast omtrent het bewijsstuk, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin.
  5. De algemene raad kan van het tweede lid, aanhef en onderdelen b en c, afwijken in gevallen waarin toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Dit artikel beschrijft de vereisten voor de toegang tot het onderwijs van de beroepsopleiding. In het eerste lid is geregeld dat de stagiaire zich inschrijft bij de uitvoeringsorganisatie. Hiermee komt een civielrechtelijke overeenkomst tot stand. De Nederlandse orde van advocaten fungeert als tussenpersoon, zodat de Nederlandse orde van advocaten direct op de hoogte is welke personen deelnemen aan de beroepsopleiding en deze om administratieve redenen te kunnen volgen. Indien de stagiaire voorafgaand aan de aanvang van de beroepsopleiding de basistest heeft afgelegd, moet de stagiaire bij inschrijving (of in ieder geval voor aanvang van de beroepsopleiding) een bewijsstuk hiervan overleggen. Dit bewijsstuk moet worden overgelegd aan de algemene raad. Het tweede lid regelt een publiekrechtelijke toelating.  

De stagiaire dient zich, in het belang van een efficiënte organisatie, zo snel mogelijk in te schrijven voor de beroepsopleiding. De inschrijving geschiedt door middel van een door de uitvoeringsorganisatie beschikbaar gesteld formulier. Bij de inschrijving zal de stagiaire worden gevraagd een keuze te doen voor de vakinhoudelijke leerlijn (de major), die bestaat uit een van de in artikel 3.15, eerste lid, genoemde hoofdrichtingen. Voor het tweede en derde jaar wordt de stagiaire in de loop van het eerste jaar gevraagd om zijn keuzevakken aan te geven.

Het tweede lid bepaalt de toegangscriteria. Het eerste criterium is dat de stagiaire is ingeschreven op het tableau. Het tweede criterium is dat de stage voortduurt. Als de stagiaire bijvoorbeeld geen patroon meer heeft of de stagiaire is gestopt met de uitoefening van de praktijk, mag hij geen onderwijs meer volgen. Reden hiervoor is dat de vakken en cursussen van de beroepsopleiding voortbouwen op de in de praktijk opgedane kennis. Dit neemt niet weg dat een stagiaire van wie de stage is opgeschort, wel de toetsen moet kunnen afleggen. Dit is nodig om de voortgang in de beroepsopleiding te behouden. Indien de stagiaire niet in staat is om toetsen af te leggen, kan hij een beroep doen op de hardheidsclausule van artikel 3.19, negende lid, om zijn toetskans te behouden. De stagiaire die het verschuldigde onderwijs- en examengeld niet heeft betaald kan eveneens de toelating tot de beroepsopleiding worden ontzegd. Voordat hiertoe wordt overgegaan wordt de stagiaire meerdere malen aangemaand tot betaling met een uitleg over de gevolgen. De stagiaire die fraude pleegt kan eveneens de toegang tot de beroepsopleiding worden ontzegd. Dit is nader geregeld in het examenreglement.

Het derde lid stelt veilig dat een stagiaire voor elk vak in totaal drie toetskansen heeft, ook als hij op grond van dit artikel niet meer toegelaten is tot de beroepsopleiding en om die reden toetsgelegenheden voorbij moet laten gaan. Deze stagiaire verliest daardoor geen toetskansen.

Deze situatie moet worden onderscheiden van die van artikel 3.17. Als de stagiaire is toegelaten tot het onderwijs, maar het onderwijs niet volgt, dan volgt uit artikel 3.17, derde lid, dat de toetskansen in de desbetreffende periode wel verloren gaan.

Artikel 3.17 Deelname onderwijs

  1. De stagiaire neemt deel aan alle in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, bedoelde onderdelen van de beroepsopleiding advocaten.
  2. In afwijking van het eerste lid neemt de stagiaire, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, tweede volzin, deel aan het in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde onderdeel van de beroepsopleiding.
  3. De stagiaire neemt deel aan de eerste cyclus van de beroepsopleiding advocaten die na aanvang van de stage wordt aangeboden.
  4. De stagiaire die niet direct na aanvang van de stage deelneemt aan de beroepsopleiding advocaten, wordt geacht de aangeboden toetsen niet te hebben behaald.
  5. De algemene raad kan van het derde en vierde lid afwijken indien toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

De stagiaire is verplicht om deel te nemen aan het onderwijs, tenzij het opleidingsreglement anders bepaalt. Voorts moet de stagiaire zich op de voorgeschreven wijze voorbereiden. Hij heeft dus de voorgeschreven literatuur gelezen en eventuele opdrachten gemaakt.

Het tweede lid bepaalt dat de stagiaire aan het onderwijs van de eerste cyclus deelneemt die volgt op zijn beëdiging of, liever gezegd, op de aanvang van zijn stage. De uitvoeringsorganisatie roostert de stagiaire in voor de lesmomenten en vakken. Voldoet de stagiaire niet aan deze verplichting en kan hij zich niet op een geldige verhindering beroepen, dan wordt hij uitgesloten van de daarbij behorende toets. Hij zal dan het onderwijs, in beginsel een half jaar later, moeten volgen en de daarop volgende toets moeten doen. Haalt de stagiaire die toets niet, dan resteert hem nog één toetskans. Indien de stagiaire het onderwijs volgt bij een geaccrediteerde opleiding, dient hij dat onderwijs evenzeer bij te wonen. De opleidingsinstelling geeft over het gevolgde onderwijs een verklaring af aan de stagiaire.

Artikel 3.18 Vrijstelling deelname onderwijsonderdelen

Vervallen

Artikel 3.19 Examinering

  1. Aan de beroepsopleiding advocaten is een examen verbonden dat bestaat uit een aantal toetsen ten aanzien van de onderwijsonderdelen. De basistest is geen toets als bedoeld in de eerste volzin.
  2. De stagiaire neemt deel aan de eerste toetsgelegenheid van het onderwijsonderdeel.
  3. Indien de toets, bedoeld in het tweede lid, niet is behaald neemt de stagiaire deel aan de eerstvolgende gelegenheid die wordt geboden.
  4. De stagiaire kan per onderdeel ten hoogste driemaal een toets afleggen.
  5. Indien de stagiaire geen gebruik maakt van de voor hem geldende gelegenheid, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt de toets als niet behaald beschouwd.
  6. De algemene raad kan afwijken van het vierde en vijfde lid in gevallen waarin toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Aan de beroepsopleiding advocaten is een examen verbonden. Dit examen bestaat uit een aantal toetsen ten aanzien van onderwijsonderdelen die met goed gevolg moeten worden behaald. Eerst als de stagiaire alle toetsen heeft behaald, kan het certificaat beroepsopleiding advocaten worden verstrekt.

De stagiaire dient gebruik te maken van de eerste aangeboden gelegenheid tot het afleggen van een toets. Een toets kan ter afsluiting van een onderwijsonderdeel, maar ook in het onderwijsonderdeel worden aangeboden. Uit het vierde lid volgt dat als een toets niet is behaald, twee herkansingen resteren. De stagiaire dient van de eerst aangeboden herkansingsgelegenheid gebruik te maken. Wordt de toets ook dan niet gehaald, dan hoeft de stagiaire een nieuwe herkansingsmogelijkheid niet direct te benutten.

De mogelijkheid voor de algemene raad om bij onbillijkheid van overwegende aard af te wijken van bepaalde regels over de toetsen blijft behouden (zie zesde lid).

Artikel 3.20 Vrijstelling van het examen

Vervallen

Artikel 3.21 Certificaat

  1. De algemene raad verstrekt aan de stagiaire het certificaat beroepsopleiding advocaten.
  2. De algemene raad geeft geen certificaat af dan nadat:
    1. de algemene raad heeft vastgesteld dat de stagiaire heeft deelgenomen aan de basistest, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, onderdeel a; en
    2. de examencommissie heeft geoordeeld dat de stagiaire alle toetsen als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, met goed gevolg heeft afgelegd; en
    3. de onderwijsaanbieder of onderwijsaanbieders hebben verklaard dat de stagiaire aan alle opleidingsverplichtingen heeft voldaan.

Voor het verkrijgen van de stageverklaring op grond van artikel 3.2 is een certificaat beroepsopleiding advocaten vereist. Het certificaat beroepsopleiding wordt op grond van het examenreglement, bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, verstrekt door de examencommissie, en dient als bewijsmiddel dat de stagiaire de opleiding met gunstig gevolg heeft afgelegd. Dat bewijs is tevens relevant in het kader van artikel 8c, derde lid, van de Advocatenwet.

Aangezien de basistest een diagnostisch karakter heeft, heeft de uitslag van de basistest geen invloed op het al dan niet toegang krijgen tot de beroepsopleiding advocaten. Wél is het afgelegd hebben van de basistest een vereiste. Aangezien de basistest geen onderdeel uitmaakt van het door een van de onderwijsaanbieders verzorgd onderwijs, en het ook geen onderdeel is van het ter beoordeling van de examencommissie afgenomen examen, is het aan de algemene raad om vast te stellen dat de advocaat-stagiaire de basistest heeft afgelegd, waarbij bovendien geldt dat het certificaat basistest – gedateerd op de dag van afleggen van de basistest - bij aanvang van de beroepsopleiding niet ouder dan één jaar is.

Artikel 3.22 Terme de grâce

  1. De algemene raad kan een stagiaire die is geschrapt op grond van artikel 8c, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Advocatenwet, desgevraagd, binnen twee jaar na de schrapping, nog ten hoogste tweemaal toelaten tot een toets in de nog niet behaalde examenonderdelen voor de onderwijsonderdelen, tenzij daardoor het aantal gelegenheden, bedoeld in artikel 3.19, vierde lid, wordt overschreden.
  2. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts ingewilligd indien:
    1. het onderwijs in het onderdeel van de beroepsopleiding advocaten waarop het verzoek ziet, is gevolgd; en
    2. de afwijzing naar het oordeel van de algemene raad zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Na schrapping van het tableau omdat het certificaat beroepsopleiding niet tijdig is behaald, kan een (gewezen) stagiaire de algemene raad verzoeken om nog een toets te mogen afleggen. Het maximum aantal toetskansen dat is opgenomen in artikel 3.19, zesde lid, mag niet worden overschreden. Derhalve kan alleen een (gewezen) stagiaire die nog niet drie toetsen in een onderdeel heeft afgelegd, de algemene raad verzoeken hem toe te laten tot de toetsen. De stagiaire zou op die manier alsnog het examen kunnen halen en het certificaat beroepsopleiding kunnen krijgen. Hij moet dan wel het onderwijs hebben gevolgd of daarvoor een vrijstelling hebben gekregen. De stagiaire zal in zijn verzoek de omstandigheden en gronden moeten aanvoeren waarom het certificaat niet tijdig is behaald.

Als deze omstandigheden van zodanige aard zijn dat het onthouden van deze kans onbillijk zou zijn, kan de algemene raad de kans verlenen. De toetskans moet binnen twee jaar na schrapping plaatsvinden. De stagiaire moet het verzoek daartoe ruim daarvoor hebben gedaan

Afdeling 3.2a Kwaliteits- en accreditatiekader beroepsopleiding advocaten

Artikel 3.22a

De algemene raad stelt een kwaliteits- en accreditatiekader vast voor de onderwijsaanbieders die de beroepsopleiding advocaten of onderdelen daarvan verzorgen. Het kwaliteits- en accreditatiekader omvat regels over:

  1. de beoordeling van bestaande onderwijsaanbieders;
  2. de accreditatie van nieuwe onderwijsaanbieders;
  3. beoordelingsstandaarden.

Artikel 3.22a biedt de grondslag voor een kwaliteits- en accreditatiekader, om regels te stellen over diverse onderwerpen, die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit van de beroepsopleiding advocaten. Deze regels gelden naast het door de algemene raad vastgestelde curriculum en opleidingsreglement.

Afdeling 3.3 Organisatie beroepsopleiding advocaten

Artikel 3.23 Aanbieder basistest

De Nederlandse orde van advocaten sluit een overeenkomst met een aanbieder over de uitvoering van de basistest.

De huidige uitvoeringsorganisatie, een combinatie van CPO van de Radboud Universiteit en Dialogue B.V., heeft aangegeven de basistest niet te willen verzorgen. Artikelen 3.23 en 3.24 bieden een grondslag om een overeenkomst te sluiten met een aanbieder voor de basistest.

Artikel 3.24 Uitvoeringsorganisatie beroepsopleiding advocaten

De Nederlandse orde van advocaten sluit een overeenkomst met een uitvoeringsorganisatie over de uitvoering van de beroepsopleiding advocaten, met uitzondering van de basistest.

Dit artikel geeft de algemene raad de taak om een organisatie aan te wijzen die de kwaliteit van de opleiding controleert en beoordeelt. Deze organisatie adviseert aan de algemene raad en aan de uitvoeringsorganisatie.

Op dit moment is de Stichting beroepsopleiding advocaten door de algemene raad aangewezen als de organisatie die deze taak heeft.

Een van de taken van de stichting is haar betrokkenheid bij het vaststellen van de eindtermen van het onderwijs van de beroepsopleiding advocaten door het uitbrengen van advies. De werkzaamheden van de stichting behoeven niet enkel te zien op de uitvoeringsorganisatie, maar zouden ook kunnen zien op de geaccrediteerde opleidingsinstellingen. In dat geval zal dat wel als voorwaarde bij de accreditatie moeten worden gesteld. 

Afdeling 3.4 Accreditatie beroepsopleiding advocaten

Artikel 3.25 Accreditatie beroepsopleiding advocaten

  1. Een opleidingsinstelling die de onderwijsonderdelen, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 3°, 4° en 5°, aan wil bieden, doet een aanvraag om de opleiding te accrediteren bij de algemene raad.
  2. De aanvraag wordt in ieder geval vergezeld van een beschrijving van de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.22a.
  3. De algemene raad verleent de accreditatie indien:
    1. de opleiding de onderwijsonderdelen, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 3°, 4° en 5°, omvat;
    2. de opleidingsinstelling en de opleiding voldoen aan het door de algemene raad vastgestelde kwaliteits- en accreditatiekader, bedoeld in artikel 3.22a; en
    3. de continuïteit van het onderwijs is gewaarborgd.
  4. Accreditatie wordt voor ten hoogste zes jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste zes jaar worden verlengd.
  5. De algemene raad kan voorwaarden verbinden aan de accreditatie.
  6. De algemene raad kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure omtrent het verlenen en verlengen van de accreditatie.
  7. De algemene raad kan de accreditatie intrekken indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan de bij of krachtens het derde en vijfde lid gestelde regels, dan wel de opleidingsinstelling of de inhoud van de opleiding anderszins niet voldoen.

Een opleidingsinstelling kan geaccrediteerd worden om de onderwijsonderdelen ‘kantoorspecifieke vaardigheden’, ‘juridisch-inhoudelijke kennis’ én ‘voorbereiding integratieve dagen’ te mogen aanbieden.

Bij de aanvraag dient in ieder geval een beschrijving van de in artikel 3.22a beschreven onderwerpen te worden overlegd.

Op grond van het zesde lid worden regels gesteld over het proces van de aanvraag van de accreditatie. Het voornemen is om voor de materiële eisen te verwijzen naar het krachtens artikel 3.22a vastgestelde kwaliteits- en accreditatiekader.

De algemene raad verleent de accreditatie indien de opleiding de onderwijsonderdelen, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 3°, 4° én 5°, omvat, de opleidingsinstelling en de opleiding voldoen aan de door de algemene raad vastgestelde kwaliteits- en accreditatiekader, bedoeld in het 3.22a, en de continuïteit van het onderwijs is gewaarborgd. Dat een accreditatie ziet op de onderwijsonderdelen ‘kantoorspecifieke vaardigheden’, ‘juridisch-inhoudelijke kennis’ en ‘voorbereiding integratieve dagen’ gezamenlijk houdt verband met de wens om samenhang te borgen.

Aan een geaccrediteerde opleidingsinstelling kunnen op grond van artikel 3.15, derde lid, van de Voda taken en bevoegdheden betreffende voornoemde onderwijsonderdelen worden overgedragen.

Naast voornoemde onderwijsonderdelen bestaat de beroepsopleiding advocaten uit een voorportaal en de onderwijsonderdelen ‘ethiek’, ‘algemene vaardigheden’ en ‘integratieve dagen’. Deze onderdelen worden uitsluitend verzorgd door de uitvoeringsorganisatie, met uitzondering van de basistest, die door een andere aanbieder wordt verzorgd.

Hoofdstuk 4 Vakbekwaamheid van de advocaat

Afdeling 4.1 Vakbekwaamheid

Paragraaf 4.1.1 Algemeen

Artikel 4.1 Deskundigheid
  1. Een advocaat is bij de uitoefening van zijn beroep vakbekwaam, waaronder wordt begrepen dat de advocaat de professionele kennis en kunde bezit die nodig is voor het uitoefenen van de praktijk.
  2. Een advocaat neemt alleen zaken aan waarvoor hij de deskundigheid bezit dan wel waarvoor hij gebruik maakt van de deskundigheid van een ander.

Een goede en efficiënte rechtsbedeling vergt een hoge mate van vakbekwaamheid van advocaten. Dit artikel bepaalt dat elke advocaat vakbekwaam dient te zijn. Onder vakbekwaamheid wordt verstaan de professionele kennis en kunde die nodig is voor de uitoefening van de praktijk. Dat houdt in dat de advocaat gedegen kennis heeft van het materiële en formele recht op de rechtsgebieden waarop hij de praktijk uitoefent. Tevens bezit de advocaat de kunde, dat wil zeggen de vaardigheden, die hij nodig heeft om de praktijk naar behoren uit te oefenen.

Het tweede lid impliceert dat een advocaat zich ervan bewust moet zijn dat hij de expertise op een bepaald terrein niet bezit. In dat geval zal de advocaat gebruik maken van een ander die wel ter zake deskundig is. Dat kan zien op juridische kennis, kennis van het beroep advocaat, maar ook op technische of theoretische kennis op een ander terrein, bijvoorbeeld accountancy.

Omdat advocaat-stagiaires nog niet in staat zijn om de praktijk zelfstandig uit te oefenen, ziet het tweede lid ook op hen. Zo nodig kunnen zij een beroep doen op de deskundigheid van de patroon of van kantoorgenoten.

Paragraaf 4.1.2 Professionele kennis en kunde

Artikel 4.2 Reikwijdte
  1. Deze paragraaf is van toepassing op de advocaat die al dan niet onderbroken drie jaar of langer op het tableau is ingeschreven. In afwijking van de eerste volzin is artikel 4.3a, eerste lid en artikel 4.4, tweede lid, van toepassing op de advocaat die onvoorwaardelijk op het tableau is ingeschreven.
  2. In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf van toepassing op een advocaat die is ingeschreven op basis van een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties of op grond van artikel 16h van de Advocatenwet is ingeschreven.

Deze paragraaf, met uitzondering van artikel 4.4, tweede lid, heeft betrekking op alle advocaten die al dan niet onderbroken ten minste drie jaar op het tableau staan. Of iemand stagiaire is of in deeltijd werkt, is voor de toepassing van deze paragraaf niet relevant. Voor de berekening van de termijn van drie jaar wordt gekeken naar de eerste inschrijving op het tableau. Dit betekent dat een advocaat die zich bijvoorbeeld een jaar na beëdiging laat schrappen en na twee jaar herintreedt, op dat moment moet voldoen aan de in deze paragraaf opgenomen bepalingen. De eerste drie jaar dat een advocaat op het tableau staat geldt deze paragraaf nog niet, omdat hij geacht wordt de beroepsopleiding te volgen die drie jaar duurt. Voor EU-advocaten die op grond van artikel 16h van de Advocatenwet ingeschreven staan en advocaten die zijn ingeschreven op basis van een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, is deze paragraaf direct van toepassing.

Uitzondering geldt voor de verplichte opleidingspunten voor rechtsgebieden (artikel 4.4, tweede lid). Deze verplichting geldt voor de advocaat die onvoorwaardelijk op het tableau is ingeschreven en in het desbetreffende jaar ten minste zes maanden is ingeschreven. De rechtzoekende is gebaat bij een goed zoekregister waarin duidelijk zichtbaar is op welke rechtsgebieden advocaten werkzaam zijn. Het dient daarbij te gaan om advocaten die in staat zijn zelfstandig en naar behoren de praktijk uit te oefenen. Een advocaat die voorwaardelijk is ingeschreven (de stagiaire), voldoet hier (nog) niet aan. De verplichting om opleidingspunten voor rechtsgebieden te behalen geldt derhalve niet voor de advocaat die voorwaardelijk op het tableau is ingeschreven.

Artikel 4.3 Professionele kennis en kunde

De advocaat onderhoudt en ontwikkelt jaarlijks aantoonbaar zijn professionele kennis en kunde op voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden.

De verplichting die in dit artikel is beschreven omvat meer dan de bepalingen die volgen in artikel 4.4 en verder. Er rust op de advocaat een algemene verplichting om zijn kennis te onderhouden en te ontwikkelen ten behoeve van een goede dienstverlening aan zijn cliënten, de rechtzoekenden.

Artikel 4.3a Kwaliteitstoetsen
  1. Een advocaat is verplicht ieder kalenderjaar, en voor het eerst het kalenderjaar volgend op de onvoorwaardelijke inschrijving op het tableau, deel te nemen aan kwaliteitstoetsen door:
    1. intervisie ofwel onder begeleiding van een gespreksleider ofwel als gespreksleider die is aangewezen als deskundige als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Advocatenwet, gedurende ten minste acht uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag; of
    2. peer review door een reviewer die is aangewezen als deskundige als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Advocatenwet, gedurende ten minste vier uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag.
  2. De algemene raad stelt nadere regels over:
    1. de vereisten aan intervisie en peer review; en
    2. de vereisten aan de aanwijzing, de intrekking van de aanwijzing en de registratie van gespreksleiders en reviewers.

De verplichting die in dit artikel wordt beschreven omvat de verplichting aan advocaten om ieder jaar deel te nemen aan kwaliteitstoetsen door intervisie of peer review. Het betreft een keuze voor intervisie gedurende acht uur per jaar of peer review gedurende vier uur per jaar. Aan de verplichting kan worden voldaan door intervisie te combineren met de vorm gestructureerd intercollegiaal overleg. De verplichting intervisie kan niet worden gecombineerd met peer review. Met andere woorden: voor de verplichting inzake kwaliteitstoetsen kan bijvoorbeeld vier uur intervisie aangevuld worden met vier uur gestructureerd intercollegiaal overleg. Maar twee uur peer review kan niet worden aangevuld met zes uur intervisie. Na vier uur peer review is voldaan aan de eis van artikel 4.3a, waarna uiteraard aanvullend aan bijvoorbeeld intervisie kan worden deelgenomen. De reden hiervoor is dat voldoende inhoud aan de gekozen vorm peer review wordt gegeven. Deze regeling geldt overigens ook voor de vorm van gestructureerd intercollegiaal overleg uit artikel 4.3b met de vorm peer review, die kunnen ook niet worden gecombineerd. Aan de vormen intervisie en gestructureerd intercollegiaal overleg (artikel 4.3b) kan ook online worden deelgenomen.  

De verplichting van artikel 4.3a geldt voor ieder kalenderjaar en voor het eerst het kalenderjaar volgend op de onvoorwaardelijke inschrijving op het tableau. Voor advocaten die gedurende het jaar onvoorwaardelijk op het tableau komen, dus advocaat-stagiaires en herintreders (die mogelijk al eerder onvoorwaardelijk op het tableau zijn ingeschreven), geldt dat de verplichting pas ingaat het jaar na de onvoorwaardelijke inschrijving. De advocaat, die na zijn stage of als herintreder gedurende het jaar onvoorwaardelijk op het tableau wordt ingeschreven, heeft immers geen kalenderjaar meer om te kunnen voldoen aan de kwaliteitstoetsen. Voorts leidt het gedurende het jaar aansluiten bij bijvoorbeeld een intervisiegroep ook tot praktische bezwaren. Om die reden is ervoor gekozen de verplichting voor die advocaten te laten ingaan het jaar volgend op de onvoorwaardelijke inschrijving. Dat neemt niet weg dat advocaat-stagiaires en herintreders al eerder kunnen starten met kwaliteitstoetsen.

Artikel 4.3b Gestructureerd intercollegiaal overleg
  1. In plaats van de in artikel 4.3a, eerste lid, bedoelde verplichting kan een advocaat deelnemen aan gestructureerd intercollegiaal overleg onder begeleiding van een begeleider, gedurende ten minste acht uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag.
  2. De algemene raad stelt nadere regels over:
    1. de vereisten aan gestructureerd intercollegiaal overleg; en
    2. de vereisten aan begeleiders.

Een alternatief voor de verplichting uit hoofde van artikel 4.3a is het deelnemen aan gestructureerd intercollegiaal overleg gedurende acht uur per jaar. Ook voor deze vorm geldt dat deze vorm niet kan worden gecombineerd met de vorm peer review uit artikel 4.3a, zodanig dat nog niet aan de minimale ureneis is voldaan. Met andere woorden: voor het alternatief van gestructureerd intercollegiaal overleg kan 6 uur intercollegiaal overleg niet worden aangevuld met twee uur peer review. Na acht uur gestructureerd intercollegiaal overleg is voldaan aan het alternatief van artikel 4.3b. De reden hiervoor is dat voldoende inhoud aan de gekozen vorm wordt gegeven. Wel kan de vorm gestructureerd intercollegiaal overleg gecombineerd worden met de vorm intervisie. 

Artikel 4.4 Opleidingspunten
  1. Een advocaat behaalt elk kalenderjaar ten minste twintig opleidingspunten, waarvan ten minste de helft betrekking heeft op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied.
  2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid behaalt de advocaat die ten minste zes maanden is ingeschreven, elk kalenderjaar ten minste tien opleidingspunten op ieder rechtsgebied waarop hij zich het daaropvolgende kalenderjaar gaat registreren als bedoeld in artikel 6.32.
  3. Indien deze paragraaf in een kalenderjaar korter dan elf maanden van toepassing is op een advocaat, wordt het aantal opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid naar rato verminderd.
  4. Een advocaat die ten minste tien opleidingspunten heeft behaald die betrekking hebben op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied kan een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in het eerste en tweede lid, tot een maximum van tien punten compenseren met een overschot aan punten dat hij in het voorafgaande kalenderjaar heeft behaald. Een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in het tweede lid kan uitsluitend worden gecompenseerd met opleidingspunten op hetzelfde rechtsgebied.
  5. Een advocaat behaalt één opleidingspunt door:
    1. ieder heel uur dat hij academisch of postacademisch onderwijs heeft gevolgd dat de praktijkuitoefening of de praktijkvoering ten goede komt, indien:
      • het onderwijs gegeven is door deskundige docenten;
      • de identiteit en de aanwezigheid van de deelnemende advocaat zijn vastgesteld;
      • het onderwijs niet de beroepsopleiding advocaten betreft; en
      • indien het onderwijs uitsluitend op afstand is gevolgd, het onderwijs is afgesloten met een toets, waarvoor een voldoende is behaald en de gemiddelde tijdsbesteding vooraf is aangegeven;
    2. ieder half uur dat hij academisch of postacademisch onderwijs heeft gegeven dat de praktijkuitoefening of de praktijkvoering ten goede komt;
    3. iedere 500 woorden van een juridisch artikel dat hij heeft geschreven en dat is gepubliceerd in de rechtsliteratuur;
    4. ieder heel uur dat hij heeft deelgenomen aan kwaliteitstoetsen in de vorm van:
      i. intervisie met ten hoogste vier punten per jaar;
      ii. peer review met ten hoogste vier punten per jaar;
    5. andere activiteiten, waarvoor de algemene raad nadere regels kan stellen betreffende het aantal opleidingspunten dat behaald kan worden.
  6. De algemene raad stelt regels:
    1. die een niet-limitatieve lijst van activiteiten betreffen waarvoor geen opleidingspunten behaald kunnen worden;
    2. over erkenning van opleidingsinstellingen waardoor deze op voorhand kunnen aangeven hoeveel opleidingspunten toegekend worden aan een opleiding.
  7. Een advocaat toont aan dat de opleidingspunten zijn behaald door overlegging van adequate bewijsstukken met vermelding daarbij, voor zover van toepassing, van de geregistreerde rechtsgebieden als bedoeld in artikel 6.32 waarop de opleidingspunten betrekking hebben.

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat een advocaat ten minste twintig opleidingspunten behaalt. Het betreft een minimum. Het staat de advocaat vrij, en is vanuit het oogpunt van vakbekwaamheid en kwaliteit aan te bevelen, om meer opleidingspunten te behalen.

In het algemeen zij opgemerkt dat het behalen van opleidingspunten een middel is voor het onderhouden van de vakbekwaamheid. Het jaarlijks behalen van twintig opleidingspunten wil daarom nog niet zeggen dat de advocaat daarmee voldoet aan het bredere en meer algemene vereiste van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4.1, en het vereiste van het ontwikkelen en onderhouden van kennis, bedoeld in artikel 4.3.

Voor advocaten op wie deze paragraaf van toepassing is, houdt de verplichting in dat zij ten minste twintig opleidingspunten per jaar behalen met het onderhouden en ontwikkelen van hun kennis. De helft van die reguliere opleidingspunten moet zien op inhoudelijk juridische kennis. Deze juridische kennis moet zijn opgedaan op een voor de praktijk van de advocaat relevant rechtsgebied. Het bijwonen van een willekeurige cursus volstaat dan ook niet. Voor de praktijk van de advocaat relevante rechtsgebieden kunnen rechtsgebieden zijn waarop hij werkzaam is, maar ook rechtsgebieden waarop hij, gelet op bijvoorbeeld ontwikkelingen in zijn praktijk, nog niet werkzaam is maar wel verwacht werkzaam te zullen zijn.

De verplichting dat de helft van de te behalen opleidingspunten moet zien op inhoudelijke juridische kennis geldt niet voor het overschot aan punten dat per jaar behaald wordt. Haalt een advocaat bijvoorbeeld dertig opleidingspunten in een jaar dan voldoet hij aan de verplichting als ten minste tien opleidingspunten daarvan zien op inhoudelijk juridische kennis.    

In het tweede lid is bepaald dat advocaten die zes maanden of langer op het tableau staan ingeschreven ieder jaar minimaal tien opleidingspunten per geregistreerd rechtsgebied moeten halen. De periode van zes maanden heeft betrekking op advocaten die gedurende het jaar worden ingeschreven (onvoorwaardelijk na hun stage of als herintreder). Voor deze advocaten die in de periode van 1 juli tot en met 31 december in een kalenderjaar worden ingeschreven, geldt de verplichting dat kalenderjaar niet. Deze gaat pas het jaar daarop gelden.

Het rechtsgebiedenregister bevat diverse hoofdrechtsgebieden waarop advocaten zich kunnen laten registreren. Per hoofdrechtsgebied is een nadere onderverdeling in sub- rechtsgebieden gemaakt. De sub-rechtsgebieden zijn rechtsgebieden waarvoor specifieke kennis nodig is, die advocaten die het hoofdrechtsgebied hebben aangevinkt niet vanzelfsprekend hebben. Voor het rechtsgebied personen- en familierecht is bijvoorbeeld ‘internationale kinderontvoering’ als sub-rechtsgebied opgenomen. Sub-rechtsgebieden kunnen alleen aangevinkt worden als het daarbij behorende hoofdrechtsgebied is aangevinkt.

De verplichting om tien opleidingspunten te halen geldt voor het hoofdrechtsgebied en niet voor de aangevinkte sub-rechtsgebieden. De advocaat zal zijn kennis en kunde op de aangevinkte sub-rechtsgebieden vanzelfsprekend dienen te onderhouden, waarvoor het behalen van opleidingspunten een middel is.

Behaalde opleidingspunten kunnen dubbel worden ingezet voor verschillende rechtsgebieden voor zover deze opleidingspunten betrekking hebben op de verschillende rechtsgebieden. 

Het derde lid bevat een 'naar rato-regeling'. Dat houdt in dat een advocaat niet de volle twintig opleidingspunten hoeft te behalen, als deze paragraaf minder dan elf maanden van enig kalenderjaar op hem van toepassing is. Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat hij in de loop van een jaar drie jaar op het tableau staat ingeschreven, of zich heeft laten uitschrijven. Deze advocaat heeft voldaan aan de voorschriften van artikel 4.4, eerste lid, indien hij het aantal opleidingspunten behaalt genoemd in de tabel hieronder.

Ten tweede is relevant dat het derde lid ook van toepassing is op een advocaat die zich gedurende een jaar laat uitschrijven. Het niet behalen van voldoende opleidingspunten kan, ook als de advocaat niet meer als zodanig staat ingeschreven op het tableau, leiden tot een dekenbezwaar op grond van artikel 46f van de Advocatenwet en/of het opleggen van een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom door de deken op grond van artikel 45g van de Advocatenwet.

De tabel rekent per maand, waarbij per maand 20/12 punten = 1 2/3 punt moet worden behaald. Dit aantal wordt telkens naar boven afgerond, omdat het niet afgeronde getal het minimumaantal opleidingspunten is dat ten minste moet worden behaald. Bij afronding naar beneden zou dat minimumaantal dus niet worden behaald.

Datum inschrijven, uitschrijven of verstrijken 3-jaarstermijn van artikel 4.2Aantal te behalen opleidingspunten tot en met 31 december van dat jaarAantal te behalen opleidingspunten vanaf 1 januari van dat jaar tot het moment waarop de verordening niet meer op de advocaat van toepassing is
1 januari t/m 31 januari 20 (Op grond van het derde lid is dan nog geen vermindering mogelijk)2
1 februari t/m 29 februari194
1 maart t/m 31 maart17 5
1 april t/m 30 april 157
1 mei t/m 31 mei149
1 juni t/m 30 juni  1210
1 juli t/m 31 juli1012
1 augustus t/m 31 augustus914
1 september t/m 30 september 715
1 oktober t/m 31 oktober517
1 november t/m 30 november419
1 december t/m 31 december220 (Op grond van het derde lid is dan geen vermindering mogelijk)

Voorbeeld: Een advocaat is op 27 april 2012 beëdigd. Vanaf 27 april 2015 is paragraaf 4.1.2 van toepassing op deze advocaat. Deze advocaat zal voor 31 december 2015 ten minste vijftien opleidingspunten moeten halen.

Op de verplichting uit hoofde van het tweede lid is de ‘naar rato-regeling’ niet van toepassing. Voor de registratie is het van belang dat volledig wordt voldaan aan de eis tien opleidingspunten te behalen. Advocaten die in de eerste helft van het kalenderjaar op het tableau worden ingeschreven, dienen te voldoen aan het behalen van tien opleidingspunten op het rechtsgebied waarop zij zich willen laten registreren. 

Het vierde lid maakt het mogelijk dat een advocaat die in het voorgaande jaar een overschot aan opleidingspunten behaalde, deze kan gebruiken om in het huidige jaar een tekort te compenseren voor de verplichting uit hoofde van het eerste en tweede lid. Hij kan dus een overschot aan opleidingspunten, met een maximum van tien opleidingspunten meenemen naar het volgende jaar. Een advocaat die kan compenseren, zal dus ieder jaar minimaal tien opleidingspunten moeten behalen. Om te voldoen aan de norm van het eerste lid, dient de advocaat in het desbetreffende kalenderjaar ten minste tien opleidingspunten te behalen.

Voor de compensatie voor de verplichting op grond van het tweede lid geldt uiteraard dat het overschot aan opleidingspunten ziet op het rechtsgebied waarop de advocaat zich wenst te registreren.

In het vijfde lid is beschreven voor welke activiteiten opleidingspunten zijn te behalen.

Het stelsel dat in dit lid wordt beschreven is open. Dat wil zeggen dat er geen gesloten lijst van activiteiten en opleidingen is waarvoor de advocaat punten kan krijgen. De open norm komt op meerdere onderdelen tot uitdrukking. Allereerst is het niet nodig om de opleidingen te volgen (onderdeel a) of te geven (onderdeel b) bij een erkende opleidingsinstelling. Ten tweede komen ook andere activiteiten dan onderwijs in aanmerking voor opleidingspunten (zie onderdeel d). Deze open norm geeft een advocaat vrijheid om te kiezen welke activiteiten of opleidingen het beste bijdragen aan zijn vakbekwaamheid. Hierdoor neemt de eigen verantwoordelijkheid van de advocaat toe, maar ook de mogelijkheid om een passende(r) oplossing te vinden. De eigen verantwoordelijkheid en de eigen behoefte van de advocaat staan voorop.

In onderdeel a gaat het om het volgen of bijwonen van onderwijs van ten minste academisch niveau. Het niveau van het onderwijs wordt afgemeten aan de deelnemers, de deskundigheid van de docenten, en de relevantie voor de advocatuurlijke praktijk. Het academische onderwijsaanbod betreft onderwijs gegeven door universiteiten en is te onderscheiden in twee niveaus: bachelor en master; onderwijs gegeven door hogescholen valt niet onder academisch onderwijs. Over het algemeen is het bachelor-onderwijs niet voldoende specifiek om relevant te zijn voor de praktijk van de advocaat. Indien de advocaat voor bachelor-onderwijs opleidingspunten wil opvoeren, zal hij desgevraagd, moeten aantonen dat deze opleiding in het kader van zijn praktijk voldoende toegevoegde waarde heeft. Daarbij kan een overweging zijn dat de advocaat zich wil bekwamen in een vakgebied waarover hij nu nog weinig kennis of ervaring bezit. In dat geval kan een cursus op aanvangsniveau wel degelijk relevant zijn.

In onderdeel a zijn onder de gedachtestreepjes voorwaarden opgenomen om te bewerkstelligen dat het onderwijs relevantie voor de advocatenpraktijk heeft, van voldoende niveau is en er enige zekerheid is dat de advocaat daadwerkelijk de kennis tot zich heeft genomen. Voor onderwijs dat op afstand wordt gevolgd (zoals webinars of zelfstudie) geldt dat op voorhand de tijdsbesteding moet worden aangegeven door de opleidingsinstelling. Deze gemiddelde tijdsbesteding vormt de basis voor de toekenning van de opleidingspunten en niet de daadwerkelijk bestede tijd.

In onderdeel b gaat het om het geven van onderwijs. Daarbij geldt dat de docent voor ieder half uur een opleidingspunt kan opvoeren. Dat is twee opleidingspunten per uur. De duur van het onderwijs en niet de duur van de voorbereiding ervan is de maatstaf.

Onderdeel c bepaalt dat opleidingspunten kunnen worden verkregen voor juridische artikelen. De artikelen moeten zijn verschenen in een juridisch tijdschrift met een onafhankelijke redactie; het tijdschrift kan ook in elektronische vorm verschijnen. Publicatie van een artikel op de eigen website, netwerksite of forum volstaat niet. Per 500 woorden, exclusief voetnoten, van het geschreven en gepubliceerde artikel kan een opleidingspunt worden toegekend. Als het artikel door meerdere auteurs is geschreven, wordt het totaal aantal woorden van het artikel gedeeld door het aantal auteurs. Op die wijze krijgt elk van de deelnemers eenzelfde aantal opleidingspunten voor het artikel. Iedere 500 woorden, exclusief voetnoten, in een deel leveren dan een opleidingspunt op.

Onderdeel d bepaalt dat opleidingspunten kunnen worden verkregen voor deelname aan kwaliteitstoetsen in de vorm van intervisie of peer review met een maximum van vier per jaar. Deze punten worden aangemerkt als niet-juridische punten. Indien in het kader van de verplichting kwaliteitstoetsen (artikel 4.3a) wordt gekozen voor de vorm intervisie dan kunnen van de verplichte acht uur per jaar vier uur worden opgevoerd als vier niet-juridische opleidingspunten. Het maximum dat voor intervisie per jaar kan worden opgevoerd is daarmee bereikt en dat betekent dat indien daarnaast in een ander verband wordt deelgenomen aan intervisie die uren niet kunnen worden opgevoerd als opleidingspunten. Hetzelfde geldt voor de vorm peer review. Indien aan beide vormen wordt deelgenomen, kunnen punten voor beide vormen worden opgevoerd met een maximum per vorm van vier punten per jaar. Voor de reviewer en de gespreksleider geldt dat zij ook voor ieder heel uur dat zij optreden als peer reviewer of gespreksleider punten kunnen opvoeren met een maximum van vier uur per jaar. Het behalen van opleidingspunten staat los van de verplichting deel te nemen aan kwaliteitstoetsen. Indien een advocaat vier uur per jaar aan intervisie doet, kan de advocaat vier niet-juridische opleidingspunten opvoeren. Daarmee is echter niet voldaan aan de zelfstandige norm van artikel 4.3a inzake de deelname aan kwaliteitstoetsen. Voor intervisie geldt immers dat minimaal acht uur per jaar hieraan moet worden besteed. Voor deelname aan gestructureerd intercollegiaal overleg worden geen punten toegekend.

Onderdeel e maakt het mogelijk dat de advocaat ook voor andere activiteiten opleidingspunten kan behalen. De activiteiten moeten bijdragen aan kennis die relevant is voor de praktijk van de advocaat. Te denken valt aan nevenwerkzaamheden of het schrijven van juridische adviezen in het kader van een adviescommissie van de Nederlandse orde van advocaten. De algemene raad kan het aantal opleidingspunten dat voor deze activiteiten wordt berekend maximeren.

Op grond van het zesde lid, onderdeel b, kan de algemene raad regels stellen over de erkenning van opleidingsinstellingen. Een opleidingsinstelling is een juridische entiteit, zoals een vennootschap. De opleidingsinstelling kan dus ook een vennootschap onder firma zijn of een maatschap. Een handelsnaam kan derhalve niet worden erkend.

In het zevende lid is opgenomen dat een advocaat moet aantonen dat opleidingspunten zijn behaald. Daarvoor zijn adequate bewijsstukken noodzakelijk. De advocaat geeft daarbij aan op welke geregistreerde rechtsgebieden de opleidingspunten zien en bij welke activiteiten de opleidingspunten zijn behaald. De deken kan immers aan een advocaat vragen of deze heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 4.4, eerste tot en met vierde lid. Ingeval een advocaat een opleiding heeft gevolgd aan een erkende opleidingsinstelling volstaat het certificaat met daarop de vermelding van de behaalde opleidingspunten met puntenlogo. Indien een advocaat een opleiding heeft gevolgd aan een opleidingsinstelling die niet is erkend, zal nader moeten worden onderzocht of wordt voldaan aan de vereisten van artikel 4.4, vijfde lid en artikelen 14 en 15 van de Regeling op de advocatuur.

Voor het gevolgd hebben van onderwijs zijn adequate bewijsstukken het bewijs van deelname, waarbij aanwezigheidsregistratie moet hebben plaatsgevonden, een overzicht van urenbelasting, doelgroepomschrijving en een inzichtelijk cursusprogramma. Voor het geven van juridisch academisch of postacademisch onderwijs een bewijs van docentschap met het aantal daadwerkelijk gegeven uren en een doelgroepomschrijving. Voor een juridisch artikel het geschreven en in de rechtsliteratuur gepubliceerde artikel. Voor deze en andere activiteiten kunnen ook andere bewijstukken adequaat zijn. Het zevende lid laat onverlet de bevoegdheid van de deken om naast deze documenten nadere gegevens op te vragen.

Artikel 4.5 Inhaalverplichting
  1. Indien een advocaat niet voldoet aan het bepaalde in artikel 4.4, eerste, derde en vierde lid haalt hij uiterlijk binnen twaalf maanden na afloop van het desbetreffende kalenderjaar het tekort aan opleidingspunten in.
  2. De op grond van het eerste lid ingehaalde opleidingspunten gelden niet als opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, of als overschot als bedoeld in het artikel 4.4, vierde lid.
  3. Dit artikel laat onverlet dat de deken een dekenbezwaar kan indienen op grond van artikel 46f van de Advocatenwet.

Het doel van de bepalingen in dit hoofdstuk is dat de advocaat zijn vakbekwaamheid onderhoudt. Het niet behalen van opleidingspunten is tuchtrechtelijk laakbaar en bestuursrechtelijk handhaafbaar beboetbaar (artikel 45g  van de Advocatenwet). Met het instellen van een dekenbezwaar of een eventuele daaropvolgende veroordeling is het tekort aan opleidingspunten echter nog niet hersteld. Vandaar dat dit artikel bepaalt dat de advocaat een tekort aan opleidingspunten moet herstellen in het jaar volgend op het jaar waarin onvoldoende opleidingspunten zijn behaald. De advocaat kan die ‘ingehaalde’ opleidingspunten in dat jaar niet mee laten tellen als reguliere opleidingspunten of op een later tijdstip inzetten om een tekort te compenseren (zie het tweede lid). De in te halen punten komen daardoor bovenop de regulier te behalen opleidingspunten in een kalenderjaar (artikel 4.4, eerste en tweede lid, van de verordening).

De inhaalverplichting geldt niet voor artikel 4.4, tweede lid, van de Voda (opleidingspunten voor rechtsgebieden). Een tekort aan opleidingspunten voor rechtsgebieden (zonder dat dit tekort op grond van het vierde lid kan worden gecompenseerd) leidt ertoe dat een advocaat zich niet (langer) op deze rechtsgebieden mag registeren op grond van artikel 6.32 van de Voda. Staat hij reeds geregistreerd, dan dient hij dit op grond van artikel 6.32, derde lid, aan te passen.

Het derde lid maakt duidelijk dat de advocaat in overtreding is zodra hij zijn opleidingspunten niet haalt, ook als hij van plan is deze te gaan inhalen. Artikel 4.5 bevat geen recht op een tekort, maar een verplichting die een eerder tekort beoogt te herstellen. Zowel niet voldoen aan artikel 4.4 als niet voldoen aan artikel 4.5 is tuchtrechtelijk laakbaar en op grond van artikel 45g van de Advocatenwet administratiefrechtelijk handhaafbaar. De inhaalverplichting in dit artikel is ook van toepassing als de deken een dekenbezwaar heeft ingediend. 

Artikel 4.6 Herintredersregeling
  1. Een advocaat die meer dan een jaar niet ingeschreven heeft gestaan, behaalt in de twaalf maanden na zijn beëdiging twintig opleidingspunten met juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied, onverminderd het bepaalde in artikel 4.4, eerste, tweede en derde lid.
  2. Een advocaat kan bij de raad van de orde binnen vier weken na beëdiging gehele of gedeeltelijke vrijstelling verzoeken van het eerste lid, waarbij hij aantoont dat hij voldoende actuele kennis heeft van de voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden.
  3. De raad van de orde kan voorwaarden verbinden aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.6 bevat een herintredersregeling. Die is bedoeld voor bijvoorbeeld advocaten die enige tijd geschrapt zijn en na meer dan een jaar weer de praktijk willen gaan uitoefenen. De heringetreden advocaat dient aanvullend op de hoofdregel (artikel 4.4, eerste en tweede lid, van de verordening) nog twintig opleidingspunten te behalen met opleiding over juridische onderwerpen op voor de praktijk van de advocaat relevante rechtsgebieden. Deze opleidingspunten dienen te worden behaald gedurende de eerste twaalf maanden na zijn inschrijving. Een herintredende advocaat die halverwege het jaar wordt beëdigd, moet dus voor 1 juli van het daaropvolgende jaar twintig punten hebben behaald. Deze opleidingspunten komen bovenop de opleidingspunten die hij op grond van artikel 4.4, eerste lid juncto derde lid, dient te behalen en de opleidingspunten die hij op grond van artikel 4.4, tweede lid, per rechtsgebied dient te behalen. De herintrederspunten kunnen in tegenstelling tot de reguliere opleidingspunten niet worden behaald met vaardighedentrainingen of andere niet-juridische cursussen. Het doel van de regeling is de kennisachterstand te herstellen die de advocaat heeft opgelopen door de praktijk enige tijd niet uit te oefenen. Met de eis dat de opleidingspunten moeten worden behaald met het volgen of geven van een juridisch inhoudelijke opleiding of het schrijven van juridische artikelen, is het beste gewaarborgd dat de kennis van de herintredende advocaat snel actueel zal zijn.

In het tweede lid is bepaald dat de raad van de orde kan afwijken van de eis om twintig extra opleidingspunten te behalen. Het kan immers voorkomen dat de kennis en kunde van de heringetreden advocaat van dien aard is dat een gehele of gedeeltelijke vrijstelling is gerechtvaardigd. De advocaat hoeft dan maar een deel of in het geheel geen extra opleidingspunten te behalen. De heringetreden advocaat dient te motiveren waarom hij van mening is dat vermindering van het aantal te behalen opleidingspunten dient plaats te vinden. Een reden kan zijn dat de heringetreden advocaat tot kort voor herintreding juridische werkzaamheden heeft verricht vergelijkbaar met de advocatuurlijke praktijk dan wel gedurende de tijd dat hij niet ingeschreven stond een juridische opleiding heeft gevolgd. Het ligt voor de hand de bevoegdheid om af te wijken van de hoofdregel te leggen bij de raden van de orde gezien hun bevoegdheden inzake de inschrijving van advocaten. Een door de raad van de orde verleende vrijstelling is een beschikking in de zin van de Awb, waartegen administratief beroep openstaat bij de algemene raad op grond van artikel 8.3, tweede lid. Dit geldt ook voor een gedeeltelijk verleende of geweigerde vrijstelling.

De raad van de orde kan aan de vrijstelling, gelet op de rol van de advocaat en het belang van de rechtzoekenden, voorwaarden verbinden op grond van het derde lid. Hierbij valt te denken aan de verplichting om de opleidingspunten waarvoor geen vrijstelling is verleend op één bepaald rechtsgebied te behalen.

Artikel 4.7 Langdurige ziekte of zwangerschap
  1. Indien een advocaat de praktijk meer dan zes maanden niet heeft uitgeoefend in verband met ziekte kan hij een beroep doen op toepassing van het tweede tot en met het vierde lid.
  2. Artikel 4.3.a eerste lid, artikel 4.3b eerste lid en artikel 4.4, eerste, en tweede lid, zijn niet van toepassing zo lang de advocaat de praktijk niet uitoefent. Artikel 4.5 is niet van toepassing op een tekort aan opleidingspunten ontstaan voordat het onderhavige derde en vijfde lid van toepassing werden.
  3. Op het moment dat de advocaat de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat:
    1. wordt het aantal opleidingspunten, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, dat hij dient te behalen in het kalenderjaar dat hij de praktijkuitoefening hervat, naar rato verminderd overeenkomstig artikel 4.4, derde lid; en
    2. behaalt de advocaat binnen twaalf maanden op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied;
      - vijf opleidingspunten indien de advocaat minder dan twaalf maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend;
      - tien opleidingspunten indien de advocaat twaalf maanden of meer maar minder dan vierentwintig maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend;
      - twintig opleidingspunten indien de advocaat meer dan vierentwintig maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend.
    3. wordt het aantal uren, bedoeld in artikel 4.3a, eerste lid, sub a, en artikel 4.3b, eerste lid, dat de advocaat verplicht is deel te nemen, naar rato verminderd met twee uur per drie maanden waarin hij de praktijk in het kalenderjaar niet heeft uitgeoefend wegens langdurige ziekte of zwangerschap.
  4. Indien een advocaat in het kalenderjaar waarin hij de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat minder dan zes maanden de praktijk uitoefent, is artikel 4.4, tweede lid, niet van toepassing in dat kalenderjaar.
  5. Een advocaat kan binnen vier weken nadat hij de praktijk geheel of gedeeltelijk heeft hervat de raad van de orde verzoeken om gehele of gedeeltelijke vrijstelling van het derde lid, onderdeel b, waarbij hij aantoont dat hij voldoende actuele kennis heeft van de voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden. De raad van de orde kan aan de vrijstelling voorwaarden verbinden.
  6. Indien een advocaat in verband met zwangerschap ten minste 16 weken de praktijk niet heeft uitgeoefend zijn het derde lid, sub c en artikel 4.4, derde lid, van toepassing.

Afwezigheid wegens ziekte 
Ook een advocaat die ziek is en daardoor de praktijk niet of slechts gedeeltelijk uitoefent, moet voldoen aan de verplichting uit hoofde van de kwaliteitstoetsen (artikel 4.3a en 4.3b) en de opleidingspunten (artikel 4.4, eerste en tweede lid). Als hij in een jaar te weinig opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de verordening heeft behaald, geldt de inhaalverplichting van artikel 4.5 ook voor hem.

Echter, indien de ziekte ertoe leidt dat hij de praktijk langer dan zes maanden in het geheel niet uitoefent, biedt artikel 4.7 een voorziening. De advocaat kan dan verzoeken om toepassing van het artikel, ook al voor hij de uitoefening van de praktijk hervat. De advocaat doet zijn verzoek bij de raad van de orde. De raad van de orde heeft niet de mogelijkheid het verzoek te weigeren indien de advocaat voldoet aan het vereiste dat hij de praktijk een half jaar of langer niet heeft uitgeoefend wegens ziekte. De advocaat zal dit aannemelijk moeten maken, bijvoorbeeld door een doktersverklaring over te leggen. 

Het effect van de toepassing van dit artikel is in twee aspecten te onderscheiden. Deze aspecten zijn beschreven in het tweede onderscheidenlijk derde en vierde lid. Het tweede lid ziet op verplichtingen die (tijdelijk) niet van toepassing zijn. Het derde en vierde lid zien op de verplichtingen indien de praktijk weer wordt hervat.

De advocaat op wie dit artikel van toepassing is, hoeft niet te voldoen aan de kwaliteitstoetsen als bedoeld in artikel 4.3a en 4.3b en geen opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, eerste en tweede lid, van de verordening te halen zo lang hij de praktijk niet uitoefent. Dat geldt voor de ‘reguliere’ opleidingspunten, bedoeld in artikel 4.4, eerste en tweede lid, van de verordening en, voor wat betreft de opleidingspunten, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, voor de inhaalverplichting van artikel 4.5. De advocaat kan te dezen tuchtrechtelijk niets worden verweten, vanaf het moment dat dit artikel op hem van toepassing is.

Voorbeeld 1: 
In een kalenderjaar is de advocaat ziek en oefent de praktijk niet uit sinds maart. In oktober verzoekt hij om toepassing van artikel 4.7. Zo lang hij de praktijk niet uitoefent wegens ziekte, hoeft de advocaat geen opleidingspunten te halen en niet te voldoen aan de kwaliteitstoetsen.

Het kan zijn dat de advocaat in het jaar daaraan voorafgaand te weinig punten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de verordening heeft gehaald, terwijl hij niet ziek was of de praktijk nog (gedeeltelijk) uitoefende. In dat geval is het niét voldaan hebben aan artikel 4.4, eerste lid, in dat voorgaande jaar, wèl laakbaar. Maar de advocaat is niét gehouden de opleidingspunten in te halen op grond van artikel 4.5, indien dit artikel 4.7 op hem van toepassing is. Deze in te halen punten zijn daarmee kwijtgescholden. De inhaalverplichting van artikel 4.5 geldt niet voor een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de verordening dat is ontstaan voordat de advocaat wegens ziekte de praktijk niet meer uitoefende. Tijdens de ziekte langer dan zes maanden ontstaat geen tekort aan opleidingspunten (tweede lid), dus is vanzelfsprekend dat de inhaalverplichting van artikel 4.5 dan evenmin van toepassing is. Het is denkbaar dat de advocaat nog niet voldoet aan de voorwaarde voor de toepassing van dit artikel op het moment dat een tekort aan opleidingspunten wordt geconstateerd (zie voorbeeld 5 hieronder). Als de advocaat de praktijk niet uitoefent vanwege ziekte, en hij doet op een later moment een beroep op deze ziekteregeling, dan vervalt het tekort op dat moment alsnog. Maar als de ziekte (of het niet uitoefenen van de praktijk) korter duurt dan zes maanden, dan kan de advocaat geen beroep doen op artikel 4.7 en blijft het tekort en, voor wat betreft de opleidingspunten, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de verordening, de inhaalverplichting bestaan.

Een tweede effect van de toepassing van dit artikel is beschreven in het derde en vierde lid. 

Allereerst moet hij in de rest van het kalenderjaar naar rato het aantal opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de verordening halen, afhankelijk van het moment waarop de advocaat de praktijkuitoefening hervat (zie de tabel in de toelichting op artikel 4.4). Als hij dus halverwege het jaar de praktijkuitoefening hervat, dan moet de advocaat tien opleidingspunten halen in dat kalenderjaar (derde lid, onderdeel a).

Ten tweede is op de advocaat de verplichting om ten minste tien opleidingspunten per te registreren rechtsgebied (artikel 4.4, tweede lid) van toepassing op het moment dat hij de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat. Indien de advocaat in het kalenderjaar waarin hij de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat, evenwel minder dan zes maanden de praktijk uitoefent, geldt voornoemde verplichting niet (artikel 4.7, vierde lid). Hiermee is aangesloten bij de zes maandentermijn in artikel 4.4, tweede lid, van de verordening. 

Voorbeeld 2: 
Indien de advocaat na een ziekte van meer dan zes maanden in augustus de praktijk geheel of gedeeltelijk hervat, resteren in dat kalenderjaar minder dan zes maanden. Op grond van artikel 4.7, vierde lid, geldt de verplichting, bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, in dat kalenderjaar niet. Voor de verplichte opleidingspunten, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de verordening, geldt de naar rato-regeling (artikel 4.4, derde lid).

Ten derde moet de advocaat een aantal extra punten halen, vergelijkbaar met de herintredersregeling (derde lid, onderdeel b). Het aantal opleidingspunten dat hij moet behalen is afhankelijk van de duur van het niet uitoefenen van de praktijk in verband met de ziekte. Na zes maanden ziekte moet de advocaat vijf opleidingspunten extra halen. Na een jaar ziekte is dat aantal tien en na twee jaar ziekte is het aantal gelijk aan het aantal dat een herintreder moet halen, namelijk twintig. Hij heeft dan tevens twaalf maanden om deze extra punten te halen. De raad van de orde kan hiervoor gedeeltelijke vrijstelling verlenen (artikel 4.7, vijfde lid). De vrijstelling kan worden verleend indien de advocaat voldoende actuele kennis heeft of heeft opgedaan. De advocaat zal naar verwachting in geval van ziekte niet andere juridisch relevante werkervaring opgedaan hebben. Maar het is niet uitgesloten dat hij gepubliceerd heeft, of een cursus gevolgd of gegeven. In die gevallen zou de raad van de orde een vrijstelling kunnen verlenen. 

Ten vierde geldt een ‘naar rato regeling’ voor de verplichting uit hoofde van de kwaliteitstoetsen indien gekozen is voor de vormen intervisie of gestructureerd intercollegiaal overleg. Er geldt geen inhaalverplichting. De omvang van het aantal uur dat in mindering kan worden gebracht is afhankelijk van het moment waarop de praktijk niet meer wordt uitgeoefend en weer wordt hervat.  

Voorbeeld 3: 
Een advocaat hervat in maart van een kalenderjaar de praktijk na een ziekte van negen maanden (beginnend in juni). Hij doet bij de raad van de orde een beroep op toepassing van dit artikel. Een tekort aan opleidingspunten in het voorgaande jaar is dan niet laakbaar. Hij moet dan op grond van artikel 4.4, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 4.7, derde lid, aanhef en onderdeel a, voor het einde van dat kalenderjaar zeventien opleidingspunten halen (zie tabel in toelichting bij artikel 4.4) alsmede op grond van artikel 4.4, tweede lid, ten minste tien opleidingspunten op ieder te registreren rechtsgebied. Hij moet daarnaast vijf opleidingspunten halen vóór maart van het daaropvolgende kalenderjaar. Eventuele achterstanden in opleidingspunten in het voorgaande kalenderjaar zijn kwijtgescholden en deze hoeft hij niet in te halen op grond van artikel 4.5. Met betrekking tot de verplichting uit hoofde van de kwaliteitstoetsen geldt dat ingevolge het tweede lid de verplichting tijdens de afwezigheid niet van toepassing is. Er geldt geen inhaalverplichting, bij hervatting in maart, betekent dat voor dat jaar de ‘naar rato regeling’ niet geldt omdat de afwezigheid minder dan drie maanden is.  

Voorbeeld 4: 
Aan het begin van een kalenderjaar heeft een advocaat al tien opleidingspunten behaald. Hij hoefde geen punten in te halen. In april wordt de advocaat ziek en stopt hij met de uitoefening van de praktijk. De advocaat raakt aan de beterende hand en wil de praktijk in december weer oppakken. Het is de vraag of het voor hem gunstig is om een beroep te doen op de ziekteregeling. Als hij geen beroep op de ziekteregeling doet moet hij in de maand december tien opleidingspunten halen. Doet hij wel een beroep op de ziekteregeling, dan moet hij in december twee opleidingspunten halen (derde lid, onderdeel a) en voor december in het daaropvolgende jaar nog eens vijf punten extra. Voor deze advocaat kan het inroepen van de ziekteregeling dus gunstig zijn. Die afweging kan anders uitvallen als hij meer punten zou hebben gehaald aan het begin van het jaar. Met betrekking tot de verplichting uit hoofde van de kwaliteitstoetsen geldt dat vier uur in mindering kan worden gebracht gelet op de afwezigheid van april tot december (meer dan zes maanden afwezig).

Voorbeeld 5: 
Een advocaat wordt in november van een jaar ziek. Hij heeft in dat jaar nog geen opleidingspunten gehaald. Op de laatste dag van december van dat jaar voldoet hij (nog) niet aan de voorwaarden om de ziekteregeling in te roepen. Naar de letter van de regeling voldoet de advocaat niet aan artikel 4.4. In het daaropvolgende jaar is de inhaalverplichting op hem van toepassing. In mei voldoet deze advocaat aan de voorwaarden van de ziekteregeling.

Indien de advocaat geen toepassing zou geven aan de ziekteregeling, zou hij bij hervatting van de praktijk in dat resterende deel van het jaar 40 opleidingspunten moeten halen. Hij verzoekt om toepassing van deze regeling want dan moet hij bij hervatting van de praktijk in juni, nog twaalf opleidingspunten halen, en voor juni van het jaar erop nog eens vijf opleidingspunten extra halen. Het tekort dat geconstateerd werd op 1 januari vervalt omdat de ziekteregeling na het ontstaan van het tekort van toepassing werd. Op grond van het tweede lid is de inhaalverplichting op dat tekort dus niet van toepassing. Voor de kwaliteitstoetsen geldt dat bij hervatting van de praktijk in juni voor dat kalender jaar een beroep kan worden gedaan op de ‘naar rato regeling’ van vermindering van twee uur.  

Afwezigheid wegens zwangerschap 
Onder het niet uitoefenen van de praktijk ‘in verband met zwangerschap’ wordt bedoeld dat een advocaat gedurende de periode dat de praktijk niet wordt uitgeoefend wegens zwangerschapsverlof en/of bevallingsverlof geen opleidingspunten behoeft te behalen en niet hoeft deel te nemen aan de kwaliteitstoetsen. Een eventueel opnemen van ouderschapsverlof valt niet onder deze regeling.

In geval een advocaat ten minste 16 weken afwezig is vanwege zwangerschap kan een beroep worden gedaan op vermindering van de verplichting uit hoofde van de opleidingspunten en uit hoofde van de kwaliteitstoetsen. Voor beide verplichtingen geldt dat de ‘naar rato regeling’ dan van toepassing is. Voor de opleidingspunten geldt de ‘naar rato regeling’, zoals bepaald in artikel 4.4, derde lid van de Voda voor de kwaliteitstoetsen, zoals bepaald in artikel 4.7, derde lid, onderdeel c van de Voda. Voor de opleidingspunten komt dit neer op een vermindering van circa zes PO punten op een totaal van 20 PO-punten. Voor de kwaliteitstoetsen komt dit in de regel neer op vermindering van twee uur, behalve ingeval de afwezigheid over twee kalenderjaren is verdeeld en in een kalenderjaar de afwezigheid geen drie maanden betreft. Een verzoek om vermindering hoeft niet te worden ingediend bij de raad van de orde. De advocaat kan bij de CCV een vermindering invullen. 

Voorbeeld 1: 
Verlofperiode in één kalenderjaar van 18 april tot en met 22 augustus: 
-aantal te behalen opleidingspunten tot 18 april: 7
-aantal te behalen opleidingspunten na 22 augustus: 9
-totaal aantal te behalen opleidingspunten: 16
-totaal aantal uur deelname intervisie/gestructureerd intercollegiaal overleg: 6

Voorbeeld 2: 
Verlofperiode in twee kalenderjaren van 1 december tot en met 1 april:
-totaal aantal te behalen opleidingspunten tot 1 december (eerste kalenderjaar): 20
-totaal aantal te behalen opleidingspunten vanaf 1 april (tweede kalenderjaar): 15
-totaal aantal uur deelname intervisie/gestructureerd intercollegiaal overleg tot 1 december (eerste kalenderjaar): 8;
-totaal aantal uur deelname intervisie/gestructureerd intercollegiaal overleg vanaf 1 april (tweede kalenderjaar): 6 

Voorbeeld 3:
Verlofperiode in twee kalenderjaren van 1 november tot en met 1 maart:
-totaal aantal te behalen opleidingspunten tot 1 november (eerste kalenderjaar): 19
-totaal aantal te behalen opleidingspunten vanaf 1 maart (tweede kalenderjaar): 17
-totaal aantal uur deelname intervisie/gestructureerd intercollegiaal overleg (eerste kalenderjaar): 8
-totaal aantal uur deelname intervisie/gestructureerd intercollegiaal overleg (tweede kalenderjaar): 8

Afdeling 4.2 Vakbekwaamheidseisen cassatie

Paragraaf 4.2.1 Advocaat bij de Hoge Raad

Sinds de inwerkingtreding van de Wet van 15 maart 2012 tot wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak (versterking cassatierechtspraak) (Stb. 2012, 116) op 1 juli 2012 zijn de artikelen 9j en 9k in de Advocatenwet opgenomen. Met deze wetswijziging is een versterking van de cassatierechtspraak beoogd door (onder meer) andere en nieuwe eisen te stellen aan advocaten die als procesvertegenwoordiger optreden bij de Hoge Raad opdat de Hoge Raad in staat wordt gesteld zich als cassatierechter te concentreren op zijn kerntaken. De Hoge Raad kan zijn kerntaken optimaal vervullen als hem cassatiemiddelen worden voorgelegd die aan de eisen voldoen en vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming aan de orde stellen. Een kwalitatief goede cassatie advocatuur draagt daarmee bij aan de versterking van de cassatierechtspraak. Voor de behandeling van een zaak in cassatie gelden bijzondere regels die een specifieke deskundigheid vergen van een advocaat die als procesvertegenwoordiger bij de Hoge Raad optreedt. Niet alleen zal de advocaat bedreven moeten zijn in de cassatietechniek, hij zal ook meer dan gemiddeld moeten beschikken over een diepgaande kennis van het materiële recht, het procesrecht, als ook over een ruime proceservaring.

In de verordening zijn regels gesteld voor advocaten die optreden voor de Hoge Raad in burgerlijke zaken. Op grond van het Wetboek voor burgerlijke rechtsvordering kunnen uitsluitend advocaten met de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in cassatiezaken optreden.

Regels over het verkrijgen van de hoedanigheid van ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in strafzaken en fiscale zaken kunnen te zijner tijd bij wijzigingsverordening worden gesteld.

Artikel 4.7a Bekwaamheid cassatie

Vervallen

Artikel 4.8 Aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken
  1. De aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken is onvoorwaardelijk.
  2. In afwijking van het eerste lid is de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken voorwaardelijk, indien aantekening op het tableau heeft plaatsgevonden na toepassing van artikel 4.9, achtste lid, en een advocaat niet in het bezit is van het bewijsstuk, bedoeld in artikel 4.11, achtste lid, eerste volzin, dat de proeve van bekwaamheid met goed gevolg is afgelegd.
  3. Met de in artikel 4.11, achtste lid, tweede volzin, bedoelde kennisgeving van het bewijsstuk aan de secretaris van de algemene raad wordt van rechtswege het voorwaardelijke karakter aan de aantekening ontnomen.

Het systeem van het verkrijgen van de hoedanigheid ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken heeft een volgtijdelijkheid karakter. De voorwaardelijke aantekening biedt de mogelijkheid om van de betrokken advocaat te eisen dat deze binnen een zekere tijdsperiode (uiterlijk drie jaar na het verkrijgen van de voorwaardelijke aantekening) voldoende inhoudelijke cassatieprocedures voert en opleidingspunten behaalt om in aanmerking te komen voor onvoorwaardelijke aantekening. Of de aantekening voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is, is voor anderen dan de toezichthouder en de algemene raad niet kenbaar.

Op het moment dat de onvoorwaardelijke aantekening is ingeschreven op het tableau, vervalt de voorwaardelijke aantekening van rechtswege. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek van de inschrijving van de advocaat op het tableau (artikel 1, tweede en derde lid, van de Advocatenwet).

Artikel 4.9 Verklaring ten behoeve van de voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken
  1. De algemene raad geeft op verzoek van een onvoorwaardelijk ingeschreven advocaat de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet, af, indien hij:
    1. in de twaalf maanden voorafgaand aan het verzoek ten minste tien opleidingspunten heeft behaald op terreinen die leiden tot verdieping van zijn kennis van het burgerlijk recht, het burgerlijk procesrecht en de beheersing van de cassatietechniek; en
    2. met goed gevolg een mondeling examen heeft afgelegd, waardoor blijkt dat hij voldoende kennis heeft van de beginselen, uitgangspunten en regels van het burgerlijk procesrecht, in het bijzonder het appel- en cassatieprocesrecht, alsmede van onderdelen van het privaat-recht op een voor de praktijk van de advocaat relevant rechtsgebied.
  2. De algemene raad kan vrijstelling verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, indien een advocaat voorafgaand aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, niet ingeschreven was als advocaat en aantoont bekwaamheid te hebben verworven die actueel is en evident gelijk-waardig is aan de in het eerste lid, onderdeel a, gestelde eisen.
  3. Artikel 4.4, vijfde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op het behalen van de opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
  4. Het examen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt afgenomen nadat een advocaat heeft aangetoond te voldoen aan het eerste lid, aanhef en onderdeel a, voor zover hij daarvoor geen vrijstelling heeft gekregen, en de voor het examen verschuldigde vergoeding heeft voldaan.
  5. Indien het examen niet met goed gevolg is afgelegd, heeft een advocaat het recht op één herkansing.
  6. De algemene raad stelt nadere regels over de inhoud en de stof van het examen en de wijze waarop het examen en de herkansing wordt aangevraagd en afgenomen.
  7. De algemene raad beslist binnen dertien weken op het verzoek, bedoeld in het eerste lid. Deze termijn kan met ten hoogste vijf weken worden verlengd, indien een advocaat gebruik wil maken van een herkansing.
  8. De algemene raad geeft van de afgifte van de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet, kennis aan de secretaris van de algemene raad en de raad van de orde. Met de kennisgeving aan de secretaris van de algemene raad wordt de advocaat geacht een verzoek aan de secretaris van de algemene raad te hebben gedaan ter verkrijging van de voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken.

Een advocaat die de cassatiepraktijk in burgerlijke zaken wenst uit te oefenen, moet op het tableau zijn ingeschreven met de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken. Daartoe is allereerst de voorwaardelijke aantekening noodzakelijk. Met die aantekening is de advocaat bevoegd om op te treden bij de Hoge Raad in burgerlijke zaken en wordt hij in staat gesteld om te voldoen aan de vereisten voor het verkrijgen van de onvoorwaardelijke aantekening.

Op grond van artikel 9j, eerste lid, van de Advocatenwet kan uitsluitend een onvoorwaardelijk ingeschreven advocaat een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ worden. Op grond van artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet vindt aantekening op het tableau als ‘advocaat bij de Hoge Raad’ plaats door de secretaris van de algemene raad op verzoek van de advocaat, na overlegging van een verklaring dat de advocaat voldoet aan de toetredingseisen, bedoeld in het derde lid, aanhef en onderdeel a. Deze verklaring wordt afgegeven door de algemene raad. Het derde lid van artikel 9j van de Advocatenwet biedt de grondslag om bij of krachtens verordening regels over het verkrijgen, het behouden en het verliezen van de hoedanigheid van ‘advocaat bij de Hoge Raad’ te regelen.

Voor civiele cassatie regelt artikel 4.9 van de verordening de eisen voor verkrijging van de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet.

Bij de aanvraag om afgifte van de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet ter verkrijging van de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken toont de advocaat, naast zijn onvoorwaardelijk inschrijving op het tableau, dat hij voldoet aan de vereiste opleidingspunten (artikel 4.9, eerste lid, onderdeel a), of daarvoor een vrijstelling heeft gekregen (tweede lid) en de verschuldigde vergoeding voor het mondeling examen heeft betaald (zie artikel 2.29 van de verordening). Indien de advocaat onvoldoende gegevens of bescheiden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.

Op grond van artikel 4.9, tweede lid, kan de algemene raad vrijstelling verlenen van de vereiste opleidingspunten, indien een advocaat in een vorige functie kennis en kunde heeft verworven die nog actueel is, maar in het voorafgaande jaar geen (advocatuurlijke) opleidingspunten heeft gehaald, omdat hij niet als advocaat was ingeschreven. Deze advocaat valt mogelijk in een van de volgende categorieën.

1. Voormalig rechters, niet zijnde leden van de Hoge Raad

Rechters moeten dertig opleidingspunten per jaar behalen; deze zijn vergelijkbaar met de advocatuurlijke opleidingspunten. Niettemin gelden deze niet als opleidingspunten behaald op grond van artikel 4.4. Wanneer niet voldaan is aan de eis dat ten minste tien op opleidingspunten het gebied van civiele cassatie zijn behaald, is vrijstelling denkbaar wanneer betrokkene geacht moet worden het civiele procesrecht en het Burgerlijk Wetboek voldoende te beheersen. Wanneer het appelrechters (in de civiele kamers) betreft, kan in de regel van die kennis worden uitgegaan en ligt vrijstelling voor de hand. Bij civiele rechters van rechtbanken zou opleiding op het gebied van het appel- en cassatieprocesrecht nodig kunnen zijn. De werkzaamheden van de voormalig rechters zijn niet langer actueel als deze langer dan drie jaar geleden beëindigd zijn.

 2.  Cassatie-experts

Leden van de Hoge Raad of het parket bij de Hoge Raad hebben geen verplichting ten aanzien van permanente opleiding. De algemene raad acht het redelijk te veronderstellen dat raadsheren, leden van het parket en medewerkers van het wetenschappelijke bureau van de Hoge Raad genoegzaam over actuele kennis van de cassatiepraktijk beschikken, mits de werkzaamheden niet langer dan drie jaar geleden werden verricht.

3. Wetenschappers

Promovendi en universitair (hoofd)docenten op het terrein van burgerlijk procesrecht of cassatieprocesrecht. De algemene raad zal bij deze personen ook in zijn afweging betrekken in hoeverre de kennis en kunde betrekking heeft op de procespraktijk van advocaten.

In het derde lid wordt ten aanzien van het vereiste van opleidingspunten het zogenoemde open stelsel van activiteiten waarvoor opleidingspunten op grond van artikel 4.4, eerste lid, van de verordening kunnen worden behaald, van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit houdt onder meer in dat een advocaat één opleidingspunt als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, onderdeel a, van de verordening behaalt door ieder heel uur academisch of postacademisch onderwijs te volgen op terreinen die leiden tot verdieping van zijn kennis van het burgerlijk recht, het burgerlijk procesrecht en de beheersing van de cassatietechniek, indien wordt voldaan aan het bepaalde, bedoeld in artikel 4.4, vijfde lid, onderdeel a, van de verordening. Op grond van artikel 4.9, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.4, vijfde lid, onderdeel e, kan de algemene raad activiteiten aanwijzen waarvoor opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, onderdeel a, kunnen worden behaald.

Indien de advocaat heeft aangetoond te voldoen aan de vereiste opleidingspunten (of daarvoor een vrijstelling heeft gekregen) en de voor het examen verschuldigde vergoeding heeft voldaan, wordt hij in de gelegenheid gesteld een mondeling examen af te leggen (artikel 4.9, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de verordening). Met dit examen wordt beoordeeld of de advocaat voldoende kennis heeft van de beginselen, uitgangspunten en regels van het burgerlijk procesrecht, in het bijzonder het appel- en cassatieprocesrecht, alsmede van onderdelen van het privaatrecht op een voor de praktijk van de advocaat relevant rechtsgebied.

Tijdens het mondeling examen wordt met name de theoretische kennis van het burgerlijk (proces)recht getoetst, in het bijzonder het appel- en cassatieprocesrecht. In de Regeling op de advocatuur (artikelen 20 tot en met 22) zijn nadere regels gesteld over de inhoud en de stof van het examen en de wijze waarop het examen wordt aangevraagd en afgenomen. Er bestaat één herkansingsmogelijkheid ten aanzien van het mondeling examen.

Indien de advocaat voldoet aan de gestelde opleidingseisen, de verschuldigde vergoeding heeft betaald én het mondeling examen met goed gevolg heeft afgelegd, wordt hem de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet verstrekt. Er wordt geen afzonderlijk bewijs verstrekt dat het mondeling examen met goed gevolg is afgelegd.

De algemene raad geeft van deze verstrekking kennis aan de secretaris van de algemene raad en aan de raad van de orde. Met de kennisgeving aan de secretaris van de algemene raad wordt de advocaat geacht een verzoek te hebben gedaan aan de secretaris van de algemene raad om de voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken te verkrijgen. De advocaat hoeft dan ook niet zelf een verzoek bij de secretaris van de algemene raad in te dienen. Hiermee wordt voorkomen dat een advocaat ná het behalen van het mondeling examen (zo lang mogelijk) wacht met de daadwerkelijke toetreding tot de cassatiebalie ten einde potentiële cassatiezaken te ‘verzamelen’ bij het gerechtshof, om zo gemakkelijker aan de praktijkeis te kunnen voldoen.

Het met goed gevolg afleggen van het mondeling examen is opgenomen in de lijst met opleidingspuntwaardige activiteiten (artikel 14 van de Regeling op de advocatuur).

Op grond van artikel 9j, zevende lid, van de Advocatenwet kan een advocaat beroep instellen bij het hof van discipline tegen een beslissing tot weigering van het verzoek om aantekening op het tableau als advocaat bij de Hoge Raad. Dit beroep staat ook open tegen een beslissing tot weigering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van de verordening.

Artikel 4.10 Weigering nieuw verzoek tot afgifte van een verklaring ten behoeve van de voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken

De algemene raad kan een verzoek als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, afwijzen, indien het verzoek wordt ingediend binnen drie jaar:

  1. nadat de proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, al dan niet na herkansing, niet met goed gevolg is afgelegd; of
  2. na het doorhalen van de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken.

De mogelijkheid bestaat dat een advocaat bij de Hoge Raad met een voorwaardelijke aantekening, niet binnen drie jaar met goed gevolg de proeve van bekwaamheid aflegt ter verkrijging van de onvoorwaardelijke aantekening, maar in plaats daarvan opnieuw het mondeling examen aflegt ter verkrijging van een nieuwe voorwaardelijke aantekening. Dit wordt het ‘stapelen’ van voorwaardelijke aantekeningen genoemd. Door deze ‘route’ wordt niet alleen de proeve van bekwaamheid feitelijk illusoir, maar ook kunnen hiermee de praktijkeisen, bedoeld in artikel 4.14 van de verordening, worden omzeild. Dit leidt tot ongelijkheid ten opzichte van andere advocaten bij de Hoge Raad in burgerlijke zaken. Gelet op de doelstelling van de Wet versterking cassatierechtspraak, is het ‘stapelen’ van voorwaardelijke aantekeningen onwenselijk. 

Met artikel 4.10 wordt het ‘stapelen’ van voorwaardelijke aantekeningen voorkomen. Op grond van dit artikel kan de algemene raad een nieuw verzoek tot afgifte van een verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet, afwijzen, indien het verzoek wordt ingediend binnen drie jaar:

  1. nadat de proeve van bekwaamheid (artikel 4.12, eerste lid, van de verordening), al dan niet na herkansing, niet met goed gevolg is afgelegd; of
  2. na het doorhalen van de voorwaardelijke dan wel onvoorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken.

Gelet op het doel van de gestelde kwaliteitseisen aan advocaten die als procesvertegenwoordiger optreden bij de Hoge Raad, zal niet snel sprake zijn van feiten of omstandigheden op grond waarvan een advocaat binnen de termijn van drie jaar wordt toegelaten tot het opnieuw afleggen van een mondeling examen. Het is evenwel niet uit te sluiten dat bijzondere omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat een binnen deze termijn ingediend verzoek niet op één van deze gronden kan worden afgewezen. Bijvoorbeeld een doorhaling van de aantekening omdat de advocaat langdurig ziek was.

Bij onderdeel b is de reden van de doorhaling niet relevant. Of het gaat om een doorhaling op eigen verzoek of na een beslissing tot doorhaling van de raad van discipline of hof van discipline wegens niet of niet langer voldoen aan een van de eisen, in beide gevallen geldt de termijn van drie jaar. Hiermee wordt voorkomen dat een advocaat zichzelf voor het oproepen voor de proeve van bekwaamheid laat uitschrijven en via een nieuw mondeling examen binnen drie jaar weer terugkeert. Tevens vormt deze termijn een prikkel voor de advocaat om aan alle vereisten te voldoen.

In dit artikel is niet opgenomen de situatie waarin een advocaat die nog beschikt over een voorwaardelijke aantekening, een verzoek indient voor het afgeven van een nieuwe verklaring als bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet. Die advocaat heeft geen belang bij zijn verzoek, omdat een dergelijke verklaring reeds is afgegeven. Een dergelijk verzoek moet derhalve worden afgewezen. Gelet hierop behoeft artikel 4.11 hierin niet te voorzien.

Op grond van artikel 9j, zevende lid, van de Advocatenwet kan een advocaat beroep instellen bij het hof van discipline tegen een beslissing tot weigering van het verzoek om aantekening op het tableau als advocaat bij de Hoge Raad.

Artikel 4.11 Bewijsstuk ten behoeve van de onvoorwaardelijke aantekening
  1. Een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken legt binnen drie jaar na het verkrijgen van de voorwaardelijke aantekening met goed gevolg een proeve van bekwaamheid af.
  2. De algemene raad kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste twaalf maanden verlengen indien hij van oordeel is dat de advocaat als gevolg van bijzondere omstandigheden niet kan voldoen aan artikel 4.14, eerste lid. Indien de algemene raad de termijn verlengt, wordt het in artikel 4.14, eerste lid, bedoelde tijdvak verlengd met de in die beslissing opgenomen termijn. De algemene raad geeft van de beslissing tot verlenging kennis aan de raad van de orde.
  3. De proeve van bekwaamheid omvat de bespreking van twee door de advocaat overgelegde cassatiedossiers en wordt afgenomen door de algemene raad.
  4. De proeve van bekwaamheid wordt in ieder geval geacht niet met goed gevolg te zijn afgelegd, indien de advocaat:
    1. niet de voor de proeve van bekwaamheid verschuldigde vergoeding heeft voldaan;
    2. niet aantoont te voldoen aan de artikelen 4.13, eerste lid, en 4.14, eerste of tweede lid;
    3. niet tijdig de ter bespreking vereiste cassatiedossiers heeft overgelegd of de voor hem vastgestelde gelegenheid voor het afleggen van de proeve van bekwaamheid niet heeft gebruikt.
  5. Indien de proeve van bekwaamheid niet met goed gevolg is afgelegd, heeft de advocaat recht op één herkansing.
  6. De algemene raad stelt nadere regels over de inhoud van de proeve van bekwaamheid, de wijze waarop de proeve van bekwaamheid en de herkansing wordt afgenomen en de over te leggen cassatiedossiers.
  7. De algemene raad beslist binnen dertien weken op een verzoek van een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken om de proeve van bekwaamheid af te leggen. Deze termijn kan met ten hoogste vijf weken worden verlengd, indien een advocaat gebruik wil maken van een herkansing.
  8. Ten bewijze dat de proeve van bekwaamheid met goed gevolg is afgelegd, verstrekt de algemene raad een daarop betrekking hebbend bewijsstuk aan de advocaat. De algemene raad geeft van de afgifte van het bewijsstuk kennis aan de secretaris van de algemene raad.
  9. De algemene raad maakt het resultaat van de proeve van bekwaamheid bekend aan de raad van de orde.

Binnen drie jaar na het verkrijgen van de voorwaardelijke aantekening dient de

‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken een proeve van bekwaamheid met goed gevolg te hebben afgelegd. In de Regeling op de advocatuur zijn omtrent de procedure van de proeve van bekwaamheid nadere regels gesteld. Voor het bepalen van de datum waarop de proeve van bekwaamheid wordt afgenomen, wordt rekening gehouden met de tijd die de advocaat redelijkerwijs nodig heeft voor de voorbereiding van de proeve.

De algemene raad kan de termijn van drie jaar voor de proeve van bekwaamheid met ten hoogste twaalf maanden verlengen, indien de advocaat als gevolg van bijzondere omstandigheden niet kan voldoen aan de praktijkeisen. Daarvan kan sprake zijn als naar het oordeel van de algemene raad is gebleken dat er op een specifiek rechtsgebied waarin de advocaat werkzaam is, zo weinig zaken worden aangebracht bij de Hoge Raad, dat het onredelijk is om onverminderd vast te houden aan de termijn van drie jaar. Indien de termijn voor de proeve van bekwaamheid wordt verlengd, wordt de driejaarstermijn voor de praktijkeisen, bedoeld in artikel 4.14 van de verordening, met eenzelfde termijn verlengd.

De proeve van bekwaamheid bestaat uit een bespreking van twee door de advocaat overgelegde cassatiedossiers. In de Regeling op de advocatuur (artikelen 20, 23 en 24) zijn nadere regels gesteld over de inhoud van de proeve van bekwaamheid, de wijze waarop deze wordt afgenomen en de over te leggen cassatiedossiers. De algemene raad verleent machtiging ten aanzien van het afnemen van de proeve van bekwaamheid aan twee leden van de commissie cassatie gezamenlijk.

In bepaalde gevallen wordt de proeve van bekwaamheid reeds als niet met goedgevolg afgelegd beschouwd, te weten indien de advocaat:

  1. niet de voor de proeve van bekwaamheid verschuldigde vergoeding heeft voldaan (zie artikel 2.29 van de verordening);
  2. niet aantoont te voldoen aan de opleidingseisen, bedoeld in artikel 4.13, en de praktijkeisen, bedoeld in artikel 4.14 (zie toelichting bij deze artikelen);
  3. niet tijdig de ter bespreking vereiste cassatiedossiers heeft overlegd of de voor hem vastgestelde gelegenheid voor het afleggen van de proeve van bekwaamheid niet heeft gebruikt.

De proeve van bekwaamheid kan eenmaal worden herkanst. Onder de formulering ‘niet met goed gevolg’ vallen ook de hierboven onder a tot en met c genoemde situaties waarin de proeve wordt beschouwd als niet met goed gevolg te zijn afgelegd. 

Het bewijsstuk dat de proeve van bekwaamheid is behaald, wordt ter kennis gebracht van de secretaris van de algemene raad. Met deze kennisgeving wordt van rechtswege het voorwaardelijke karakter aan de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken ontnomen, zodat sprake is van een onvoorwaardelijke aantekening. 

Het met goed gevolg afleggen van de proeve van bekwaamheid is opgenomen in de lijst met opleidingspuntwaardige activiteiten (artikel 14 van de Regeling op de advocatuur). 

Indien de advocaat de proeve van bekwaamheid niet heeft behaald, kan hij op grond van artikel 9j, zevende lid, van de Advocatenwet hiertegen beroep instellen bij het hof van discipline. 

Uit het publieke belang van de kwaliteit van de rechtsbedeling en de advocatuur in het algemeen, maar in het bijzonder ook uit het doel en de strekking van de Wet versterking cassatierechtspraak, volgt dat als een advocaat niet langer aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet, de raad van de orde slechts in zéér uitzonderlijke gevallen het verzoek, bedoeld in artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet, achterwege zal laten. Het voltijdelijke systeem van een (on)voorwaardelijke aantekening brengt mee dat de raad van de orde in ieder geval drieënhalf jaar na het verkrijgen van de voorwaardelijke aantekening (het uiterste moment waarop een advocaat behoort te voldoen aan de eisen voor een onvoorwaardelijke aantekening; zie artikel 4.12, eerste lid, van de Voda) beziet of de ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken voldoet aan alle kwaliteitseisen. Daartoe maakt de algemene raad het resultaat van de proeve van bekwaamheid bekend aan de raad van de orde (negende lid).

Paragraaf 4.2.2 Behouden hoedanigheid ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken

Deze paragraaf beschrijft de inhoudelijke criteria en de procedure voor het verkrijgen van de verklaring voor de aantekening “advocaat bij de Hoge Raad”.

Artikel 4.12 Bekwaamheid cassatie

Een advocaat met de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken beschikt over de kennis en bekwaamheid om zelfstandig en naar behoren cassatieadviezen, cassatiemiddelen en cassatieverweren op te stellen.

Dit artikel bevat een (algemene) norm voor bekwaamheid van de advocaat bij de Hoge Raad in burgerlijke zaken.

Als blijkt dat de ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken op enig moment niet of niet meer aan deze norm voldoet, kan de raad van de orde de raad van discipline verzoeken te beslissen dat de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ wordt doorgehaald (artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet). Volgens deze systematiek van de Advocatenwet kan een advocaat zijn aantekening verliezen door een daartoe strekkende beslissing van de raad van discipline (en in beroep het hof van discipline).

Als de advocaat niet aan deze norm voldoet, zal de raad van de orde slechts in zéér uitzonderlijke gevallen het verzoek, bedoeld in artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet, achterwege kunnen laten. Dit volgt uit het publieke belang van de kwaliteit van de rechtsbedeling en de advocatuur in het algemeen, maar in het bijzonder ook uit het doel en de strekking van de Wet van 15 maart 2012 tot wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak (versterking cassatierechtspraak) (Stb. 2012, 116).

Artikel 4.13 Opleidingseisen
  1. Een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken behaalt elk kalenderjaar ten minste tien opleidingspunten op terreinen die leiden tot verdieping van zijn kennis van het burgerlijk recht, het burgerlijk procesrecht en de beheersing van de cassatietechniek.
  2. De artikelen 4.4, derde tot en met zevende lid, en 4.5, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het behalen van de opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid.
  3. De algemene raad kan nadere regels stellen over de terreinen waarop de opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden behaald.

Een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken is gehouden jaarlijks ten minste tien opleidingspunten te behalen op terreinen die leiden tot verdieping van zijn kennis van het burgerlijk recht, het burgerlijk procesrecht en de beheersing van de cassatietechniek.

Op grond van het tweede lid is het zogenoemde open stelsel van activiteiten waarvoor een of meer opleidingspunten op grond van artikel 4.4, eerste, vijfde en zesde lid, van de Voda kunnen worden behaald, van overeenkomstige toepassing verklaard. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar de hierboven gegeven toelichting bij artikel 4.9, derde lid.

Opleidingspunten die zijn behaald om te voldoen aan artikel 4.13, eerste lid, kunnen ook worden opgegeven voor de verplichte opleidingspunten op grond van artikel 4.4, eerste of tweede lid, van de Voda.

Verder is artikel 4.5 van overeenkomstige toepassing verklaard. De ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken dient de niet behaalde opleidingspunten in het daaropvolgende jaar in te halen. De in te halen punten komen derhalve bovenop de in laatstbedoeld jaar te behalen opleidingspunten. Het inhalen van de opleidingspunten laat onverlet dat het niet voldoen aan artikel 4.13, eerste lid, tuchtrechtelijk laakbaar is. Op grond van artikel 9k van de Advocatenwet kan dit reden zijn voor de raad van de orde om de raad van discipline te verzoeken de aantekening door te halen.

Artikel 4.14 Praktijkeisen
  1. Een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken behandelt iedere drie jaar na het verkrijgen van de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken ten minste twaalf cassatiezaken waarvan er ten minste zes hebben geleid tot een beoordeling door de Hoge Raad. Hierbij worden niet meegerekend zaken waarin het cassatieberoep op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk is verklaard.
  2. De algemene raad kan aan een advocaat met de onvoorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de verplich-ting, bedoeld in het eerste lid, in geval van bijzondere omstandigheden. De algemene raad kan voorwaarden verbinden aan de vrijstelling.
  3. De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk acht weken vóór het verstrijken van de periode van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, aangevraagd en geldt uitsluitend voor de periode waarin de vrijstelling is aangevraagd. De algemene raad geeft van het verlenen van vrijstelling kennis aan de raad van de orde.
  4. De algemene raad kan nadere regels stellen over de mate van toerekening van een zaak aan een advocaat bij meer dan één behandelend advocaat.

Een advocaat met de (on)voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken dient daadwerkelijk cassatiezaken te behandelen om vaardigheid erin op te doen of de vaardigheid te behouden. Het aantal zaken dat de advocaat per drie jaar moet behandelen is ten minste twaalf.

Van de twaalf zaken moet ten minste zes in die drie jaar hebben geleid tot een inhoudelijke beoordeling door de Hoge Raad. Voor dat aantal telt een afdoening op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet mee. Ook tellen zaken niet mee die aan het eind van de drie jaar nog niet tot een uitspraak hebben geleid.

Onder behandelen van een zaak wordt niet uitsluitend verstaan het optreden bij de Hoge Raad, maar ook het vervaardigen van een positief of negatief cassatie-advies (artikel 7.6 van de verordening). In dat geval kan de zaak niet tevens worden opgevoerd als een zaak die heeft geleid tot een inhoudelijke beoordeling door de Hoge Raad.

De advocaat zal desgevraagd (op verzoek of vordering van de deken op grond van afdeling 5.2 van de Awb), moeten aantonen welke zaken hij heeft behandeld, welke zaken tot een inhoudelijke beoordeling hebben geleid en welke niet, en of hij een zaak met meer dan een advocaat heeft behandeld. Voor de controle op deze praktijkeis is het aan te bevelen dat de advocaat (jaarlijks) registreert welke zaken hij heeft behandeld en welke tot een inhoudelijke beoordeling van de Hoge Raad hebben geleid. Door de informatie over drie jaar te bekijken, kan de raad van de orde beoordelen of de advocaat voldoet aan de eis, genoemd in het eerste lid.

Als blijkt dat de advocaat niet aan de gestelde eisen voldoet, kan de raad van de orde aan de raad van discipline verzoeken dat de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ wordt doorgehaald (artikel 9k, eerste lid, Advocatenwet). Zolang niet onherroepelijk is beslist, kan de advocaat zaken bij de Hoge Raad behandelen. Indien onherroepelijk is beslist, dan vervalt de aantekening en kan de advocaat geen cassatiezaken meer behandelen. Hij dient, in samenspraak met de raad van de orde, de zaken over te dragen aan een advocaat die wel mag optreden voor de Hoge Raad. De belangen van de cliënt kunnen op die manier veiliggesteld worden.

Het tweede lid biedt een advocaat met een onvoorwaardelijke aantekening in rechtsgebieden waarin zich weinig cassatiezaken voordoen, de mogelijkheid een vrijstelling te verzoeken van de praktijkeisen, bedoeld in het eerste lid. Het gaat dan om rechtsgebieden in een bepaalde niche. Een advocaat die uitsluitend op dat rechtsgebied werkzaam is, kan verwachten dat hij weinig cassatiezaken zal krijgen. Deze advocaat kan om (gedeeltelijke) vrijstelling verzoeken van de verplichting uit het eerste lid. Deze vrijstelling wordt alleen verleend indien naar het oordeel van de algemene raad is gebleken dat er op een specifiek rechtsgebied waarin de advocaat werkzaam is, zo weinig zaken worden aangebracht bij de Hoge Raad, dat het onredelijk is om onverminderd vast te houden aan twaalf zaken per drie jaar, waarvan er zes tot een inhoudelijke beoordeling door de Hoge Raad hebben geleid. De algemene raad kan gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen. Gedeeltelijke vrijstelling houdt in dat volstaan kan worden met een geringer aantal zaken. Indien de algemene raad een gedeeltelijke vrijstelling heeft verleend wordt daarin het aantal te behandelen zaken genoemd. De advocaat moet aantonen dat aantal zaken te hebben behandeld. Dus als de advocaat voor vier zaken een vrijstelling heeft gekregen, moet hij er nog acht behandeld hebben in drie jaar tijd.

Een verzoek om vrijstelling dient uiterlijk acht weken voor het verstrijken van de driejaarstermijn te worden ingediend. Dit stelt de algemene raad in staat om binnen de in artikel 4.13, tweede lid, van de Awb gestelde beslistermijn en derhalve voor het verstrijken van de driejaarstermijn, te beslissen op het verzoek.

Indien de advocaat niet voldoet aan artikel 4.14 van de verordening, kan de raad van de orde op grond van artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet de raad van discipline verzoeken om doorhaling van de aantekening. Uit het publieke belang van de kwaliteit van de rechtsbedeling en de advocatuur in het algemeen, maar in het bijzonder ook uit het doel en de strekking van de Wet versterking cassatierechtspraak, volgt dat als een advocaat niet langer aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet, de raad van de orde slechts in zéér uitzonderlijke gevallen het verzoek, bedoeld in artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet, achterwege zal laten. 

Paragraaf 4.2.3 Verliezen hoedanigheid ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken

Artikel 4.15 Doorhaling voorwaardelijke aantekening
  1. De secretaris van de algemene raad haalt de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken door, indien een advocaat gedurende een onafgebroken tijdvak van drie jaar met een voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken op het tableau ingeschreven heeft gestaan zonder dat het bewijsstuk kan worden overgelegd dat de proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, met goed gevolg is afgelegd.
  2. Indien de algemene raad toepassing geeft aan artikel 4.11, tweede lid, eerste volzin, wordt de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengd met de in de beslissing, bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, eerste volzin, opgenomen termijn.
  3. De doorhaling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door middel van een beschikking van de algemene raad met ingang van een tijdstip dat, gelet op het belang van de rechtzoekende, ten minste één maand en ten hoogste drie maanden na de datum van de beschikking gelegen is. De algemene raad geeft van de beschikking kennis aan de raad van de orde.
  4. De secretaris van de algemene raad geeft van de doorhaling binnen acht dagen kennis aan de algemene raad en de raad van de orde, onverminderd artikel 9j, tweede lid, tweede volzin, van de Advocatenwet.

Gedurende een termijn van drie jaar na verkrijging van een voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken wordt de ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken in de gelegenheid gesteld zodanige kennis en vaardigheden op te doen om, na het met goed gevolg afleggen van een proeve van bekwaamheid, een onvoorwaardelijke aantekening te verkrijgen. Als de ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken na deze ‘leerperiode’ de proeve van bekwaamheid niet of niet met goed gevolg aflegt, bestaat er geen recht om de hoedanigheid van ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken te behouden.

De in artikel 9k van de Advocatenwet geregelde route van het doorhalen van de aantekening voor deze situatie is niet geschikt voor deze situatie. Dit artikel kan tot de onwenselijke situatie leiden dat een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken nog enige tijd zijn hoedanigheid behoudt, ondanks dat hij niet voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen om die hoedanigheid te behouden.

Artikel 4.15 regelt dan ook dat de secretaris van de algemene raad de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken doorhaalt, indien een advocaat gedurende een onafgebroken tijdvak van drie jaar met een voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken op het tableau ingeschreven heeft gestaan zonder dat het bewijsstuk kan worden overgelegd dat de proeve van bekwaamheid met goed gevolg is afgelegd. De doorhaling geschiedt bij beschikking van de algemene raad met ingang van een tijdstip dat, gelet op het belang van de rechtzoekende, ten minste twee maanden en ten hoogste zes maanden na de datum van de beschikking gelegen is.

Op voornoemde termijn van drie jaar gelden een uitzondering. De algemene raad kan de termijn waarbinnen de proeve van bekwaamheid met goed gevolg moet zijn afgelegd verlengen met ten hoogste twaalf maanden, indien hij van oordeel is dat de advocaat als gevolg van bijzondere omstandigheden niet kan voldaan aan de praktijkeisen (zie nieuw artikel 4.11, tweede lid, van de Voda). Als de algemene raad toepassing geeft aan deze bevoegdheid, wordt de termijn van drie jaar verlengd met eenzelfde termijn.

Tegen het besluit tot doorhaling op grond van artikel 4.15 van de Voda staat bezwaar en beroep open (net als tegen het besluit tot schrapping van de voorwaardelijke inschrijving op grond van artikel 8c, derde en zesde lid, van de Advocatenwet bezwaar en beroep openstaat). Daarbij geldt dat het voorgestelde artikel 4.15, eerste lid, een dwingende bepaling is waarbij de algemene raad geen beleidsvrijheid heeft bij de vraag of de voorwaardelijke aantekening wordt doorgehaald. Bij het bepalen van het moment waarop doorhaling geschiedt, heeft de algemene raad wel enige beleidsvrijheid. In het belang van de rechtzoekende bepaalt de algemene raad een moment tussen twee en zes maanden. Andere belangen, zoals het belang van de betrokken advocaat zelf, blijven buiten beschouwing.

Het hierboven beschreven systeem voor doorhaling van de voorwaardelijke aantekening laat onverlet de mogelijkheid dat in de periode tot drie jaar na verkrijging van de voorwaardelijke aantekening alsmede in de periode na verkrijging van de onvoorwaardelijke aantekening toepassing kan worden gegeven aan artikel 9k van de Advocatenwet als niet langer aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Daarbij geldt dat uit het publieke belang van de kwaliteit van de rechtsbedeling en de advocatuur in het algemeen, maar in het bijzonder ook uit het doel en de strekking van de Wet versterking cassatierechtspraak, volgt dat als een advocaat niet langer aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet, de raad van de orde slechts in zéér uitzonderlijke gevallen het verzoek, bedoeld in artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet, achterwege zal kunnen laten.

Artikel 4.16 Gevolg doorhaling aantekening

Indien de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken door de secretaris van de algemene raad al dan niet op verzoek van de advocaat is doorgehaald, vervalt van rechtswege de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet, en, indien van toepassing, het bewijsstuk, bedoeld in artikel 4.11, achtste lid.

Doorhaling van de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken door de secretaris van de algemene raad geschiedt na het in kracht van gewijsde gaan van een beslissing tot doorhaling (artikel 9k van de Advocatenwet). Artikel 4.15 regelt dat de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet en, indien deze is versterkt, het bewijsstuk dat de proeve van bekwaamheid met voldoende resultaat is behaald, van rechtswege vervalt. Daarmee wordt buiten twijfel gesteld dat geldigheid van het behaalde mondeling examen en proeve van bekwaamheid vervalt. Wil de advocaat opnieuw in aanmerking komen voor de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken, dan zal hij na drie jaar (zie artikel 4.11) een nieuw verzoek om afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet moeten indienen ter verkrijging van een voorwaardelijke aantekening.

Hoofdstuk 5 Praktijkstructuren

Afdeling 5.1 Algemeen

Artikel 5.1 In gevaar brengen vrijheid en onafhankelijkheid

  1. Het is de advocaat niet toegestaan rechtsverhoudingen aan te gaan of te laten voortbestaan waardoor de vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep, met inbegrip van de behartiging van het partijbelang en de daarmee samenhangende vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt, in gevaar kunnen worden gebracht.
  2. Het is de advocaat niet toegestaan de praktijk uit te oefenen, al dan niet in dienst, in een vorm waardoor de vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep, met inbegrip van de behartiging van het partijbelang en de daarmee samenhangende vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt, in gevaar kunnen worden gebracht.

Een advocaat moet de belangen van zijn cliënt partijdig en onafhankelijk kunnen bedienen. Dit volgt uit enkele van de kernwaarden van de advocaat, zoals onafhankelijkheid, vertrouwelijkheid, integriteit en partijdigheid. De onafhankelijkheid van de advocaat is essentieel voor het vertrouwen in een advocaat. De onafhankelijkheid is ook onmisbaar voor een goede invulling van de kernwaarden vertrouwelijkheid en partijdigheid.

Artikel 5.1 is daarom een kernbepaling in deze verordening. De overige artikelen uit hoofdstuk 5 zijn te beschouwen als een uitwerking en verfijning van deze norm.

Met de formulering ‘kunnen worden gebracht’ is bedoeld dat het niet noodzakelijk is dat het gevaar zich daadwerkelijk voordoet of heeft voorgedaan. Er is dus een hoge mate van voorzichtigheid opgedragen aan de advocaat om zijn onafhankelijkheid te bewaren.

In het tweede lid is omwille van de wetgevingsefficiëntie volstaan met een verwijzing naar het eerste lid. Ook het tweede lid beoogt te voorkomen dat alle in het eerste lid genoemde elementen in gevaar kunnen worden gebracht. 

Artikel 5.2 Wijzen van uitoefening van de praktijk

De advocaat oefent de praktijk uit op een of meer van de volgende wijzen:

a. zelfstandig, in een eenmanszaak of in de vorm van een praktijkrechtspersoon, waarover hij zeggenschap uitoefent;

b. in een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 5.3, waarbij de advocaat niet in dienst is van dat samenwerkingsverband;

c. in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9.

Dit artikel beschrijft de voorkomende (rechts)vormen van uitoefening van de praktijk door advocaten. Voor de in de onderdelen b en c genoemde wijzen gelden nadere regels die met name dienen ter bescherming van de onafhankelijkheid van de advocaat.

Een advocaat die eigenstandig de praktijk uitoefent, waarbij hijzelf rekening en risico draagt en de zeggenschap heeft, oefent de praktijk uit als bedoeld in onderdeel a. Hij heeft een onderneming die in het handelsregister is ingeschreven als een eenmanszaak. Het kan zijn dat deze advocaat gebruik maakt van een praktijkrechtspersoon; hij is dan de enige die in deze praktijkrechtspersoon zeggenschap heeft. Ook is het mogelijk dat deze advocaat personeel in dienst heeft.

De advocaat sluit met cliënten een overeenkomst van opdracht, waarbij hij als enige verantwoordelijk is voor de uitvoering van de overeenkomst. De overeenkomst hoeft niet uitsluitend met cliënten gesloten te worden, maar kan ook gesloten worden met bijvoorbeeld een advocatenkantoor. De advocaat kan dan bijvoorbeeld als adviseur worden ingehuurd. Hij houdt dan zeggenschap over de praktijkuitoefening, ook al werkt hij gezamenlijk aan een individuele zaak met advocaten of medewerkers van het bedoelde advocatenkantoor.

De advocaat die zelfstandig de praktijk uitoefent kan een kostenmaatschap overeengekomen zijn. Een kostenmaatschap is meestal een stille (niet-openbare) maatschap. De maten treden onder en in eigen naam op naar derden. Er wordt dan geen rekening en risico of zeggenschap gedeeld. Daardoor is er geen sprake van een samenwerkingsverband. Dat kan anders liggen indien wel onder een gemeenschappelijke naam naar buiten wordt opgetreden. In dat geval kan er een openbare maatschap ontstaan, waardoor de maten onderling risico delen. De contractant van de maatschap kan in dat geval de andere maten (mede-)aansprakelijk stellen. Daarmee is voldaan aan een van de criteria van artikel 5.3. Door het optreden onder gemeenschappelijke naam van een kostenmaatschap kan dus een samenwerkingsverband ontstaan.

Onderdeel b ziet op het uitoefenen van de praktijk in een samenwerkingsverband. Voor de vereisten van een samenwerkingsverband zie artikel 5.3. De samenwerking kan rechtspersoonlijkheid hebben, bijvoorbeeld een naamloze of besloten vennootschap, maar dat hoeft niet, bijvoorbeeld in geval van een (openbare) maatschap. 

Onderdeel c ziet op de advocaten die in dienstverband werkzaam zijn. In het spraakgebruik wordt de term ‘advocaat in dienstverband’ meestal alleen gebruikt voor advocaten in dienst van een bedrijf of (overheids)organisatie (zie artikel 5.9, onderdelen e tot en met g). Het ziet echter ook op de meeste stagiaires en advocaat-medewerkers. Het merendeel van de in Nederland ingeschreven advocaten werkt op basis van een arbeidsovereenkomst; deze vallen onder dit onderdeel. Bijvoorbeeld de advocaten die bij grotere kantoren werken vallen hieronder, behalve als ze partner zijn. De partners van die kantoren vallen onder onderdeel b.

Afdeling 5.2 Samenwerking

Artikel 5.3 Samenwerkingsverband

Van een samenwerkingsverband is uitsluitend sprake indien een advocaat met een andere natuurlijk persoon, een samenwerkingsverband of een rechtspersoon:

a. voor gezamenlijke rekening en risico de praktijk uitoefent; of

b. de zeggenschap of eindverantwoordelijkheid over de praktijkuitoefening deelt.

Er is sprake van een samenwerkingsverband, als een vorm van samenwerking voldoet aan een van de in dit artikel genoemde criteria. De criteria zijn: het delen van rekening en risico of het delen van zeggenschap of eindverantwoordelijkheid over de praktijkuitoefening.

De opsomming in dit artikel is alternatief. Het is mogelijk dat een samenwerkingsverband aan meer dan een criterium voldoet. In dat geval is er ook sprake van een samenwerkingsverband.

Het is niet van belang welke rechtsvorm gekozen is. Een praktijkrechtspersoon met meerdere advocaten is ook een samenwerkingsverband in de zin van de verordening omdat in elk geval voldaan wordt aan het voor gezamenlijke rekening en risico de praktijk uitoefenen (onderdeel a).

Als het kantoor een eenmanszaak betreft, waarin een advocaat als zelfstandige de praktijk uitoefent, dan is er geen sprake van een samenwerkingsverband (zie HvD 15-06-2001, 3356). Op grond van artikel 7.4 is het de advocaat dan ook niet toegestaan zich ten onrechte te presenteren als ware hij een onderdeel van een samenwerkingsverband. Hij mag wel onder een gemeenschappelijke naam naar buiten optreden (artikel 5.5) maar moet daarbij kenbaar maken dat geen sprake is van een samenwerkingsverband (artikel 7.4).

Een kostenmaatschap kan een samenwerkingsverband zijn, maar dat hoeft niet. Dat hangt af van de afspraken die binnen de kostenmaatschap zijn gemaakt. Een kostenmaatschap is in de meest zuivere betekenis van het woord een stille maatschap en treedt niet als entiteit naar buiten. De kostenmaatschap deelt kosten voor huisvesting, kantoororganisatie en personeel. De maten in de maatschap oefenen zelfstandig de praktijk uit, onder eigen verantwoordelijkheid en voor eigen rekening en risico. Deze kostenmaatschap voldoet niet aan het ondernemingsbegrip van artikel 2 van het Handelsregisterbesluit 2008 en wordt om die reden niet in het handelsregister bij de kamer van koophandel geregistreerd. De ondernemingen zijn in dit geval de eenmanszaken van de maten van de kostenmaatschap. Deze eenmanszaken worden, eventueel met hun praktijkrechtspersoon, wel geregistreerd in het handelsregister.

Er kunnen binnen de maatschap afspraken zijn gemaakt die zien op de praktijkuitoefening. Te denken valt aan afspraken over te volgen opleiding of over aantallen zaken die op basis van toevoeging worden gedaan. Er kunnen zelfs afspraken zijn dat de maten in de maatschap gezamenlijk zaken behandelen.

Van een samenwerkingsverband is geen sprake indien de samenwerking uitsluitend gericht is op een of meer van de volgende aspecten: a. het delen van kennis; b. het (door)verwijzen van cliënten; c. het gebruikmaken van dezelfde voorzieningen (bijvoorbeeld kaderovereenkomsten met een deurwaarder) of d. het delen van gezamenlijke kosten voor huisvesting, ondersteunende diensten en externe affichering.

Externe affichering gebeurt meestal door het gebruik van een gemeenschappelijke naam of een gelijkluidend deel van de handelsnaam (gedeelde naam). Dit is toegestaan indien voldaan is aan artikel 5.5.

Om te beoordelen of er gewerkt wordt voor gezamenlijke rekening en risico, kan een aantal factoren worden meegenomen.

Als de advocaat met derden afspraken heeft dat hij behalve de kosten verbonden aan een zaak ook de opbrengsten voortkomend uit de behandeling van een zaak deelt, is er sprake van gezamenlijk rekening en risico. Het maakt dan niet uit of het een heel klein deel is of meer substantieel.

Als de overeenkomst met de cliënt is gesloten met de maatschap of andere samenwerkende entiteit (vof of stichting), is die entiteit een samenwerkingsverband. Dat geldt tevens als in de overeenkomst is bepaald dat aan het samenwerkingsverband dient te worden betaald. Ook dan is er ook sprake van gezamenlijke rekening en (incasso-) risico.

Zeggenschap of eindverantwoordelijkheid over de praktijkuitoefening delen

Er is sprake van het delen van zeggenschap over de praktijkuitoefening (onderdeel b) indien anderen dan de advocaat formeel of feitelijk invloed uitoefenen op de door de advocaat te maken keuzes in een zaak of bij het aannemen van een zaak. Een indicatie dat zeggenschap wordt gedeeld is de aanwezigheid van een of meer bestuurders. In geval van een bestuur is er daarom sprake van een samenwerkingsverband.

De advocaat die inmenging van anderen te dulden heeft bij de concrete behandeling van een zaak deelt de zeggenschap of eindverantwoordelijkheid over de praktijkuitoefening. Onder praktijkuitoefening wordt verstaan al hetgeen met de concrete afhandeling van een zaak te maken heeft; de keuzes in de procedure, de juridische aspecten, de inhoud van de adviezen en communicatie, de kennis en kunde van de betrokken medewerkers, de betaling van kosten verbonden aan de juridische procedure (de specifieke kosten).

Onder praktijkuitoefening wordt niet verstaan de bedrijfs-, of de praktijkvoering; de aspecten die zien op het ondernemerschap, de inkoop, vaste lasten. Een samenwerkingsverband kan worden aangenomen, indien de bedrijfsvoering zodanig is geïntegreerd dat er een bestuurder is.

Artikel 5.4 Toegestane samenwerkingsverbanden

  1. Een advocaat kan uitsluitend een samenwerkingsverband aangaan met:

    a. andere advocaten, praktijkrechtspersonen en samenwerkingsverbanden;

    b. niet in Nederland ingeschreven advocaten die lid zijn van een door de algemene raad erkende beroepsorganisatie van advocaten in het buitenland;

    c. leden van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, de Orde van Octrooigemachtigden en universitair geschoolde leden van het Register Belastingadviseurs.

  2. De algemene raad kan beroepsorganisaties in het buitenland als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, erkennen indien de buitenlandse beroepsbeoefenaren in vrijheid en onafhankelijkheid hun beroep uitoefenen en onderworpen zijn aan tuchtrecht vergelijkbaar met het Nederlandse tuchtrecht. De algemene raad weegt bij zijn besluit mee of advocaten die op het Nederlandse tableau ingeschreven staan, naar het recht van het andere land een samenwerkingsverband kunnen aangaan met de leden van die beroepsorganisaties.

Met het oog op het beschermen van de onafhankelijkheid van de advocaat zijn er beperkingen gesteld aan degenen met wie de advocaat een samenwerkingsverband mag aangaan. De in dit artikel genoemde personen (of rechtspersonen) zijn beoefenaren van vrije beroepen die voldoen aan de hiernavolgende criteria.

De beroepsbeoefenaren zijn onderworpen aan tuchtrecht, vergelijkbaar met dat van de advocaat.

De samenwerking met deze beroepsgroep brengt de vrijheid en onafhankelijkheid van de advocaat, met inbegrip van de partijdige belangenbehartiging en de daarmee samenhangende vertrouwensrelatie, niet in gevaar. Voor de uitoefening van het beroep is een academische of daarmee gelijk te stellen opleiding vereist. De in dit artikel genoemde beroepsbeoefenaren oefenen allen in enigerlei vorm de rechtspraktijk uit. Onder rechtspraktijk wordt mede verstaan de advisering door belastingadviseurs.

Artikel 5.5 Naamgeving

Het is de advocaat niet toegestaan om met andere dan de in artikel 5.4, eerste lid, genoemde beroepsbeoefenaren, samenwerkingsverbanden en praktijkrechtspersonen onder een gemeenschappelijke naam naar buiten op te treden.

Het is een advocaat uitsluitend toegestaan onder een gemeenschappelijke naam naar buiten op te treden met de in artikel 5.4, eerste lid, genoemde beroepsbeoefenaren. Hiermee wordt de jurisprudentie over het gebruik van een gemeenschappelijke naam van het hof van discipline van 12-06-2006, nr. 4496, (Adv.bl.  2007, nr. 11) in stand gehouden.

Het onder een gemeenschappelijke naam naar buiten optreden heeft juridische effecten. Bijvoorbeeld kan daardoor een stille maatschap veranderen in een openbare maatschap. De maten in die maatschap kunnen daardoor dus aansprakelijk worden voor elkaars handelen. Daarom is het noodzakelijk om de toegestane kring van personen waarmee onder een naam naar buiten opgetreden kan worden, te beperken tot de groep waarmee (eveneens) een samenwerkingsverband aangegaan zou mogen worden, dus de genoemde beroepsbeoefenaren in artikel 5.3.

Tevens wekt het onder een 'gemeenschappelijke naam naar buiten optreden' mogelijk verwachtingen bij cliënten. Die verwachtingen kunnen ook verband houden met het behartigen van conflicterende belangen. Daarbij kan bijvoorbeeld een rol spelen dat de belangen van de tegenpartij worden behartigd door een advocaat die met hem onder een gemeenschappelijke naam optreedt.

De advocaat is gehouden te voorkomen dat hij tegenstrijdige belangen behartigt (gedragsregel 7). En hij zal de cliënt goed en juist moeten informeren over de vertrouwelijkheid tussen advocaat en cliënt, met welke partijen hij onder een gemeenschappelijke naam optreedt en op welke wijze daar al dan niet mee wordt samengewerkt. Als hij onder een gemeenschappelijke of gedeeltelijk gemeenschappelijke naam optreedt met de advocaat van een wederpartij, dan moet de advocaat zich er rekenschap van geven dat de schijn van belangenverstrengeling kan optreden. Op de in artikel 5.3 genoemde beroepsbeoefenaren wordt toezicht gehouden door verschillende instanties, waardoor meer controle is op het voorkomen van onjuiste verwachtingen en de naleving van terecht gewekte verwachtingen. 

Afdeling 5.3 Bestuurders

Artikel 5.6 Bestuurders van samenwerkingsverbanden en rechtspersonen

  1. Indien het samenwerkingsverband of de praktijkrechtspersoon een bestuur heeft is de meerderheid van het bestuur en de voorzitter ervan advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep.
  2. Een bestuurder, die niet een advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep is:
    a. verkeert niet of heeft niet verkeerd in staat van faillissement of surseance van betaling en op hem is of was de schuldsanering natuurlijke personen niet van toepassing;
    b. is niet tuchtrechtelijk veroordeeld, waarbij:
    – voor voormalig advocaten: schorsing of schrapping van het tableau is uitgesproken of een schorsing of maatregel op grond van artikel 60b van de Advocatenwet is opgelegd;
    – voor voormalig notarissen: schorsing of ontzetting uit het ambt is uitgesproken;
    – voor voormalig belastingadviseurs: schorsing of royement van het lidmaatschap van het Register Belastingadviseurs is opgelegd of een schorsing van of ontzetting uit het lidmaatschap van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs is uitgesproken;
    – voor voormalig octrooigemachtigden: schorsing van of ontzetting uit het recht om als octrooigemachtigde op te treden is uitgesproken; en
    c. kan een verklaring omtrent het gedrag overleggen als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
  3. Een bestuurder meldt een voorgenomen benoeming tot bestuurder van een niet-advocaat of iemand die geen beoefenaar is van een toegelaten vrij beroep aan de raad van de orde, waarbij wordt meegezonden een door de beoogde bestuurder ondertekende verklaring dat voldaan is aan de vereisten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, en de verklaring omtrent het gedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.

Indien een kantoor een bestuur heeft, dan moeten bestuurders aan bepaalde eisen voldoen. Deze eisen gelden voor zowel bestuurders van rechtspersonen als bestuurders van andere samenwerkingsverbanden. Een voorbeeld van die laatste is een maatschap. Het kantoor heeft dan natuurlijke personen aangesteld als bestuurder of managing partner van het samenwerkingsverband. De voorzitter heeft in de regel een doorslaggevende stem bij stakende stemmen. Daarom is opgenomen dat de voorzitter advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep moet zijn. Het eerste lid bepaalt tevens dat advocaten of beoefenaren van een toegelaten vrij beroep (o.a. notarissen) de meerderheid dienen te hebben, en daarmee doorslaggevende zeggenschap. Het is dus toegestaan dat een ander dan een lid van deze groep bestuurder wordt. Zo is het denkbaar dat een expert op het terrein van financiën een bestuursfunctie krijgt, of een marketing-deskundige. Deze personen zijn niet gebonden aan de regelgeving voor advocaten en vallen evenmin onder ander tuchtrecht, vergelijkbaar met dat van advocaten of van de beoefenaren van een toegelaten vrij beroep. Er is dus geen sanctionering of tuchtrechtelijke handhaving mogelijk op deze groep bestuurders. Om die reden moeten deze personen aan strengere eisen voldoen. Die eisen zijn neergelegd in het tweede lid.

Voor oud-beroepsbeoefenaren gelden eveneens extra eisen. In onderdeel b van het tweede lid zijn de ernstigere tuchtrechtelijke veroordelingen van elk van de vrije beroepen opgenomen. Een oud-advocaat of voormalige beoefenaar van een toegelaten vrij beroep kan geen bestuurder van een samenwerkingsverband of rechtspersoon worden als aan hem als maatregel het tijdelijk of permanent niet meer uitoefenen van het beroep is opgelegd.

Het derde lid bepaalt dat elke voorgenomen benoeming van een niet-advocaat als bestuurder gemeld moet worden bij de raad van de orde. Bij deze voorgenomen benoeming wordt in elk geval meegezonden een verklaring dat is voldaan aan de eisen genoemd in onderdelen a en b van het tweede lid. Daarnaast wordt de verklaring omtrent het gedrag (VOG) meegezonden. Op basis van deze mededelingen kan de raad van de orde nadere informatie opvragen op grond van het vierde lid. De bevoegde raad van de orde is die waar de praktijkrechtspersoon statutair is gevestigd of waar het samenwerkingsverband de hoofdvestiging heeft. 

Afdeling 5.4 Rechtspersonen

Artikel 5.7 Oprichten van praktijkrechtspersoon

  1. De statuten van een praktijkrechtspersoon voldoen aan de volgende eisen:

    a. het doel van de rechtspersoon is beperkt tot het uitoefenen van de rechtspraktijk, het deelnemen in en het voeren van het beheer over een praktijkrechtspersoon, het beleggen van haar vermogen en het vermogen van in de groep verbonden praktijkrechtspersonen, en het verrichten van handelingen die met het vorenstaande verband houden;

    b. de doelomschrijving behelst dat de uitoefening van de rechtspraktijk geschiedt met inachtneming van alle op het beroep toepasselijke regelgeving;

    c. de statuten bepalen dat de meerderheid van de bestuurders, de voorzitter en, voor zover van toepassing, alle directe of indirecte aandeelhouders advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep zijn die de praktijk binnen de praktijkrechtspersoon uitoefenen, of houdster-rechtspersoon zijn die voldoet aan het tweede lid;

    d. De statuten van een praktijkrechtspersoon kunnen voorzien in de mogelijkheid, bedoeld in artikel 5.8, derde lid.

  2. De statuten van een houdster-rechtspersoon voldoen aan de volgende eisen:

    a. het doel van de rechtspersoon is beperkt tot het deelnemen in en voeren van het beheer over een praktijkrechtspersoon, het beleggen van haar vermogen en het vermogen van in de groep verbonden praktijkrechtspersonen, en het verrichten van handelingen die met het vorenstaande verband houden;

    b. de statuten bepalen dat alle bestuurders en voor zover van toepassing alle directe of indirecte aandeelhouders advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep zijn die de praktijk binnen een praktijkrechtspersoon uitoefenen waarvan de houdster-rechtspersoon direct of indirect aandelen houdt of een houdster-rechtspersoon zijn die al dan niet aandelen houdt waarvoor certificaten zonder vergaderrechten zijn uitgegeven.

  3. Indien de praktijkrechtspersoon een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een naamloze vennootschap is, geldt dat de statuten en de ter zake geldende regelingen tevens bepalen dat er uitsluitend aandelen en certificaten op naam worden uitgegeven.
  4. Indien de praktijkrechtspersoon uit leden bestaat en geen aandeelhouders heeft, geldt dat waar in het eerste en tweede lid over aandeelhouders wordt gesproken, gelezen moet worden: de leden.
  5. Indien de rechtspersoon geen statuten heeft, is het eerste lid, respectievelijk tweede lid, van toepassing op de overeenkomst die het doel en de wijze van samenwerking bepaalt.

Dit artikel beschrijft de eisen waaraan de statuten van praktijkrechtspersonen en houdsterrechtspersonen moeten voldoen. De eerste twee leden zijn algemeen van aard. Het derde tot en met vijfde lid ziet op specifieke rechtsvormen.

Een praktijkrechtspersoon kan vele vormen aannemen, zoals een BV, NV, coöperatie, stichting, vereniging of buitenlandse rechtspersoon (bijvoorbeeld de LLP naar het recht van Engeland, Wales of Polen). De bepalingen van het eerste lid zien op al deze vormen. Onderdelen a en b van het eerste lid zien op de statutaire doelomschrijving.

Het beheer van het vermogen kan vormgegeven worden door deelnemingen in andere ondernemingen. Hierbij is het van belang dat de deelneming niet de onafhankelijke beroepsuitoefening van de advocaat in gevaar kan brengen (artikel 5.1). Dat houdt in dat deelnemen in (een onderneming van) een cliënt of een tegenpartij van de cliënt in ieder geval is uitgesloten.

Binnen een houdster-rechtspersoon wordt de praktijk niet uitgeoefend, en daarom hoeft niet in de statuten opgenomen te worden dat het doel beperkt is tot het uitoefenen van de rechtspraktijk. Met dit onderscheid is onder meer beoogd dat op den duur duidelijker uit het handelsregister blijkt welke ‘kantoren’ en praktijkrechtspersonen er zijn. Met het oog daarop kan de statutaire doelomschrijving van een zuivere houdster-rechtspersoon beperkter zijn dan die van een praktijkrechtspersoon. Dit is beschreven in het tweede lid van dit artikel.

De bepalingen in het derde lid gelden voor BV's en NV's. Deze rechtspersonen mogen uitsluitend aandelen op naam uitgeven. Dit is gedaan om ervoor te zorgen dat de zeggenschap en het stemrecht, verbonden aan het aandeel, behouden blijft bij de personen die voldoen aan de eisen van artikel 5.8. Ook de economische gerechtigdheid tot bijv. winstuitkering is beperkt tot een specifieke groep personen. Daarom is ook uitsluitend het uitgeven van certificaten op naam toegestaan (zie eveneens artikel 5.8). Het opnemen van deze bepaling in de statuten biedt een waarborg tegen het overtreden van deze regel.

De bepalingen maken een onderscheid tussen rechtspersonen met in aandelen verdeeld kapitaal, zoals de BV en de NV genoemd in het derde lid, en rechtspersonen zonder aandelen. Van die laatste categorie wordt specifiek de coöperatie genoemd in het vierde lid. Voor coöperaties geldt dat er geen aandelen of aandeelhouders zijn, maar dat leden de zeggenschap hebben. In het vierde lid is daarom opgenomen dat waar in het eerste en tweede lid van aandeelhouders wordt gesproken, dit bij een coöperatie gelezen moet worden als leden.

Een buitenlandse rechtspersoon heeft niet noodzakelijkerwijs statuten waarin bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van bijvoorbeeld bestuurders of aandelenbezit. Deze rechtspersoon heeft dan wel een andere overeenkomst waarin afspraken zijn gemaakt ten aanzien van het doel en de wijze van samenwerking. Deze andere overeenkomsten zullen op grond van het vijfde lid moeten voldoen aan de bepalingen van het eerste en tweede lid.

Artikel 5.8 Aandeelhouderschap en stemrecht

  1. Alle aandelen van een praktijkrechtspersoon en een houdster-rechtspersoon met een in aandelen verdeeld kapitaal en de daarmee verbonden stemrechten of certificaten ervan zijn in handen van:

    a. advocaten of beoefenaren van een toegelaten vrij beroep die de praktijk binnen die praktijkrechtspersoon uitoefenen ofwel binnen een praktijkrechtspersoon waarvan de aandelen indirect door hen worden gehouden; of

    b. houdster-rechtspersonen, waarvan het bestuur uitsluitend bestaat uit advocaten of beoefenaren van een toegelaten vrij beroep.

  2. Tot zes maanden na het defungeren of overlijden van een aandeelhouder is het eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot die aandelen.
  3. In afwijking van het eerste lid, kunnen personen die werkzaam zijn in een praktijkrechtspersoon, maar geen advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep zijn, gezamenlijk tot ten hoogste tien procent van de winst van de praktijkrechtspersoon economische gerechtigdheid verkrijgen in die praktijkrechtspersoon.

Aandeelhouders hebben meestal zeggenschap; daarom is er een beperking opgelegd wie er aandeelhouder kunnen zijn.

Het is onder omstandigheden toegestaan om bepaalde vormen van vruchtgebruik (als pandrecht) op de aandelen te vestigen, zolang deze niet het stemrecht omvatten. Het effect van een overdracht van stemrecht aan een daartoe niet op grond van deze verordening gerechtigde is dat de praktijk niet langer mag worden uitgeoefend binnen deze praktijkrechtspersoon. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de aandelen aan een financier worden verpand en het pandrecht wordt uitgeoefend.

Ook is het toekennen van economisch voordeel op grond van vruchtgebruik op aandelen slechts beperkt toegestaan. Het economische voordeel (of het risico) dat aan aandelen is verbonden, is van belang voor de onafhankelijkheid van de praktijkuitoefening. De aandeelhouder of vruchtgebruiker deelt in rekening en risico van de praktijkuitoefening. Hij moet dus de hoedanigheid hebben van een van de partijen met wie een samenwerkingsverband mag worden aangegaan (artikel 5.3).

 

Het derde lid van artikel 5.8 bevat een lex specialis, die vruchtgebruik in de vorm van certificaten op naam en stemrechtloze aandelen toestaat, maar beperkt tot in totaal 10% van de winst. Onder winst wordt hier verstaan de winst voor belastingen, of de earnings before interest, taxes, depreciation and amortization (EBITDA). Voor dat beperkte deel is winstdeling toegestaan voor medewerkers van een praktijkrechtspersoon, die geen advocaat of beoefenaar van een toegelaten vrij beroep zijn. De winstdeling kan in de vorm van vergaderrecht- of stemrechtloze aandelen, of in de vorm van certificaten op aandelen worden gegoten. 

Afdeling 5.5 Praktijkuitoefening in dienst

Paragraaf 5.5.1 Bescherming kernwaarden bij dienstverbanden

Artikel 5.9 Toegestane dienstverbanden

Een advocaat kan uitsluitend de praktijk uitoefenen in dienst van:

a. een advocaat;

b. een beoefenaar van een toegelaten vrij beroep;

c. een samenwerkingsverband, zo lang is voldaan aan artikel 5.4 en artikel 5.6;

d. een praktijkrechtspersoon;

e. een verzekeraar die uitsluitend de branche rechtsbijstandsverzekering uitoefent en als zodanig voldoet aan de in de Wet op het financieel toezicht gestelde voorwaarden of een juridisch zelfstandig schaderegelingkantoor als bedoeld in artikel 4:65, eerste lid, onderdeel b, van die wet, is of een daarmee vergelijkbare instelling, zo lang is voldaan aan artikel 5.11 tot en met artikel 5.13, of paragraaf 5.5.2;

f. een organisatie met een ideële doelstelling, zolang deze voldoet aan artikel 5.10; of

g. een andere werkgever, zolang de advocaat binnen dat dienstverband uitsluitend optreedt voor die werkgever of in de groep met de werkgever verbonden rechtspersonen, en de werkzaamheden in hoofdzaak zijn gericht op de uitoefening van de rechtspraktijk.

Het stelsel van de praktijkuitoefening in dienst is een gesloten stelsel. Het uitoefenen van de praktijk in dienst van een ander, is behoudens de opsomming van artikel 5.9 niet toegestaan.

De opsomming van artikel 5.9 is limitatief.

Het leidende criterium is daarbij dat de onafhankelijkheid van de advocaat gewaarborgd dient te zijn. De juridische onafhankelijkheid in de zin van beoordelingsvrijheid en ongecompromitteerde dienstbaarheid aan het cliëntenbelang houdt in dat de advocaat zelf kan bepalen hoe hij de behandeling van de zaak ter hand zal nemen. Immers, wat de advocaat onderscheidt is een zekere mate van onbevangenheid en objectiviteit ten aanzien van de zaak en de belangen die daarin spelen. De kernwaarde van onafhankelijkheid is opgenomen in zowel de gedragsregels (gedragsregel 2) als artikel 10a van de Advocatenwet.

Die onbevangenheid en objectiviteit gelden evenzeer in de professionele afstand die de advocaat in acht dient te nemen ten aanzien van zijn “broodheer”, of dat nu een cliënt is, of, in het geval van de advocaat in dienst, zijn werkgever. De ondergeschiktheidsrelatie waardoor een dienstverband per definitie wordt gekenmerkt schept, vergeleken bijvoorbeeld met de voet van gelijkheid waarop partners in een samenwerkingsverband plegen om te gaan, een vorm van extra-afhankelijkheid. De vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van het beroep zullen daarom in de gevallen waarin de werkgever zelf geen advocaat is met waarborgen moeten worden omringd, die de ongelijkheid in aanvaardbare mate opheffen. 

Indien de advocaat een arbeidsovereenkomst heeft of een aanstelling die daarmee vergelijkbaar is, kan hij uitsluitend de praktijk uitoefenen indien de werkgever een van de onder a tot en met g genoemde werkgevers is. Alle advocaten met een dergelijke arbeidsovereenkomst zijn advocaten die de praktijk uitoefenen in dienst. Echter de term ‘advocaat in dienstverband’ wordt in het spraakgebruik gehanteerd voor advocaten in dienst van een werkgever bedoeld in de onderdelen e tot en met g. Voor deze advocaten geldt dat er altijd een professioneel statuut moet worden overeengekomen (op grond van artikel 5.12, eerste lid)

Onderdeel g heeft als bijzondere eis dat de werkzaamheden van de advocaat in hoofdzaak gericht moeten zijn op de uitoefening van de rechtspraktijk. Daaronder wordt ook organisatie of management van de rechtspraktijk begrepen. Deze bepaling heeft tot doel het gebruik van de ‘geprivilegieerde’ status van advocaat als dekmantel voor niet-juridische werkzaamheden te voorkomen. 

Artikel 5.10 Toegestane organisaties met ideële doelstelling
  1. Een organisatie met een ideële doelstelling als bedoeld in artikel 5.9, onderdeel f:

    a. beperkt haar activiteiten feitelijk en statutair tot het zonder winstoogmerk nastreven van een ideëel doel dat maatschappelijk van wezenlijke betekenis is en dat naar zijn aard parallel loopt met het gezamenlijke belang van haar leden of op vergelijkbare wijze bij de organisatie aangeslotenen;

    b. heeft de verlening van de rechtsbijstand ondergebracht in een organisatorische eenheid die voldoende onafhankelijk functioneert van de overige onderdelen van de organisatie;

    c. heeft een zodanige financieel-economische stabiliteit dat een behoorlijke praktijkuitoefening door de advocaat in dienst bij die organisatie is gewaarborgd.

  2. De uitoefening van de praktijk in dienst van een organisatie met een ideële doelstelling als bedoeld in artikel 5.9, onderdeel f, is bovendien slechts toegestaan wanneer zij geschiedt ten behoeve van die werkgever of diens leden als zodanig, in het laatste geval echter uitsluitend zolang de door de advocaat verleende rechtsbijstand zich beperkt tot:

    a. de behartiging van de belangen van de leden welke kunnen worden geacht te vallen binnen het kader van die ideële doelstelling zonder dat zij strijdig kunnen zijn met de belangen van andere leden; en

    b. de behandeling van zaken waarvan naar hun aard aannemelijk is dat de wederpartij zich niet voor rechtsbijstand tot die werkgever kan wenden.

Organisaties met een ideële doelstelling zijn bijvoorbeeld consumentenorganisaties of vakbonden. Bij dit soort organisaties vertoont de doelstelling van de organisatie over het algemeen een structurele parallelliteit met die van de leden. Het artikel beoogt een concrete, in de praktijk hanteerbare afbakening te bewerkstelligen van de groep instellingen waarvan de rechtshulpverlening zich beperkt tot een omlijnd ideëel doel dat samenvalt met het doel van de organisatie. Op die wijze vertonen de belangen van de werkgever en de cliënt de noodzakelijke (structurele) parallelliteit. De genoemde criteria zijn een waarborg tegen aantasting van de onafhankelijkheid van de advocaat en onaanvaardbare belangenverstrengeling. Dat ligt anders bij organisaties die zich niet tot een definieerbaar, ideëel bepaald gebied van rechtshulpverlening beperken, en à fortiori bij organisaties die ook bij hun overige activiteiten een diversiteit aan uiteenlopende belangen en belangentegenstelling in zich bergen. Het staat dergelijke organisaties overigens vrij langs de weg van artikel 5.9, aanhef en onderdeel g, zich `binnenshuis´ van rechtsbijstand te verzekeren door middel van bedrijfsjuristen/advocaten, zeker wanneer het een algemeen groepsbelang betreft dat kan worden gelijkgesteld met het belang van de organisatie in kwestie. Een andere optie zou zijn om de gewenste rechtsbijstand door advocaten onder te brengen in een ten opzichte van de organisatie onafhankelijk staande praktijkrechtspersoon. De in dit artikel bedoelde organisaties moeten tenslotte een wezenlijke maatschappelijke functie vervullen (zulks om misbruik van deze bepaling te vermijden door organisaties bij wie het ideële doel slechts een façade is), en tevens moet (de continuïteit van) de praktijkuitoefening van de advocaat in dienst, ook in financieel-economisch opzicht zijn verzekerd.

Uitgangspunt van de regel is dat er een samenval van belangen is tussen de `ideële´ werkgever en de bij die werkgever aangesloten cliënt aan wie rechtsbijstand wordt verleend. Daarom is het van belang dat de werkgever een ideëel doel nastreeft (en geen winstoogmerk heeft), terwijl de te verlenen rechtshulp binnen het kader van datzelfde doel valt. Behartigt de werkgever ook andere belangen (waaronder begrepen het beogen van winst), dan is er een aanzienlijke kans op (latente) belangentegenstellingen. Er is dan geen sprake van `structurele parallelliteit´.

De redactie van artikel 5.10 (met name het gestelde in het eerste lid, onderdeel b), staat in de weg aan de toetreding van advocaten in dienst van organisaties van werkgevers en daarmee vergelijkbare instellingen. Het probleem bij dergelijke organisaties is dat zij zich in veel gevallen niet beperken tot een definieerbaar, ideëel bepaald gebied dat samenvalt met het gebied waarop men rechtshulp wenst te verlenen. Binnen dergelijke organisaties komen zeer uiteenlopende belangen en daarmee gepaard gaande belangentegenstellingen voor. De bestaande gedragsregels van advocaten (hierbij kan met name worden gedacht aan gedragsregel 7, eerste lid), noch artikel 5.13 bieden een waarborg tegen de veelheid van (potentiële) belangentegenstellingen die ontstaan indien de advocaat in dienst van een dergelijke organisatie de behartiging op zich neemt van de individuele belangen van een enkel lid. Als de leden van of aangeslotenen bij die organisatie onderling verschillende belangen hebben, is gegeven dat de belangen van het lid waaraan rechtshulp verleend moet worden niet altijd parallel lopen met de belangen van de andere leden. Hetzelfde kan zich voordoen met het overkoepelende belang van de organisatie zelf. In zo´n geval komt de onafhankelijke behartiging van het cliëntenbelang onder een onwenselijke druk te staan, als daarvoor een advocaat in dienst van de organisatie wordt ingeschakeld. Dat zal zich met name voordoen wanneer een standpunt dat de advocaat namens zijn cliënt moet verdedigen, conflicteert met standpunten die de brancheorganisatie als geheel voorstaat, of standpunten die door binnen de brancheorganisatie vertegenwoordigde groepen worden voorgestaan. Het gaat daarbij om principiële of beleidsmatige kwesties en niet om geschillen met een incidenteel of overwegend feitelijk karakter.

 

Voorbeelden

A. Binnen een brancheorganisatie van winkelbedrijven is als beleidsstandpunt aanvaard dat actie moet worden gevoerd tegen de opening van grote winkelbedrijven buiten de bebouwde kom (weidewinkels). De advocaat in dienst van de organisatie krijgt het verzoek van een van de leden om zijn bemiddeling te verlenen bij de verkrijging van een vergunning voor een dergelijke weidewinkel. De advocaat staat dan voor een onoverkomelijk belangenconflict: zijn loyaliteit aan zijn lid-cliënt staat onder druk doordat hij tevens loyaliteit aan de brancheorganisatie en de (andere) daarin vertegenwoordigde ondernemingen verschuldigd is.

B. Een ideële organisatie begint op naam van een lid een proefprocedure. In de loop daarvan doet zich de mogelijkheid van een schikking voor. Het lid wenst daarop in te gaan, maar de organisatie ziet liever dat een principiële uitspraak over het tot inzet van de proefprocedure gemaakte rechtspunt wordt verkregen. Ook hier doet zich een belangenconflict voor, waardoor de advocaat in dienst van de organisatie niet goed kan functioneren als onafhankelijke vertegenwoordiger van het belang van zijn cliënt. Daaraan doet niet af dat het door de advocaat behandelde geschil formeel speelt tussen het lid en diens processuele wederpartij, en niet tussen het lid en de organisatie waarbij de advocaat in dienst is.

Gelet op de gewenste parallelliteit van belangen zijn in het tweede lid extra eisen opgenomen voor de toelating van advocaten in dienst van de hier besproken organisaties. Een onaanvaardbare aantasting van de onafhankelijke, op behartiging van het cliëntenbelang gerichte positie van de advocaat wordt zo voorkomen. Ten eerste moet de behartiging door de advocaat van individuele ledenbelangen geacht kunnen worden te vallen binnen het kader van de ideële doelstelling en mag deze niet (kunnen) strijden met de belangen van andere leden. Ten tweede mag de advocaat uitsluitend zaken behandelen waarvan naar hun aard aannemelijk is dat de tegenpartij zich niet voor rechtsbijstand tot dezelfde werkgever kan wenden. 

Artikel 5.11 Verzekerde rechtsbijstand
  1. De advocaat in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onderdeel e, kan uitsluitend optreden in die hoedanigheid ten behoeve van de werkgever of bij die werkgever verzekerden.
  2. Indien de advocaat, bedoeld in het eerste lid, wordt verzocht de belangen van de verzekerde in een gerechtelijke of administratieve procedure te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen biedt hij de verzekerde de keuze de behartiging van zijn belangen toe te vertrouwen aan een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige van zijn keuze.

De interdepartementale werkgroep domeinmonopolie advocatuur (werkgroep Cohen) benadrukt in hun rapport het belang van onafhankelijkheid van de advocaat in die dienstverbanden waarin geen sprake is van zogeheten ‘structurele parallelliteit’, dat wil zeggen dat belangen van werkgever en advocaat-werknemer of de cliënt niet zonder meer met elkaar in de pas lopen. Bij de rechtsbijstandverzekeraars ligt, zo heeft de werkgroep Cohen opgemerkt, structurele parallelliteit minder voor de hand. Ten aanzien van de verzekeraars merkte de werkgroep dan ook op

”dat niet op voorhand sprake is van parallelliteit van belangen van verzekeraars en verzekerden. Aan de ene kant moet de behandelend jurist van de verzekeraar erop toezien dat de rechten van de verzekerde worden gewaarborgd (hetgeen een tendens naar kostenverhoging kan opleveren), terwijl hij aan de andere kant ook medeverantwoordelijk is voor het streven van het verzekeringsbedrijf naar continuïteit van de bedrijfsvoering door kostenbeheersing. Conflictsituaties kunnen zich in een dergelijk spanningsveld voordoen.”

In het eerste lid van artikel 5.11 wordt bepaald dat de advocaat in dienst van een verzekeraar uitsluitend kan optreden “ten behoeve van de werkgever of bij die werkgever verzekerden”. In de toelichting op artikel 5.9 is al aangehaald dat het stelsel een limitatief en gesloten karakter kent. Dit gesloten karakter brengt met zich mee dat de term ‘verzekerden’ in het eerste lid, van toepassing is als er sprake is van een verzekerd belang. De dienstverlening van de advocaat in dienst bij een rechtsbijstandsverzekeraar dient zich te beperken tot dienstverlening aan deze verzekerden in hun verzekerde hoedanigheid.  Dienstverlening buiten de polis om richt zich tot een niet-verzekerde en is mitsdien niet toegestaan. Een andere uitleg van het begrip ‘verzekerde’ is op principiële gronden niet verenigbaar met de vrijheid en onafhankelijkheid van de beroepsuitoefening (zie toelichting op artikel 5.9).

Een rechtsbijstandsverzekeraar is een commerciële werkgever, niet zijnde advocaat. Het aanbieden van bijstand aan niet-verzekerden door advocaten in loondienst van die profitorganisatie is niet toegestaan. Dan gaat het dus om een advocaat in loondienst van een profitorganisatie die wordt geïnstrueerd aan derden als advocaat diensten te verlenen en te factureren, alles ten dienste van het winststreven van zijn werkgever. In die constructie is de rechtsbijstandverzekeraar niet anders dan een andere potentiële aanbieder van advocatuurlijke diensten die zelf geen advocaat is. Deze alternative business structures zijn uitsluitend in het Verenigd Koninkrijk toegestaan. De onafhankelijkheid van de advocaat is in deze structuren niet te herstellen met een professioneel statuut en daarom in het algemeen verboden.

Het Europese Hof van Justitie heeft als voorwaarde voor het verschoningsrecht van de advocaat het vereiste van onafhankelijkheid gesteld (o.a. in HvJEU 14/09/2010, zaaknr. C-550/07 P, Akzo ECLI:EU:C:2010:512). Het gebrek aan onafhankelijkheid heeft gevolgen voor de bescherming van de vertrouwelijkheid in de relatie tussen de cliënt en de advocaat (in dienst). Om die vertrouwelijkheid te waarborgen, beperkt deze paragraaf, en in het bijzonder het eerste lid van dit artikel, weliswaar de mededinging maar is dat gerechtvaardigd.

Het tweede lid betreft de verplichting van de advocaat om de verzekerde op een bepaald moment het aanbod te doen dat deze verzekerde kan kiezen voor bijstand door een raadsman van zijn keuze. Reeds op grond van de artikelen 4:65 en verder van de Wet op het financieel toezicht (Wft) heeft de verzekerde een vrije advocaatkeuze. Het stelsel van de Wft lijkt meerdere regimes te beschrijven. Het ene regime in artikel 4:65, eerste lid, onderdeel c en tweede lid, onderdeel b, en het tweede regime in artikel 4:67, eerste lid, onderdeel a, van de Wft. Deze verordening dwingt (advocaten in dienst van) verzekeraars niet tot een keuze voor een van beide regimes. Op aangeven van deze advocaten in dienst bij verzekeraars is daarom aansluiting gezocht bij de formulering van artikel 4:67, eerste lid, onderdeel a, van de Wft. Het tweede lid benadrukt dat een advocaat in dienst van een verzekeraar een eigen verplichting heeft zich te vergewissen van deze vrije keuze van de verzekerde. 

Artikel 5.12 Professioneel statuut
  1. Een advocaat kan de praktijk uitsluitend in dienst uitoefenen van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onderdelen e, f en g, indien hij een door hem en zijn werkgever ondertekend professioneel statuut heeft, gelijk aan het model, bedoeld in het derde lid.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een advocaat in dienst bij een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onderdelen c en d, in geval de zeggenschap over de praktijkrechtspersoon of het samenwerkingsverband in meerderheid bij niet-advocaten is belegd.
  3. De algemene raad stelt een model van het professioneel statuut vast en kan bij wijzigingen in dat model bepalen wanneer een bestaand professioneel statuut moet worden aangepast.

Voor advocaten in dienst van de werkgevers bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, onderdelen e, f en g, is een professioneel statuut altijd vereist. Het professionele statuut beschermt de onafhankelijke beroepsuitoefening van de advocaat tegen ongewenste beïnvloeding door zijn werkgever met wie per definitie een hiërarchische verhouding bestaat.

Het ondertekende professionele statuut moet voorafgaand aan het dienstverband worden overgelegd aan de deken (artikel 5.15, eerste lid).

Bij werkgevers die praktijkrechtspersoon zijn, kan het voorkomen dat op enig moment de meerderheid van het bestuur niet-advocaat is of wordt. Indien die omstandigheid zich voordoet, bijvoorbeeld bij een bestuurswisseling, moet voor alle bij die praktijkrechtspersoon werkzame advocaten een professioneel statuut worden opgesteld. Dat ondertekende statuut moet binnen een week worden overgelegd aan de deken (artikel 5.15, tweede lid).

Artikel 5.13 Voorkomen tegenstrijdige belangen
  1. Het is de advocaat die de praktijk in dienst uitoefent niet toegestaan in enige zaak voor een of meer cliënten op te treden, wanneer hij daarbij uit hoofde van het dienstverband belangen in acht zou moeten nemen die strijden met het belang van die cliënt of cliënten of wanneer een daarop uitlopende ontwikkeling aannemelijk is.
  2. De praktijkuitoefening van een advocaat in dienst van een werkgever is te verenigen met een door hem buiten dat dienstverband uitgeoefende rechtspraktijk, mits de advocaat in afdoende mate ervoor zorgdraagt dat geen belangenverstrengeling kan ontstaan, dat verwarring omtrent de hoedanigheid waarin hij optreedt is uitgesloten en hij van deze rechtspraktijk bij de deken melding maakt.

Dit artikel is een uitwerking van de in artikel 5.1 neergelegde waarborgen ter bescherming van de vrijheid en onafhankelijkheid, toegespitst op de advocaat in dienst. Het voorkomen van mogelijk tegenstrijdige belangen is ook neergelegd in gedragsregel 7.

Bij het bijstaan van en optreden voor cliënten kan ook de schijn van belangenverstrengeling ontstaan. Zowel het eerste lid als het tweede lid dragen de advocaat op daar bedacht op te zijn, en schrijven voor dat de advocaat geen cliënten bijstaat waarbij er een risico is dat de advocaat niet kan voldoen aan de kernwaarden van partijdigheid en onafhankelijkheid.

Het tweede lid betreft advocaten die, al dan niet in deeltijd, in dienst zijn bij een werkgever en daarnaast de praktijk uitoefenen op een andere wijze. Dit artikel houdt in dat het in beginsel mogelijk is om naast de werkgever voor andere cliënten op te treden.

Ten aanzien van het tweede lid gaat het mede om cliënten die hem (ook) uit hoofde van zijn functie bij de werkgever kunnen benaderen of een wederpartij van de werkgever kunnen zijn. Hetzelfde is denkbaar voor een advocaat bij een ideële instelling, voor wat betreft de leden of aangeslotenen. De advocaat kan voor hen optreden uit hoofde van zijn dienstverband, maar niet vanuit zijn ‘eigen’ praktijk voor diezelfde personen optreden.

Ook met inachtneming van het tweede lid, geldt dat de advocaat in ieder geval gedragsregel 7 moet naleven met het oog op de belangenverstrengeling, evenals het bepaalde in artikel 5.1.

 

Verhouding tot artikel 12 van de Advocatenwet

Aandacht verdient artikel 12, eerste lid, van de Advocatenwet. Deze bepaling verplicht de advocaat op één plek in één arrondissement kantoor te houden. De advocaat zal een locatie moeten kiezen waar hij kantoor houdt. Deze locatie geldt, op grond van artikel 12, tweede lid, voor al zijn werkzaamheden als gekozen kantoor. De advocaat wordt dan ook voor beide praktijken geacht bereikbaar te zijn op die locatie, o.a. voor betekening van stukken en post, maar ook in het kader van het op hem uit te oefenen toezicht. Op dit kantoor zal de advocaat dus een substantieel deel van zijn administratie en de dossiers beschikbaar moeten hebben met het oog op dat toezicht. Het adres waar de advocaat op grond van artikel 12, eerste lid, van de Advocatenwet, kantoor houdt is het adres waarmee de advocaat geregistreerd wordt op het tableau en dus zichtbaar is voor de in artikel 8a, eerste en tweede lid, van de Advocatenwet genoemde personen en instanties.

Gegeven deze uit de wet voortvloeiende verplichting zijn er twee varianten denkbaar waarin de advocaat in dienst van een werkgever kan optreden voor andere cliënten. De eerste variant is dat de advocaat kantoor houdt op het adres van de werkgever, en dat hij daar bijvoorbeeld ook de administratie over en dossiers van de andere cliënten bewaard. Hij dient op die plek te kunnen voldoen aan alle op hem van toepassing zijnde regelgeving en gedragsregels. Of de werkgever de advocaat in staat zal stellen om dat te doen en of de advocaat toegestaan zal worden anderen te ontvangen op die werkplek, is een zaak van de advocaat en de werkgever.

In dat geval resteert de tweede variant, waarbij de advocaat kantoor houdt op een andere locatie, bijvoorbeeld zijn eigen huis. Maar ook een gehuurde bedrijfsruimte zou daarvoor geschikt gemaakt kunnen worden. De advocaat gaat dan kantoor houden op dat adres. Hij treedt dan op voor beide categorieën van cliënten: de werkgever en de eigen cliënten, vanaf dat (huis-)adres. De advocaat moet in beide scenario’s bedacht zijn op de gevolgen van zijn keuze en daarvoor afdoende maatregelen treffen. Te denken is aan de vertrouwelijkheid van dossiers en de communicatie (nummerherkenning).

Ingevolge het tweede lid rust er een verplichting op de advocaat om belangenverstrengeling te voorkomen en dat verwarring bij cliënten en derden over zijn hoedanigheid (advocaat in dienst of vrijgevestigd) vermeden wordt. Het risico op verwarring is groter indien de advocaat met zijn gemengde praktijk kantoor houdt bij de werkgever. De advocaat zal zich (veel) meer moeite moeten getroosten om het risico op verwarring uit te sluiten. De toezichthoudende deken kan van oordeel zijn dat dit risico op verwarring in een concrete situatie niet weg te nemen is. In dat geval kan het nodig zijn dat de advocaat voor zijn hele praktijk kantoor gaat houden op een ander adres dan de werkgever of stopt met zijn eigen praktijk en het bijstaan van andere cliënten.

Het bovenstaande laat onverlet de mogelijkheden van advocaten in dienst bij een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, onderdeel e, respectievelijk onderdeel f, om leden en aangeslotenen, respectievelijk verzekerden bij te staan (cliënten als beschreven in artikel 5.10, tweede lid, respectievelijk, artikel 5.11, eerste lid). Ook in die situaties is artikel 12 van de Advocatenwet van toepassing en dient de advocaat zich bewust te zijn van de betrokken belangen van onderscheiden cliënten.

Artikel 5.14 Kenbare hoedanigheid

De advocaat in dienst van een werkgever behoudt bij alle binnen het dienstverband voorkomende werkzaamheden de hoedanigheid van advocaat en maakt die hoedanigheid tegenover derden steeds duidelijk kenbaar.

Om te voorkomen dat verwarring ontstaat over de hoedanigheid van de advocaat zal hij deze bekend moeten maken bij zijn werkzaamheden. Het verdient de voorkeur dat het briefpapier en de elektronische handtekening bij correspondentie per e-mail van de advocaat deze hoedanigheid ook noemt. Indien de hoedanigheid bij degene met wie hij communiceert bekend is, hoeft de advocaat deze niet steeds opnieuw bekend te maken.

Artikel 5.15 Informeren deken bij praktijkuitoefening in dienst
  1. De advocaat, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, verstrekt de deken een kopie van het door hem en zijn werkgever ondertekende professioneel statuut voorafgaand aan zijn praktijkuitoefening in dienst.
  2. De advocaat, bedoeld in artikel 5.12, tweede lid, verstrekt de deken een kopie van het door hem en zijn werkgever ondertekende professioneel statuut binnen een week nadat de in dat lid bedoelde situatie zich voordoet.

Dit artikel beschrijft wanneer de advocaat aan de deken een professioneel statuut moet kunnen overleggen.

Het eerste lid is ook relevant voor advocaten die werkgever zijn. De raad van de orde kan hen vragen om bepaalde informatie aangaande de arbeidsrelatie(s) te verstrekken.

Het tweede lid schrijft voor dat voor aanvang van de arbeidsrelatie de werknemer-advocaat een professioneel statuut ondertekend door hem en de werkgever verstrekt aan de raad van de orde.

De situatie uit het derde lid komt in de praktijk niet vaak voor. Indien het bestuur van een samenwerkingsverband (waaronder ook een praktijkrechtspersoon wordt begrepen) van samenstelling verandert, dan is een professioneel statuut noodzakelijk als de meerderheid van het bestuur niet-advocaat is (zie artikel 5.12, tweede lid). Binnen een week nadat die situatie zich heeft voorgedaan moet een afschrift van een ondertekend professioneel statuut overgelegd worden aan de raad van de orde. Zo mogelijk vindt dat eerder dan binnen een week plaats.

Paragraaf 5.5.2 Experiment rechtsbijstandsverzekeraars

Paragraaf 5.5.2 bevat regelgeving voor het experiment, waarin het advocaten in dienst van deelnemende rechtsbijstandsverzekeraars (of zelfstandige schaderegelingskantoren) wordt toegestaan om naast verzekerden ook op te treden voor niet bij die rechtsbijstandsverzekeraars verzekerden rechtszoekende. Het experiment beoogt meer kennis en ervaring op te doen over een mogelijke systeemwijziging van regelgeving op praktijkstructuren, terwijl tevens enkele bestaande waarborgen voor een behoorlijke beroepsuitoefening conform de kernwaarden van de advocaat behouden blijven. (bron: Vo.-15, nr.3)

Het experiment eindigt op de in artikel 10.4 genoemde datum. Niet voldoen aan de voorwaarden genoemd in deze paragraaf leidt tot strijd met artikel 5.11 en is tuchtrechtelijk laakbaar.

Artikel 5.16 Experiment en voorwaarden deelname
  1. In afwijking van artikel 5.11, eerste lid, kan de advocaat in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, aanhef en onderdeel e, in die hoedanigheid ook optreden voor niet bij die werkgever verzekerden, indien:

    a. het gezag over die advocaat wordt uitgeoefend door een werkgever, waarvan de meerderheid van de leden van het bestuur en de voorzitter daarvan, advocaat is;

    b. in voorkomend geval een meerderheid van de aandelen van de werkgever worden gehouden door een andere rechtspersoon, de meerderheid van de leden van het bestuur en de voorzitter daarvan, advocaat is; en

    c. diens werkgever zich voorafgaand als deelnemer aan het experiment bij de algemene raad heeft gemeld en daarbij alle noodzakelijke gegevens over de nakoming van de voorwaarden overlegt.

  2. Als lid van het bestuur heeft tevens te gelden een rechtspersoon waarvan de meerderheid van de leden en de voorzitter daarvan, advocaat is.
Artikel 5.17 Informeren ten behoeve van de evaluatie

De advocaat in dienst van een aan het experiment deelnemende werkgever verstrekt ten behoeve van de evaluatie jaarlijks aan de algemene raad geaggregeerde en geanonimiseerde gegevens over:

a. het door de advocaat behandelde aantal zaken in een kalenderjaar met een uitsplitsing tussen verzekerden en niet-verzekerde cliënten;

b. de wijze waarop de kernwaarden van de advocaten in dienst zijn gewaarborgd; en

c. eventuele tussentijdse wijzigingen in de nakoming van de voorwaarden, bedoeld in artikel 5.16.

Hoofdstuk 6 Kantoororganisatie

De voorschriften van afdeling 6.1 en 6.2 zijn gericht tot advocaten, en zij zijn gehouden deze na te leven. Het ligt evenwel in de rede dat de meeste van de verplichtingen nagekomen worden door het kantoor, dat wil zeggen het samenwerkingsverband of de praktijkrechtspersoon. Indien het samenwerkingsverband en de praktijkrechtspersoon voldoen aan de verplichtingen, hoeven de advocaten dat niet zelf nog eens te voldoen. Advocaten blijven wel eindverantwoordelijk voor de naleving door het kantoor.

Afdeling 6.1 Interne organisatie en beschrijving werkwijze

Artikel 6.1 Reikwijdte

Deze afdeling is niet van toepassing op advocaat-stagiaires, uitgezonderd stagiaire-ondernemers en buitenstagiaires.

Een advocaat-stagiaire is voor de wijze waarop de organisatie van het kantoor is ingericht afhankelijk zijn patroon (of zijn kantoor). Daarom rust op advocaat-stagiaires geen zelfstandige verplichting tot naleving van de bepalingen van deze afdeling. Deze afdeling geldt wel voor advocaat-stagiaires die stagiaire-ondernemer of buitenstagiaire zijn (zie tevens artikel 3.11).

Artikel 6.2 Inrichten organisatie en dienstverlening

  1. De advocaat richt de organisatie van zijn kantoor, alsmede de dienstverlening aan de cliënt adequaat in.
  2. De algemene raad kan, gehoord het college van afgevaardigden, over het bepaalde in het eerste lid nadere regels stellen.

Artikel 6.2 en artikel 6.3

Met het oog op een goede behartiging van de belangen van de cliënt en een efficiënte rechtsbedeling dient de advocaat zijn kantoor en de dienstverlening adequaat in te richten. Wat adequaat is, hangt af van de specifieke praktijk van de advocaat.

De advocaat mag geen zaken aannemen die hij niet adequaat kan behandelen (artikel 6.3). Deze bepaling houdt ook verband met artikel 3.1.3 van de gedragscode van de CCBE. “A lawyer shall not handle a matter which the lawyer knows or ought to know he or she is not competent to handle, without co-operating with a lawyer who is competent to handle it. A lawyer shall not accept instructions unless he or she can discharge those instructions promptly having regard to the pressure of other work.” De competentie van de advocaat om een zaak te behandelen is mede afhankelijk van de druk van ander werk en de mogelijkheden om alle zaken goed te behandelen. Een advocaat kan meer zaken goed behandelen naar mate zijn kantoororganisatie daartoe beter toegerust en ingericht is. Concreet betekent dit dat een advocaat gehouden kan zijn om niet (meer) op te treden of bijstand te verlenen aan cliënten, indien zijn organisatie daartoe niet geëquipeerd is of de werkdruk van andere zaken te hoog is.

Artikel 6.3 Aannemen zaken

Een advocaat neemt alleen zaken aan die hij gelet op zijn kantoororganisatie adequaat kan behandelen.

Artikel 6.4 Beschrijving werkwijze

  1. De advocaat beschrijft de wijze waarop hij voldoet aan de voor hem geldende regels betreffende:

    a. de vakbekwaamheid;

    b. de kantoororganisatie;

    c. de administratie;

    d. derdengelden;

    e. de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering terrorisme;

    f. het dossier- en zaaksbeheer;

    g. informatiemanagement;

    h. risico-management;

    i. cliënt-relatie;

    j. belangenverstrengeling.

     

  2. De algemene raad kan nadere regels stellen betreffende de beschrijving, bedoeld in het eerste lid.

In artikel 6.2 en artikel 6.3 staan verplichtingen voor een advocaat met betrekking tot de kantoororganisatie en het aannemen van zaken. Artikel 6.4 biedt op die verplichtingen een aanvulling. De advocaat is gehouden te beschrijven op welke wijze hij voldoet aan de regels. Daarmee wordt onder meer beoogd dat de advocaat nadenkt over de door hem gewenste situatie. Een kantoorhandboek kan een van de vormen zijn waarop de advocaat zijn werkwijze beschrijft. Een voordeel daarvan is dat het ook voor nieuwe advocaten en medewerkers van een kantoor inzichtelijk is op welke wijze het kantoor is georganiseerd.

Aan de andere kant vormt artikel 6.4 een invulling van de bepalingen in artikel 6.2 en artikel 6.3, daar het een aantal onderwerpen omschrijft waarop de kantoororganisatie en de beslissingen omtrent het aannemen van cliënten moet zien.

De bovenbeschreven verplichting om te beschrijven op welke wijze aan de regels, genoemd in onderdelen a tot en met j, wordt voldaan, laat onverlet de mogelijkheid van de deken om inlichtingen te vorderen op grond van zijn toezichthoudende taak (o.a artikel 5:16 Awb). 

Afdeling 6.2 Administratie

Artikel 6.5 Administratieplicht

  1. Voor zover niet reeds bepaald in artikel 10 van Boek 2, respectievelijk artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek:

    a. voert een advocaat de administratie van zijn praktijk en bewaart hij de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen kunnen worden gekend;

    b. stelt een advocaat de balans en de staat van baten en lasten op schrift binnen zes maanden na afloop van het boekjaar.

  2. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme voert de advocaat de administratie zodanig dat blijkt dat hij voldoet aan die wet.

Dit artikel beschrijft de verplichting van de advocaat zijn administratie op een ordelijke wijze te voeren. Hier is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij artikel 2:10 van het BW, dat betrekking heeft op de administratieve verplichtingen van de rechtspersoon, en artikel 3:15i van het BW, dat betrekking heeft op degenen die zelfstandig een beroep uitoefenen. Artikel 6.5 roept een verplichting in het leven voor de advocaat die de praktijk buiten het verband van een rechtspersoon uitoefent en samen met anderen kantoor houdt. Andere advocaten hebben deze verplichting reeds op grond van de genoemde artikelen van het BW. Op de naleving van de administratieplicht wordt toegezien door de deken.

Met de woorden ‘van zijn praktijk’ wordt tot uitdrukking gebracht dat meerdere advocaten die de praktijk binnen een en hetzelfde kantoorverband uitoefenen kunnen volstaan met het voeren van één administratie. Ieder voor zich blijven ze verantwoordelijk voor de administratie van de eigen praktijk. Onder het voeren van een administratie op ordelijke wijze wordt in deze verordening onder meer begrepen dat de advocaat een debiteuren- en crediteurenadministratie dient aan te houden, evenals een kas/giroboek en een grootboek.

Afdeling 6.3 Geheimhoudernummers

Paragraaf 6.3.1 Doel registreren geheimhoudernummers

Artikel 6.6 Doel registratie

De secretaris van de algemene raad registreert geheimhoudernummers met het oog op de verstrekking ervan aan de in de artikelen 6.7 en 6.8 bedoelde partijen ter waarborging van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaat en cliënt.

De registratie van telefoon- en faxnummers vindt plaats om te voorkomen dat deze nummers worden getapt of afgeluisterd, dan wel ter bevordering dat geheimhoudergesprekken automatisch worden vernietigd. Dit artikel bepaalt het doel en daarmee de beperkingen aan de verstrekking van de op grond van deze afdeling verkregen gegevens.

De nummers worden verzameld ten behoeve van drie systemen van nummerherkenning, een systeem van de Nationale Politie, de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD/MIVD)* (artikel 6.7). Het bestand met alle opgegeven telefoon- en faxnummers mag niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor de systemen van nummerherkenning of vergelijkbare systemen die een betere waarborg bieden voor de vertrouwelijkheid van de communicatie.

*Dit systeem is nog niet ingevoerd, de verwachte invoeringsdatum is in de loop van 2023.

Paragraaf 6.3.2 Verstrekking geheimhoudernummers

Artikel 6.7 Verstrekking aan centrale opsporingsinstanties
  1. De secretaris van de algemene raad kan geheimhoudernummers verstrekken met het oog op het in artikel 6.6 genoemde doel aan:

    a. organisaties belast met de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten;

    b. de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheids-dienst;

    c. de Dienst Justitiële Inrichtingen.

  2. De Nederlandse orde van advocaten sluit daartoe, gehoord het college van afgevaardigden, met de in het eerste lid bedoelde partijen een overeenkomst.

Werking systeem Nationale Politie (lid 1 sub a)
De Nationale Politie en het OM hebben een systeem van nummerherkenning opgezet om te voorkomen dat vertrouwelijke communicatie van een advocaat wordt afgeluisterd of uitgeluisterd. De wijze waarop de Nationale Politie en het OM dienen om te gaan met als ‘bijvangst’ opgenomen geheimhoudergesprekken is wettelijk geregeld in art. 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en het daarop gebaseerde Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken. Het College van procureurs-generaal heeft nadere regels gesteld in de Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders (2002I003). Het genoemde besluit en de Instructie zijn aangepast in verband met het systeem van nummerherkenning.

Door het systeem van nummerherkenning kan op een geautomatiseerde manier worden voldaan aan de wettelijke verplichtingen inzake geheimhoudergesprekken. Het systeem houdt in dat de secretaris van de algemene raad dagelijks zorgt voor een volledige aanlevering van actuele telefoon- en faxnummers van advocaten aan de Nationale Politie. Deze voert deze nummers in een filter in. Het filter is geplaatst op een aparte server die alleen voor dit doel wordt gebruikt. Bij een tap worden de verkeersgegevens van een gesprek (nummers, tijdstip e.d.) en het gesprek zelf (de spraak) gescheiden ontvangen. De verkeersgegevens van alle te tappen gesprekken worden automatisch langs het filter geleid. Het filter toetst de nummers waar degene die wordt getapt mee belt aan de geheimhoudernummers. Als communicatie met een geheimhoudernummer wordt herkend, wordt de opname aan het einde van het gesprek vernietigd. Het tapsysteem knipt een opname automatisch op en schrijft de delen gecodeerd op verschillende locaties weg. Wanneer een opname wordt vernietigd worden de opgeknipte delen van die opname overgeschreven met nieuwe gesprekken. Een gesprek is noch tijdens het gesprek, noch tijdens het wegschrijven toegankelijk voor politie of justitie. De opname van geheimhoudercommunicatie wordt dus niet doorgeleid naar het betrokken plaatselijke onderzoeksteam van de politie. Er vindt geen inhoudelijke beoordeling van de gesprekken plaats door de officier van justitie. De verkeersgegevens blijven wel beschikbaar voor de opsporingsdiensten. Daaraan kunnen zij onder meer zien of er gesprekken met geheimhoudernummers zijn geweest die niet zijn opgenomen. Advocaten kunnen dit via het betrokken bijzondere opsporingsbevoegdheden-dossier eveneens zien. Nummerherkenning werkt ook bij taps die op basis van buitenlandse verzoeken om rechtshulp worden gezet.

Het systeem van nummerherkenning laat onverlet dat voor de Nationale Politie en het OM de wettelijke plicht tot vernietiging van geheimhoudergesprekken blijft bestaan. Zij dienen niet alleen alert te blijven op geheimhoudergesprekken van notarissen, artsen en geestelijken, maar ook op gesprekken van advocaten die niet via een geheimhoudernummer zijn gevoerd. Het OM heeft naast nummerherkenning een aantal extra filters ontwikkeld dat ervoor moet zorgen dat geheimhoudergesprekken die niet gevoerd worden via een geheimhoudernummer, toch worden vernietigd.

Werking systeem AIVD/MIVD (lid 1 sub b)*
Door de AIVD/MIVD is een systeem van nummerherkenning opgezet om te zorgen dat opgenomen geheimhoudergesprekken binnen een afzienbare termijn automatisch worden vernietigd en terstond om rechtelijke toestemming wordt verzocht indien verwerking van gegevens uit geheimhoudergesprekken noodzakelijk wordt geacht. De AIVD/MIVD ontvangt daartoe dezelfde volledige lijst geheimhoudernummers als de Nationale Politie.

Anders dan in de wettelijke regelingen in het Wetboek van Strafrecht, zijn de AIVD/MIVD bevoegd tot het uitluisteren van geheimhoudergesprekken, indien de cliënt van de advocaat als ‘target’ is bestempeld door de AIVD/MIVD. Artikel 27 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (hierna ‘Wiv 2017’) bepaalt de daarbij in acht te nemen regels door de AIVD/MIVD. Het artikel ziet op de inzet van een bijzondere bevoegdheid door de AIVD/MIVD jegens een cliënt van een advocaat. Indien de AIVD/MIVD gegevens die betrekking hebben op de vertrouwelijke communicatie van de ‘target’ met zijn advocaat wil verwerken, is daarvoor rechtelijke toestemming nodig. In de situatie waarbij de advocaat zelf target is en de AIVD/MIVD bijzondere bevoegdheden jegens de advocaat wenst in te zetten is artikel 30, derde lid, van de Wiv 2017 van toepassing. Daarvoor is voorafgaande rechtelijke toestemming nodig en daarop ziet het systeem van nummerherkenning niet.

Het systeem van nummerherkenning is ter beperking van de bewaartermijn van artikel 27, eerste lid, van de Wiv 2017 en ter verdere verzekering van de naleving van artikel 27, tweede lid, van de Wiv. Het systeem van nummerherkenning, stelt de AIVD/MIVD in staat na te gaan of een telefoongesprek dat wordt getapt van een target van de AIVD/MIVD wordt gevoerd met een advocaat, zodat daarop terstond de benodigde actie kan worden ondernomen. Als een gesprek als zodanig wordt herkend, wordt dit gesprek automatisch gemarkeerd als behorend bij een geheimhouder. Na herkenning wordt terstond, tenzij gegronde redenen rechtvaardigen dat dit niet direct mogelijk is, het gesprek uitgeluisterd ter vaststelling of verdere gegevensverwerking van vertrouwelijke communicatie noodzakelijk is voor het onderzoek van de AIVD/MIVD.

Indien na herkenning gegronde redenen rechtvaardigen dat een gesprek niet terstond kan worden uitgeluisterd, dient dit binnen tien dagen te geschieden. Zodra binnen die termijn geoordeeld wordt dat verdere gegevensverwerking niet noodzakelijk is, wordt de inhoud van het gesprek terstond vernietigd. Na tien dagen wordt de inhoud van het gesprek automatisch vernietigd, ook als geen beoordeling van de inhoud van het gesprek om welke reden dan ook heeft kunnen plaatsvinden. Daarmee is de wettelijke bewaartermijn van een jaar ingekort naar maximaal tien dagen.

Indien wordt geoordeeld dat verdere gegevensverwerking noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de AIVD/MIVD onverwijld de rechtbank Den Haag om toestemming verzoeken. Zolang geen toestemming is verleend, vindt geen verdere gegevensverwerking plaats en zal geen verdere kennis worden genomen van het gesprek.

Werking van het systeem van nummerherkenning DJI (lid 1 sub c)
DJI heeft een centraal telefoonsysteem voor de gedetineerden in justitiële inrichtingen. Telefoongesprekken van gedetineerden worden via deze voorziening gevoerd, en worden centraal opgenomen en gedurende de wettelijk toegestane termijn maximaal vier maanden bewaard. In de inrichting waar de betrokken gedetineerde verblijft kunnen gesprekken eventueel real-time worden beluisterd of naderhand worden uitgeluisterd. Op de centrale opslag van opgenomen gesprekken bestaat een uitzondering voor de UN Detention Unit van de penitentiaire inrichting Haaglanden, locatie Scheveningen. Gesprekken van gedetineerden vanuit deze Unit worden opgeslagen binnen de desbetreffende inrichting of Unit.

Het DJI-nummerherkenningsysteem houdt in dat het opnemen en uitluisteren van telefoongesprekken tussen gedetineerden en advocaten onmogelijk wordt gemaakt.

Dit systeem van nummerherkenning is geïnstalleerd in de centrale telefonievoorziening voor gedetineerden. Als een gedetineerde belt, wordt de opname van het gesprek automatisch geblokkeerd als hij belt met een aan DJI doorgegeven nummer van een advocaat. Deze blokkade vindt plaats direct bij aanvang van het gesprek. Medewerkers van een justitiële inrichting kunnen een dergelijk gesprek dan ook niet gelijktijdig beluisteren en/of naderhand uitluisteren. Omdat er geen opname wordt gemaakt, kunnen gesprekken met advocaten ook niet op vordering worden verstrekt aan opsporingsinstanties en inlichtingendiensten. Van de geheimhoudergesprekken worden evenmin verkeersgegevens verstrekt, tenzij sprake is van een vordering zoals bedoeld in art.13.4 lid 1 van de Telecommunicatiewet. In de logbestanden van het systeem blijven datum, tijd en duur van het gesprek beschikbaar, en het geheimhoudernummer in een enigszins geanonimiseerde vorm, bijvoorbeeld 06xxxxx of 035xxxxx. Aan de hand van de verkeersgegevens kunnen de kosten van een gesprek in rekening worden gebracht bij de gedetineerde.

Het systeem van DJI sluit technisch aan op de wijze waarop de Nederlandse orde van advocaten nummers van advocaten in een bestand verzamelt en verstrekt aan de Nationale Politie in het kader van de nummerherkenning. DJI ontvangt dezelfde volledige lijst geheimhoudernummers als de Nationale Politie.

Verwerken telefoonnummers (Nationale Politie, AIVD/MIVD* en DJI)
Ten behoeve van de nummerherkenning dienen advocaten hun beroepsmatig gebruikte telefoon- en faxnummers aan te leveren aan de secretaris van de algemene raad, net zoals advocaten op grond van artikel 8 van de Advocatenwet gegevens aanleveren voor het tableau. Hiervoor is een bestand opgezet van waaruit de nummers afzonderlijk aan de Nationale Politie, de AIVD/MIVD en DJI worden verstrekt. Dit bestand betreft persoonsgegevens, voor zover het telefoon- of faxnummer herleidbaar is tot een natuurlijk persoon. In dit geval gaat het om zakelijke telefoonnummers van advocaten, waaronder algemene kantoornummers, doorkiesnummers en mobiele nummers. Doorkiesnummers en mobiele nummers zijn meestal herleidbaar tot een bepaald persoon. Dat geldt ook voor kantoornummers van eenmanskantoren. Sommige telefoonnummers zijn dus direct herleidbaar tot een individu, andere niet. Omdat een combinatie van gegevens de nummers in het bestand herleidbaar maakt tot natuurlijke personen zijn de nummers aan te merken als persoonsgegevens in de zin van artikel 4, aanhef onder 1, van de Algemene verordening gegevensverwerking (hierna: “AVG”). Er is sprake van geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens. De Nederlandse orde van advocaten is de verwerkingsverantwoordelijke, bedoeld in artikel 4, aanhef onder 7, van de AVG, tot het moment van verstrekking van de gegevens aan de Nationale Politie, DJI of de AIVD/MIVD. De secretaris van de algemene raad is de verwerker, bedoeld in artikel 4, aanhef onder 8, van de AVG, van de persoonsgegevens.

Grondslag voor verwerking (Nationale Politie, DJI en AIVD/MIVD*)
De gegevensverwerking is noodzakelijk voor de behartiging van een gerechtvaardigd belang van de Nederlandse orde (artikel 6, aanhef en onderdeel f, van de AVG). Dit is het belang om bij te dragen aan de bescherming van de kernwaarde van de vertrouwelijkheid door het af- en uitluisteren van geheimhoudercommunicatie te voorkomen (Nationale Politie/DJI) en de inbreuk op de vertrouwelijkheid te beperken (AIVD/MIVD). Dat draagt tevens bij aan het goed functioneren van de advocatuur als geheel en daarmee aan een goede rechtsbedeling.

Omdat het gaat om de registratie van zakelijke nummers in een beveiligde omgeving maakt de gegevensverwerking een geringe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de advocaat. Deze inbreuk weegt minder zwaar dan het belang dat de gegevensverwerking dient, namelijk het waarborgen van de vertrouwelijkheid van geheimhoudercommunicatie.

Noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit (Nationale Politie, DJI en AIVD/MIVD*)
Het is in een rechtsstaat van essentieel belang dat cliënten zonder vrees voor openbaarmaking kunnen communiceren met hun advocaat. Die vertrouwelijkheid kan worden belemmerd of beperkt als instanties (zonder rechterlijke machtiging die doorbreking rechtvaardigt) telefoongesprekken kunnen afluisteren of opnames daarvan kunnen verwerken en bewaren. Om die reden is het noodzakelijk dat advocaten hun geheimhoudernummers registeren. Een andere reële mogelijkheid om het af- en uitluisteren van geheimhoudergesprekken te voorkomen (Nationale Politie, DJI) of te beperken (AIVD/MIVD) is er niet. Een systeem op basis van vrijwilligheid, is eerder bij DJI niet voldoende effectief gebleken.

De gegevensverwerking voldoet niet alleen aan de eis van subsidiariteit, maar ook aan die van de proportionaliteit. Vanwege het te beschermen belang, de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en hun cliënten in algemene zin, wordt het proportioneel geacht om de nummers van alle advocaten te verstrekken. Alle advocaten doen opgave van de eigen geheimhoudernummers.

De algemene raad stelt in een lagere regeling vast welke telefoon- en faxnummers daarnaast moeten worden opgegeven (artikel 6.10). Daarbij maakt de algemene raad onderscheid naargelang een advocaat de praktijk al dan niet in dienst uitoefent, de vorm van de samenwerking en de personen met wie wordt samengewerkt.

De op te geven nummers zijn noodzakelijkerwijs fijnmazig en gedetailleerd voorgeschreven om zo precies mogelijk aan te sluiten bij de technische mogelijkheden van het systeem en de afspraken met opsporingsinstanties. Alleen op die manier kan het systeem goed functioneren.

Overigens blijven er situaties bestaan waarin advocaten gesprekken voeren met hun doorkiesnummer, die toch niet gefilterd worden. Eén van de voorbeelden hiervan is het intern doorverbinden vanaf het algemene nummer. Alle bij nummerherkenning betrokken partijen aanvaarden dat het systeem om dit soort redenen niet 100% waterdicht zal zijn. 

Slotoverwegingen proportionaliteit
Aangezien advocaten hun telefoon- en faxnummers moeten opgeven, zal er in de praktijk nagenoeg alleen maar gebeld worden met een van die opgegeven geheimhoudernummers. In het licht daarvan kunnen advocaten verplicht worden om ter waarborging van de vertrouwelijkheid van de communicatie te bellen via de opgegeven geheimhoudernummers. Om reden van proportionaliteit is het slechts bij zwaarwegende omstandigheden toegestaan om met een ander nummer te bellen dan een opgegeven geheimhoudernummer.

Overeenkomsten
De met partijen gemaakte afspraken zijn vastgelegd in drie vergelijkbare convenanten.

 

*Dit systeem is nog niet ingevoerd, de verwachte invoeringsdatum is in de loop van 2023.

Artikel 6.8 Verstrekken aan derden
  1. De secretaris van de algemene raad kan op verzoek van een advocaat zijn geheimhoudernum-mers aan anderen dan de in artikel 6.7, eerste lid, bedoelde partijen verstrekken met het oog op het in artikel 6.6 genoemde doel.
  2. De Nederlandse orde van advocaten sluit daartoe, gehoord het college van afgevaardigden, met deze anderen een overeenkomst.
Artikel 6.9 Verwerking kennisgevingen geheimhoudernummers

De secretaris van de algemene raad verwerkt kennisgevingen ten aanzien van geheimhoudernummers zo snel mogelijk in het register van geheimhoudernummers.

De verwerking van de geheimhoudernummers vindt niet plaats op het tableau maar in een separaat register. Daarom is het nodig de bevoegdheid en taak om deze gegevens te verwerken aan de secretaris van de algemene raad toe te kennen in aanvulling op de taakomschrijving van de secretaris van de algemene raad in artikel 8 van de Advocatenwet.

Paragraaf 6.3.3 Opgave geheimhoudernummers

Artikel 6.10 Opgave geheimhoudernummers
  1. De advocaat doet aan de secretaris van de algemene raad opgave van zijn geheimhoudernummers en van die van personen met een van hem afgeleid verschoningsrecht.
  2. De algemene raad stelt nadere regels over de nummers die de advocaat opgeeft afhankelijk van soort praktijk, soorten geheimhouders of samenwerkingsvormen.
  3. De advocaat geeft onverwijld alle wijzigingen betreffende een of meer van zijn geheimhoudernummers door aan de secretaris van de algemene raad.

Het eerste lid van dit artikel beschrijft in algemene termen welke telefoon- en faxnummers de advocaat moet opgeven aan de Nederlandse orde van advocaten ten behoeve van de systemen van nummerherkenning van de nationale politie, de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD/MIVD)*. De Nederlandse orde van advocaten geeft de nummers door aan de nationale politie, DJI en de AIVD/MIVD. De uitwerking ervan vindt plaats bij lagere regelgeving in verband met het gedetailleerde karakter. In de lagere regelgeving kan ook rekening worden gehouden met de verschillende technische eigenschappen van systemen van o.a. telefooncentrales en bundelnummers. Als een advocaat over een geheimhoudernummer beschikt en het nummer voldoet aan de voorwaarden gesteld in de lagere regelgeving, dan is de advocaat verplicht dat nummer op te geven. De verplichte opgave is essentieel voor het functioneren van het systeem van nummerherkenning van de politie, dat van DJI en de AIVD/MIVD*, en de mate waarin partijen op het functioneren kunnen en mogen vertrouwen.

Als de advocaat niet over een bepaald nummer beschikt, dan kan de advocaat het niet opgeven, en als een bepaald nummer niet voldoet aan de voorwaarden, dan mag de advocaat het niet opgeven. Dit geldt bijvoorbeeld voor het doorkiesnummer van een faxapparaat dat door anderen wordt gebruikt dan de advocaat, andere geheimhouders of personen met een van hem afgeleid verschoningsrecht. Dat doorkiesnummer mag de advocaat dan niet opgeven.

Een advocaat mag dus geen telefoon- of faxnummers opgeven van personen die niet in de regelgeving zijn genoemd, zoals personen die geen advocaat zijn of niet een van een advocaat afgeleid verschoningsrecht hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om de kantinemedewerker of om notarissen. Die laatsten hebben weliswaar een eigen verschoningsrecht, maar hun doorkiesnummers mogen niet worden opgegeven. Zij vallen niet onder het systeem van nummerherkenning.

Het tweede lid van dat artikel bevat een grondslag voor lagere regelgeving die nader invult welke nummers een advocaat moet opgeven. Het opgeven of niet opgeven van nummers in strijd met deze regelgeving is tuchtrechtelijk laakbaar. Het systeem van nummerherkenning kan alleen goed functioneren als de advocaat zorgt dat hij zijn geheimhoudernummers bij de Nederlandse orde van advocaten aanlevert en actueel houdt.

 

*Dit systeem is nog niet ingevoerd, de verwachte invoeringsdatum is in de loop van 2023.

Artikel 6.11 Zorgplicht geheimhoudernummers
  1. Een advocaat maakt gebruik van een ingevolge artikel 6.10 opgegeven geheimhoudernummer voor de vertrouwelijke communicatie, tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten.
  2. De advocaat draagt er zorg voor dat een persoon met een van hem afgeleid verschoningsrecht gebruik maakt van een ingevolge artikel 6.10 opgegeven geheimhoudernummer voor diens vertrouwelijke communicatie.
  3. De advocaat draagt er zorg voor dat een persoon zonder verschoningsrecht of zonder een van hem afgeleid verschoningsrecht geen gebruik maakt van zijn geheimhoudernummer.
  4. De advocaat draagt er zorg voor dat een persoon met een van hem afgeleid verschoningsrecht zijn telefoon of faxapparaat met geheimhoudernummer niet laat gebruiken door een persoon zonder verschoningsrecht.

Artikel 6.11 legt een zorgplicht op aan de advocaat. Het artikel schrijft voor dat de advocaat voor zijn vertrouwelijke communicatie in beginsel gebruik maakt van de opgegeven nummers. Personen zonder geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht mogen van de opgegeven nummers geen gebruik maken. 

Artikel 6.12 Misbruik of verlies opgegeven geheimhoudernummers
  1. De advocaat die zijn telefoon of faxapparaat met geheimhoudernummer laat gebruiken of heeft laten gebruiken onder dwang meldt dat zo spoedig mogelijk aan de secretaris van de algemene raad.
  2. Bij verlies of diefstal van een mobiele telefoon met geheimhoudernummer laat de advocaat het nummer zo spoedig mogelijk blokkeren en meldt hij dit zo snel mogelijk aan de secretaris van de algemene raad.
  3. De advocaat draagt er zorg voor dat een persoon met een van hem afgeleid verschoningsrecht die zijn telefoon of faxapparaat met geheimhoudernummer laat gebruiken of heeft laten gebruiken onder dwang of doordat het toestel niet meer in zijn macht is door verlies of diefstal, dat zo spoedig mogelijk aan hem meldt. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Misbruik van de geheimhoudernummers moet worden voorkomen. De advocaat heeft daarom tot taak om, indien er misbruik is geweest van de door hem opgegeven nummers, dat misbruik te melden bij de secretaris van de algemene raad. Tevens moet hij bij verlies of diefstal van een telefoon het nummer laten blokkeren, opdat het misbruik niet lang kan voortduren. De algemeen secretaris kan dan doorgeven aan de opsporingsinstanties of en zo ja, vanaf welk moment het nummer niet langer te beschouwen is als een geheimhoudersnummer.

Afdeling 6.4 Advocatenpas en authenticatiemiddel

Artikel 6.13 Advocatenpas

Een advocaat beschikt over een geldige advocatenpas, uitgegeven door een leverancier die door de algemene raad is geselecteerd op grond van artikel 6.16.

Artikel 6.13 en artikel 6.14

Bij de uitoefening van zijn praktijk wordt regelmatig van de advocaat verlangd dat hij bepaalde beveiligde websites bezoekt.

Voor medewerkers, secretaresses, chefs de bureau of kantoordirecteuren, die namens de advocaat bepaalde (online) handelingen mogen verrichten, kan de advocaat een gemachtigdenpas aanvragen (artikel 6.14).

Voor de advocatenpas voor advocaat of gemachtigden is een vergoeding verschuldigd aan de leverancier op basis van een overeenkomst. De algemene raad heeft met de leverancier afspraken gemaakt over de verschuldigde vergoeding.

Artikel 6.14 Gemachtigden

  1. Een advocaat kan één advocatenpas aanvragen per door hem gemachtigde persoon.
  2. Een advocaat kan uitsluitend een advocatenpas aanvragen voor personen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn.
  3. Een advocaat draagt er zorg voor dat de gemachtigde de advocatenpas gebruikt conform zijn opdracht en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling.

Artikel 6.15 Informeren bij vermissing, diefstal of schade

De advocaat informeert de leverancier van de advocatenpas onverwijld in geval van vermissing, diefstal of beschadiging van de eigen advocatenpas of van een onder zijn verantwoordelijkheid aangeschafte advocatenpas.

In verband met de geprivilegieerde positie van een advocaat is het van belang dat hij het verlies van een advocatenpas snel rapporteert, zodat maatregelen genomen kunnen worden tegen misbruik.

De advocaat heeft voor het uitoefenen van zijn praktijk dit authenticatiemiddel nodig. Hij kan dat niet als de advocatenpas beschadigd is. Daarom is het ook van belang dat hij de leverancier informeert in geval van beschadiging van de advocatenpas en een nieuwe pas aanvraagt. Aan de nieuwe verstrekking van een pas zijn mogelijk kosten verbonden. De leverancier kan de advocaat hierover informeren.

 

Als een gemachtigde niet langer voor een advocaat werkt, zal die advocaat dat moeten doorgeven aan de leverancier. De leverancier kan dan maatregelen nemen om te voorkomen dat de persoon die niet langer gemachtigd is handelingen namens die advocaat uitvoert. De (voormalig) gemachtigde kan wel zijn eigen pas behouden indien hij ook gemachtigd is door een andere advocaat, voor wie die machtiging nog steeds blijft gelden. 

Artikel 6.16 Selectie leveranciers en nadere regels

  1. De algemene raad selecteert de leveranciers van de advocatenpas.
  2. De algemene raad kan nadere regels stellen over de advocatenpas, onder meer met betrekking tot de aanvraag, uitgifte en de geldigheid ervan.

De algemene raad heeft tot taak een of meer geschikte leveranciers te selecteren. Het tweede lid bevat een grondslag om nadere regels te stellen. Op dit moment is Quo Vadis de enige geselecteerde leverancier van de advocatenpas en het authenticatiemiddel. Zie onder meer https://advocatenpas.advocatenorde.nl. 

Artikel 6.17 Informatie door secretaris van de algemene raad

De secretaris van de algemene raad informeert de leverancier van de advocatenpas onverwijld over schrapping of doorhaling van het tableau of schorsing in de uitoefening van de praktijk van een advocaat opdat de advocatenpas wordt geblokkeerd.

De algemeen secretaris deelt informatie over de hoedanigheid van de advocaat met de leverancier of leveranciers. Hiermee wordt misbruik van de advocatenpas door degenen die geen advocaat (meer) zijn voorkomen. Het informeren van de leveranciers geschiedt in het geval van schrapping of doorhaling van het tableau alsmede bij schorsing in de uitoefening van de praktijk van een advocaat. In deze gevallen is de desbetreffende persoon niet langer bevoegd de titel van advocaat te voeren.

Artikel 6.17a In bewaring geven advocatenpas

Een advocaat aan wie de maatregel tot schorsing in de uitoefening van de praktijk is opgelegd, geeft op de datum waarop de maatregel ten uitvoer wordt gelegd de advocatenpas in fysieke vorm in bewaring bij de deken.

Gedurende de schorsing in de uitoefening van de praktijk mag de advocaat de titel van advocaat niet voeren (zie de artikelen 16, 48, zevende lid, 60ac, tweede lid, en 60b, vijfde lid, van de Advocatenwet). Ter voorkoming van misbruik dient de advocatenpas op de datum waarop de schorsing ten uitvoer wordt gelegd in bewaring te worden gegeven bij de deken. Na het verstrijken van de duur van de schorsing krijgt de advocaat zijn advocatenpas terug.

Het inleveren van de advocatenpas van een persoon die als advocaat, al dan niet op eigen verzoek, van het tableau zijn geschrapt, geschiedt via civielrechtelijke weg. De Advocatenwet biedt immers geen grondslag om in de verordening verplichtingen vast te leggen van personen die geen advocaat (meer) zijn.

Afdeling 6.5 Derdengelden

Paragraaf 6.5.1 Derdengelden

Artikel 6.18 Reikwijdte derdengelden

Afdeling 6.5 is niet van toepassing op de advocaat die optreedt in een hoedanigheid die het gevolg is van een rechterlijke benoeming, indien en voor zover daarbij voorzien is in een regeling voor het beheer van derdengelden.

De afdeling over derdengelden is niet van toepassing als de advocaat optreedt in een hoedanigheid die het gevolg is van een rechterlijke benoeming en bij die benoeming een voorziening voor derdengelden is getroffen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een curator of een bewindvoerder. In een aantal arrondissementen geldt een bijzondere, door de rechter-commissaris gecontroleerde regeling voor het beheer van failliete boedels. In die arrondissementen zal de advocaat zich moeten houden aan die regeling. In dat geval is paragraaf 6.5.1 niet op hem van toepassing. Zie ook de landelijke Richtlijnen in faillissementen en surseances van betaling, opgesteld door het landelijk overleg van rechters-commissarissen in faillissementen (Recofa).

Artikel 6.19 Derdengelden
  1. Een advocaat draagt er zorg voor dat derdengelden worden overgemaakt hetzij rechtstreeks naar de rechthebbende, hetzij naar de bankrekening van de stichting derdengelden die hem ter beschikking staat.
  2. Een advocaat die derdengelden onder zich heeft, maakt de gelden zodra de gelegenheid zich voordoet over naar de bankrekening van de stichting derdengelden of van de rechthebbende, en administreert het bedrag, de datum en wijze van ontvangst, de datum van overmaking, de begunstigde en de naam van de behandelend advocaat.
  3. Een advocaat doet derdengelden niet tot zekerheid strekken van hemzelf, zijn praktijk of enige derde.
  4. Een advocaat kan met de rechthebbende schriftelijk overeenkomen dat derdengelden worden aangewend ter voldoening van een eigen declaratie. Indien de rechthebbende de declaratie binnen een redelijke termijn betwist, vervalt het recht om derdengelden aan te wenden ter voldoening van deze declaratie.
  5. Indien derdengelden zijn aangewend ter voldoening van een eigen declaratie, bevestigt de advocaat dit schriftelijk aan de rechthebbende.

 

 

Het eerste lid bevat een zorgplicht voor de advocaat die er op toe moet zien dat derdengelden niet naar hemzelf worden overgemaakt. Als uiting van deze zorgplicht is de advocaat gehouden zo duidelijk mogelijk te zijn in de correspondentie over de bankrekening waarnaar bedragen moeten worden overgemaakt. Vermelding van een bankrekeningnummer op het briefpapier wordt afgeraden, omdat daardoor verwarring kan ontstaan. Als een advocaat niettemin één of meerdere bankrekeningnummers op het briefpapier wenst te vermelden, moet duidelijk zijn of het gaat om het bankrekeningnummer van het kantoor of van de stichting derdengelden.

Het tweede lid regelt de situatie dat derdengelden toch aan de advocaat zelf worden overgemaakt. In dat geval dient hij deze onverwijld over te maken aan de rechthebbende dan wel – indien dat nog niet mogelijk of wenselijk is – aan de eigen stichting derdengelden. De hoofdregel is dat de derdengelden zo snel mogelijk naar de rechthebbende worden overgemaakt. Het parkeren van derdengelden zonder noodzaak op de rekening van de stichting derdengelden is dus niet toegestaan. Het is ook niet toegestaan derdengelden in opdracht van de cliënt te gebruiken voor het betalen van bijvoorbeeld vorderingen van derden op de cliënt, het zogenaamde bankieren met de derdenrekening. De advocaat dient de betalingen zorgvuldig te registreren, zodanig dat dit achteraf door de accountant of toezichthouder is te verifiëren.

Het derde lid bepaalt dat de derdengelden niet tot zekerheid kunnen dienen. Dat is logisch omdat de stichting derdengelden of de advocaat niet de rechthebbende is van de gelden. Als de derdengelden wel tot zekerheid zouden kunnen worden gesteld, worden deze daardoor wel betrokken bij een eventueel faillissement. De regelgeving is juist bedoeld om dat te voorkomen.

Het vierde lid maakt het onder voorwaarden mogelijk dat derdengelden, die zijn ontvangen op de derdengeldenrekening, worden aangewend voor de betaling van de eigen declaratie van de advocaat. Hieronder wordt zowel verstaan de declaratie die een advocaat verstuurt aan zijn cliënt als de declaratie die de advocaat indient bij de Raad voor Rechtsbijstand in het geval het een toevoegingszaak betreft. Voorwaarde is dat de cliënt hier expliciet mee instemt en dat de instemming schriftelijk is vastgelegd. Door de schriftelijke vastlegging kan de advocaat altijd aantonen dat hij met instemming van de cliënt gelden van de derdenrekening heeft gebruikt voor de eigen declaratie.

De expliciete instemming van de cliënt kan plaatsvinden bij aanvang van de dienstverlening maar kan niet op grond van algemene voorwaarden van de advocaat of het kantoor worden verondersteld.

De advocaat gebruikt geen derdengelden voor de eigen declaratie, indien de cliënt de declaratie binnen redelijke termijn betwist of de instemming (mondeling of schriftelijk) intrekt. Het begrip betwisting wordt ruim opgevat en er worden hieraan geen vormvereisten gesteld. Het uitgangspunt is dat de gelden de cliënt toekomen en dat de cliënt derhalve bepaalt of zij mogen worden gebruikt om een declaratie van de advocaat te voldoen. Als redelijke termijn kan de betalingstermijn van de declaratie als uitgangspunt worden genomen. Derdengelden worden in beginsel pas gebruikt als de betalingstermijn is verstreken, in het bijzonder indien de declaratie naar verwachting aanleiding zou kunnen geven tot discussie.

Het vijfde lid bepaalt dat indien derdengelden daadwerkelijk zijn aangewend ter voldoening van een eigen declaratie, de advocaat dit schriftelijk aan de rechthebbende bevestigt. Indien de cliënt hiertegen alsnog bezwaar maakt, is de advocaat gehouden de betaling ongedaan te maken.

Artikel 6.20 Waardepapieren en kostbaarheden
  1. Artikel 6.19 is, zo mogelijk, van overeenkomstige toepassing op waardepapieren en kostbaarheden die de advocaat bij wijze van derdengelden ontvangt.
  2. De advocaat mag slechts gelden, geldswaardige papieren, kostbaarheden of andere zaken aannemen of bewaren, indien hij zich ervan heeft vergewist welke gelden, geldswaardige papieren, kostbaarheden of andere zaken het betreft en zich ervan heeft overtuigd dat dit in het kader van een door hem behandelde zaak een redelijk doel dient.

In het eerste lid is opgenomen dat de regels met betrekking tot derdengelden ook van toepassing zijn op waardepapieren en kostbaarheden die de advocaat als derdengelden ontvangt. De advocaat moet zich er wel van vergewissen dat hij het tweede lid van dit artikel niet overtreedt. Het komt voor dat een advocaat wordt verzocht gelden, geldswaardige papieren, kostbaarheden of andere zaken aan te nemen. Men kan hierbij denken aan het verzoek van een cliënt of tussenpersoon een gesloten envelop met inhoud voor kortere of langere tijd te bewaren of onder zich te houden. De advocaat riskeert in dat geval dat cliënten hem vanwege zijn verschoningsrecht misbruiken als dekmantel voor belastingvergrijpen en/of strafrechtelijke vergrijpen. Medewerking verlenen aan dergelijke verzoeken is niet toegestaan. De advocaat mag uitsluitend zaken en goederen aannemen indien dat in het kader van de door hem behandelde zaak een redelijk doel dient. Dit voorschrift geldt eveneens wanneer de gelden, geldswaardige papieren, kostbaarheden of andere zaken niet als derdengelden worden toevertrouwd aan de advocaat.

Paragraaf 6.5.2 Stichting derdengelden

Artikel 6.21 Beschikbaarheid stichting derdengelden
  1. Een advocaat heeft een stichting derdengelden ter beschikking, die voldoet aan de eisen opgenomen in artikel 6.22.
  2. In afwijking van het eerste lid, is een advocaat die in de uitoefening van zijn praktijk geen derdengelden ontvangt, vrijgesteld van de verplichting een stichting derdengelden ter beschikking te hebben.
  3. Een advocaat stelt de deken schriftelijk op de hoogte van:

    a. het niet ter beschikking hebben van een stichting derdengelden;

    b. enige wijziging inzake de beschikbaarheid van een stichting derdengelden.

Het eerste lid vereist dat elke advocaat een stichting derdengelden ter beschikking heeft. Met het ‘ter beschikking hebben’ wordt bedoeld dat de advocaat voor zijn praktijkuitoefening een stichting derdengelden ten dienste staat met welke hij of zijn kantoor een overeenkomst heeft gesloten over het beheer van derdengelden. Deze overeenkomst is gesloten conform het model, bedoeld in artikel 6.22, negende lid.

Een advocaat mag in beginsel slechts één stichting derdengelden ter beschikking hebben. Een stichting derdengelden kan wel ten dienste staan van meerdere advocaten of kantoren.

Het tweede lid bevat een generieke vrijstelling voor advocaten die in de uitoefening van hun praktijk geen derdengelden ontvangen. Zij hoeven dan geen stichting derdengelden ter beschikking te hebben. Indien een advocaat toch met derdengelden wordt geconfronteerd, draagt de advocaat er zorg voor dat de gelden hetzij conform artikel 6.19, eerste lid, direct naar de rechthebbende worden overgemaakt, hetzij dat hij zich alsnog aansluit bij een stichting derdengelden en de gelden via deze stichting derdengelden laat lopen. Het is onder geen enkele omstandigheid toegestaan derdengelden op de kantoorrekening te ontvangen.

Het derde lid bepaalt dat de advocaat die geen derdengelden ontvangt en om die reden geen stichting derdengelden ter beschikking heeft, de deken hiervan schriftelijk op de hoogte stelt. Op het moment dat de situatie wijzigt en de advocaat zich aansluit bij een stichting, stelt hij de deken hiervan eveneens op de hoogte.  

Artikel 6.22 Eisen stichting derdengelden
  1. De stichting derdengelden heeft statuten overeenkomstig het model, bedoeld in het tiende lid; de naam van de stichting bevat ten minste de woorden 'stichting', 'beheer' en 'derdengelden'.
  2. De stichting derdengelden strekt tot een goede uitvoering van artikel 6.19.
  3. De stichting derdengelden wordt voor geen ander doel gebruikt dan voor het beheer van derdengelden.
  4. Indien de stichting derdengelden ontvangt, heeft de stichting daarvoor een bankrekening beschikbaar. Een stichting derdengelden die ter beschikking staat van meerdere kantoren, opent voor elk kantoor een afzonderlijke bankrekening, indien voor een kantoor derdengelden worden ontvangen. 
  5. Tot bestuurder van de stichting kunnen worden benoemd:

    a. advocaten;

    b. andere vrije beroepsbeoefenaren, indien het toegestaan is met hen een samenwerkingsverband aan te gaan; en

    c. accountants in de zin van artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep.

  6. Tot bestuurder van een stichting kunnen niet worden benoemd:

    a. stagiaires, met uitzondering van stagiaire-ondernemers die niet werken onder begeleiding van een bestuurder van de stichting;

    b. diegenen die onder verantwoordelijkheid werken van of ondergeschikt zijn aan een bestuurder van de stichting;

    c. diegenen die in dienst zijn bij het kantoor van een bestuurder van de stichting of bij het kantoor dat is aangesloten bij de stichting.

  7. De stichting verbindt zich ertoe om de deken desgevraagd de informatie te verschaffen die op grond van de Advocatenwet of deze verordening wordt verlangd van advocaten.
  8. De stichting wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door twee gezamenlijk handelende bestuursleden, van wie er ten minste een advocaat is.
  9. Tussen de stichting en de advocaat of zijn kantoor is een overeenkomst gesloten overeenkomstig het model, bedoeld in het tiende lid.
  10. De algemene raad kan modellen voor de statuten van de stichting derdengelden en voor de overeenkomst tussen de stichting en de advocaat of zijn kantoor vaststellen en kan bij wijzigingen van deze modellen bepalen wanneer bestaande statuten en overeenkomsten tussen de stichting en de advocaat of zijn kantoor moeten worden aangepast.

Het derde lid van artikel 6.22 houdt expliciet in dat de stichting uitsluitend mag worden gebruikt voor derdengelden in de zin van de verordening. Dat betekent dat de advocaat alleen derdengelden mag ontvangen op de bankrekening van de stichting derdengelden voor zover deze direct zijn te relateren aan een zaak en deze gelden ook functioneel zijn voor het verloop van die zaak. In alle overige gevallen is het ontvangen van gelden op de stichting derdengelden niet toegestaan. In die overige gevallen is de stichting, althans het bestuur ervan, gehouden om de gelden te weigeren en terug te storten.

In het zesde lid is opgenomen wie niet tot bestuurder van een stichting kunnen worden benoemd. In onderdeel a zijn stagiaires uitgesloten, met uitzondering van stagiaire-ondernemers. Deze uitzondering geldt alleen indien de stagiaire-ondernemer niet werkt onder begeleiding van een bestuurder van de stichting.

Stagiaires in loondienst zijn uitgesloten omdat de mogelijkheid bestaat dat zij worden beïnvloed door een derde, zoals bijvoorbeeld de patroon, een advocaat-medewerker of partner van het kantoor waarbij de stagiaire in dienst is. Ter bescherming van derdengelden alsmede de stagiaire zelf, is de stagiaire in loondienst daarom uitgesloten van het bestuur van een stichting derdengelden. Een stagiaire-ondernemer oefent de praktijk uit voor eigen risico en rekening en heeft, in tegenstelling tot een stagiaire in loondienst, uitsluitend een afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van zijn patroon. De stagiaire-ondernemer is daarom alleen uitgesloten van het bestuur van een stichting, indien zijn patroon bestuurder is.

Onderdelen b en c zien op de advocaat-medewerker. Een advocaat-medewerker kan als bestuurder van een stichting derdengelden optreden, mits hij niet onder verantwoordelijkheid werkt van, ondergeschikt is aan of in dienst is van het kantoor van een bestuurder van de stichting. Een advocaat-medewerker heeft in dat geval namelijk een arbeidsrechtelijke relatie met (het kantoor van) de  bestuurder van de stichting. Daarmee is sprake van een bepaalde afhankelijkheid. Dit geldt tevens voor een advocaat die in dienst is van het kantoor dat is aangesloten bij de stichting. Hij heeft een afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van de kantoorbestuurder en is daarom uitgesloten van het bestuur van de stichting derdengelden, waarbij het kantoor is aangesloten.

In het achtste lid is het vereiste van de dubbele handtekening neergelegd. Bestuurders zijn gezamenlijk bevoegd. De gezamenlijke uitoefening van deze bevoegdheid moet ook blijken uit de administratie van de opdrachten tot overmaken van gelden. Er moet een dubbele elektronische autorisatie zijn. 

Artikel 6.23 Bestuurder stichting derdengelden
  1. Een advocaat die bestuurder is van een stichting derdengelden is gehouden de bepalingen van deze afdeling na te leven.
  2. Een advocaat die bestuurder is van een stichting derdengelden verleent geen medewerking aan handelingen die strijdig zijn met de bepalingen van deze afdeling.
  3. Een advocaat die bestuurder is van een stichting derdengelden maakt derdengelden onmiddellijk over aan de rechthebbende, zodra daartoe door of namens de behandelend advocaat opdracht is gegeven, met inachtneming van artikel 6.22, achtste lid.

Afdeling 6.6 Beroepsaansprakelijkheid

Artikel 6.24 Beroepsaansprakelijkheidsverzekering

  1. De advocaat is adequaat verzekerd ter zake van het risico van zijn beroepsaansprakelijkheid.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het risico dat een advocaat die de praktijk in dienst uitoefent schade toebrengt aan zijn werkgever of in de groep met de werkgever verbonden rechtspersonen, voor zover de werkgever of in de groep met de werkgever verbonden rechtspersonen hem voor deze schade op voorhand schriftelijk vrijwaart. In dat geval blijft voor de advocaat die de praktijk in dienst uitoefent de verplichting bestaan een aansprakelijkheidsverzekering te sluiten voor schade, als advocaat toegebracht aan derden.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op het risico dat een advocaat die de praktijk in dienst uitoefent schade toebrengt aan derden, indien de werkgever de Staat is en deze de advocaat hiervoor op voorhand schriftelijk vrijwaart conform het model, bedoeld in het vijfde lid.
  4. De advocaat gaat de verzekering aan met een verzekeraar van wie aannemelijk is dat deze voldoet aan redelijkerwijs te stellen eisen van solvabiliteit.
  5. De algemene raad stelt een model van de vrijwaring vast en kan bij wijzigingen van dat model bepalen wanneer bestaande vrijwaringen moeten worden aangepast

De advocaat is verplicht adequaat verzekerd te zijn tegen het risico van beroepsaansprakelijkheid. Onder adequaat verzekerd zijn wordt in ieder geval verstaan dat de verzekering voldoende dekking biedt tegen het risico van beroepsaansprakelijkheid gelet op de aard en de omvang van de praktijk van de advocaat. Een advocaat die wordt ingezet door een kantoor waaraan hij niet vast is verbonden, vergewist zich ervan dat hij, ook met betrekking tot de werkzaamheden die hij voor dit kantoor verricht, adequaat is verzekerd. Het doel van deze regel is om het publiek tot op zekere hoogte waarborg te bieden dat iedere advocaat voldoende verhaal biedt in geval van schade door een beroepsfout. Het is dan ook niet mogelijk een ontheffing van de verzekeringsplicht te krijgen.

In het tweede lid is een uitzondering opgenomen van de verzekeringsplicht voor advocaten die de praktijk in dienst uitoefenen en uitsluitend optreden voor hun werkgever of in de groep met de werkgever verbonden rechtspersonen. In dat geval blijft de verplichting gelden adequaat verzekerd te zijn tegen het risico van beroepsaansprakelijkheid, maar niet voor zover het betreft het risico van de aansprakelijkheid van de advocaat tegenover zijn werkgever of in de groep met de werkgever verbonden rechtspersonen (zijn ‘cliënt’) voor schade die de advocaat in zijn beroepsuitoefening heeft toegebracht aan zijn werkgever of in de groep met de werkgever verbonden rechtspersonen. Voorwaarde is dat de werkgever of in de groep met de werkgever verbonden rechtspersonen de advocaat schriftelijk vrijwaart voor de mogelijke schade als gevolg van beroepsfouten. De advocaat die de praktijk in dienst uitoefent dient zich er van bewust te zijn dat hij verplicht is een adequate verzekering af te sluiten, indien hij naast dit dienstverband (gedeeltelijk) nog op enigerlei wijze de praktijk uitoefent.

Het derde lid ziet op de advocaat in dienst van de Staat. Onder Staat wordt uitsluitend de rijksoverheid verstaan en niet lagere overheden of zelfstandige bestuursorganen. Voor advocaten in dienst van provincies, gemeenten of andere overheidsorganen geldt onverkort het bepaalde in het eerste lid. Voor advocaten in dienst van de Staat wordt een uitzondering gemaakt, omdat de Staat in de regel geen verzekeringen afsluit. Ook hier geldt de voorwaarde dat de Staat de advocaat schriftelijk te kennen heeft gegeven hem niet aansprakelijk te zullen houden. Ook deze advocaat in dienst van de Staat dient zich er van bewust te zijn dat hij verplicht is een adequate verzekering af te sluiten, indien hij naast dit dienstverband (gedeeltelijk) nog op enigerlei wijze de praktijk uitoefent.

Artikel 6.25 Dekking van verzekering

De in artikel 6.24, eerste lid, bedoelde verzekering:

a. dekt per advocaat of indien van toepassing per samenwerkingsverband ten minste schade tot een bedrag van € 500.000 per aanspraak en tot ten minste twee maal dat bedrag per verzekeringsjaar;

b. dekt mede de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de advocaat voor handelingen en nalatigheden van personen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn;

c. dekt de schade voortvloeiend uit alle werkzaamheden die gerekend kunnen worden tot de beroepsuitoefening van de advocaat, daaronder begrepen het optreden als curator in een faillissement, als bewindvoerder in een (voorlopige) surséance van betaling en in andere hoedanigheid waarin de advocaat door de rechter wordt benoemd, dan wel als mediator, bindend adviseur of arbiter;

d. is ten minste van kracht voor gebeurtenissen in de lidstaten van de Europese Unie en landen die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland;

e. omvat voor een advocaat of een samenwerkingsverband van twee advocaten geen eigen risico hoger dan € 12.500 per aanspraak;

f. omvat voor een samenwerkingsverband van meer dan twee advocaten geen eigen risico per aanspraak hoger dan € 5.000 maal het aantal verzekerde advocaten, met een maximum van € 100.000 per aanspraak.

Dit artikel beschrijft de minimumeisen waaraan de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van de advocaat moet voldoen. De verplichting om een verzekering af te sluiten geldt voor iedere advocaat. Dit sluit echter niet uit dat een dergelijke verzekering ook per kantoor kan worden afgesloten.

Het minimum verzekerd bedrag waarvoor de beroepsaansprakelijkheidsverzekering dekking moet bieden is € 500.000 per aanspraak en tot ten minste twee maal dat bedrag per verzekeringsjaar. Benadrukt wordt dat het verplicht verzekerd bedrag van € 500.000 per aanspraak slechts een minimum betreft. Het zal afhankelijk zijn van onder meer de aard van de praktijk en de omvang van het kantoor of het samenwerkingsverband, of met de minimum dekking volstaan kan worden. Het in de verordening genoemde minimum verplicht verzekerd bedrag geldt per verzekering en dus per kantoor. Per verzekering zal beoordeeld dienen te worden of het verzekerd bedrag gelet op de kantooromvang en soort praktijk voldoende is. Als uitgangspunt geldt namelijk te allen tijde dat een advocaat adequaat verzekerd dient te zijn.

Het bedrag van € 500.000 is als minimum opgenomen om bescherming te bieden aan de rechtzoekende. Het is van belang dat de rechtzoekende in het geval van schade door een beroepsfout verhaal kan halen. De verzekeraar zal echter het risico willen inschatten en de premie willen bepalen. Om die reden zal vaak een maximaal bedrag aan uitkeringen per verzekeringsjaar worden opgenomen op de polis. In de verordening is het minimale bedrag aan uitkeringen per verzekeringsjaar opgenomen. Deze norm is met opzet flexibel gemaakt. Het bedrag aan uitkeringen per verzekeringsjaar is afhankelijk van de opgenomen dekking per aanspraak. Dit betekent dat de hoogte van het verzekerd bedrag per verzekeringsjaar altijd minimaal twee maal de hoogte van het verzekerd bedrag per aanspraak moet zijn. De reden is dat meerdere aanspraken per verzekeringsjaar onder de dekking moeten kunnen vallen.

De verzekering dient ook dekking te geven voor aansprakelijkheid van de advocaat als werkgever. Ook de fouten en nalatigheden van personen in dienst van de advocaat of het kantoor dienen gedekt te zijn.

Het soort activiteiten van de advocaat dat onder de dekking van de verzekering dient te vallen is beperkt tot die activiteiten die eigen zijn aan de advocatuur, waaronder mediation, bindend advies of arbitrage, maar ook het optreden als curator of bewindvoerder. Voor andere activiteiten die niet eigen zijn aan de advocatuur, zoals bijvoorbeeld een bestuurslidmaatschap of commissariaat, dient de advocaat zich afzonderlijk te verzekeren.

Artikel 6.26 Beperking aansprakelijkheid

Een advocaat kan schriftelijk met de cliënt overeenkomen dat de beroepsaansprakelijkheid, buiten het bedrag van het eigen risico, wordt beperkt tot het bedrag waarop de verzekering aanspraak op uitkering geeft, indien:

a. de advocaat voldoet aan artikel 6.24;

b. de verzekering voldoet aan artikel 6.25.

Het is niet mogelijk om een algehele ontheffing te krijgen van de verzekeringsplicht. Evenmin is het mogelijk dat de advocaat zijn aansprakelijkheid op voorhand in zijn geheel uitsluit. Dit past niet bij het doel van de verzekeringsplicht dat iedere advocaat voldoende verhaal biedt voor dekking van de gevolgen van beroepsaansprakelijkheid. Pas als de advocaat aan de verplichtingen van artikel 6.24 en artikel 6.25 voldoet, is beperking van de aansprakelijkheid toegestaan. Het minimum verzekerd bedrag is de ondergrens waarboven vrijtekening is toegestaan. De advocaat blijft wel aansprakelijk voor het bedrag van het eigen risico dat hij met de verzekeraar is overeengekomen. Voor dat eigen risico kan hij zich niet vrijtekenen.

In hoeverre in een concreet geval een beroep op vrijtekening is geoorloofd, is uiteindelijk ter beoordeling van de rechter. Een advocaat die beperking van zijn aansprakelijkheid overweegt, zal zich moeten afvragen of hij, gegeven de aard en de omvang van de aan hem toevertrouwde belangen, vrijtekening van aansprakelijkheid boven een bepaald bedrag verantwoord en in redelijkheid verdedigbaar acht.

De vrijtekening moet schriftelijk zijn overeengekomen, hetgeen ook door middel van elektronische communicatie kan.

Afdeling 6.7 Betalingen aan en door advocaat

Artikel 6.27 Betalingen aan en door advocaat

  1. De advocaat verricht of aanvaardt in het kader van zijn praktijkuitoefening betalingen slechts giraal behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid.
  2. De advocaat kan betalingen in het kader van zijn praktijkuitoefening alleen dan in contanten verrichten of aanvaarden, indien er feiten of omstandigheden zijn die dat rechtvaardigen en met inachtneming van het bepaalde in het derde lid.
  3. Indien de advocaat in een zaak of in een periode van ten hoogste een jaar ten behoeve van dezelfde cliënt een of meer contante betalingen zal verrichten of aanvaarden met een gezamenlijke waarde van € 5.000 of meer, overlegt de advocaat hierover voorafgaand aan die verrichting of aanvaarding met de deken. Indien dit voorafgaand overleg redelijkerwijs niet mogelijk is, vindt dit overleg plaats onverwijld na de verrichting of aanvaarding van die betaling.

Uitgangspunt bij het betalingsverkeer van de advocaat is dat geldbewegingen giraal plaatsvinden. Contant betalingsverkeer dient zoveel mogelijk te worden vermeden. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat advocaten betrokken raken bij criminele handelingen.

Het tweede lid creëert een uitzondering op het genoemde uitgangspunt, namelijk dat de advocaat in het kader van zijn praktijkuitoefening contante betalingen mag verrichten of aanvaarden indien er feiten of omstandigheden zijn die dat rechtvaardigen. Een volledige beperking van het contante betalingsverkeer is onwenselijk en onmogelijk. In het kader van de praktijkuitoefening moet de advocaat in bepaalde gevallen contante bedragen kunnen ontvangen. Wel moeten er feiten of omstandigheden zijn die de contante bedragen rechtvaardigen, ook wanneer deze minder bedragen dan € 5.000,–. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de eigen bijdrage in het kader van een toevoeging, de betaling van griffierecht of aan het geval dat de cliënt bijvoorbeeld geen bankrekening kan krijgen of dat de bank de rekening van de cliënt heeft geblokkeerd.

In het kader van artikel 6.27 wordt nog opgemerkt dat het de advocaat vrij staat om voor zijn bemoeiingen ter zake van noodzakelijke rechtsbijstand een honorarium of een voorschot daarop te ontvangen indien de daaraan ten grondslag liggende declaratie redelijk is en de betaling geheel giraal geschiedt. In het kader van een behoorlijke rechtspleging moet een ieder zich kunnen laten bijstaan door een advocaat. Dit maatschappelijk belang wordt illusoir wanneer geen advocaat bereid is een rechtzoekende gehonoreerd bij te staan, indien hij zich daardoor blootstelt aan eventuele vervolging wegens heling. Dit risico ontstaat wanneer een advocaat in het kader van een betamelijke dienstverlening op de hoogte raakt van gegevens over de mogelijke herkomst van gelden waarmee hij wordt gehonoreerd. Indien het in het kader van een behoorlijke rechtspleging noodzakelijk is dat aan een rechtzoekende bijstand wordt verleend, brengt het algemeen belang met zich mee dat een advocaat zonder vrees voor vervolging de bijstand op basis van een betamelijke honorering moet kunnen verlenen. Het maatschappelijk belang dat een ieder zich in het kader van een behoorlijke rechtspleging adequaat moet kunnen laten bijstaan door een deskundig advocaat mag echter niet worden misbruikt om door middel van overmatige honorering mee te delen in criminele gelden.

Het derde lid van artikel 6.27 verplicht de advocaat om te overleggen met de deken bij het verrichten of aanvaarden van contante betalingen van bedragen van € 5.000 of meer in een zaak of in een periode van ten hoogste een jaar ten behoeve van dezelfde cliënt. De advocaat dient zich ervan bewust te zijn, dat vele kleine betalingen een grote betaling maken, zodat het grensbedrag van € 5.000 geldt voor al het betalingsverkeer in een zaak tezamen of ten behoeve van een cliënt in een periode van ten hoogste een jaar.

Het overleg met de deken dient plaats te vinden voordat de contante betaling wordt verricht of aanvaard, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is. In dat geval dient het overleg zo snel mogelijk na de betaling plaats te vinden. Het overleg met de deken is bedoeld om de advocaat bewust te maken van de risico’s van het verrichten of aanvaarden contante betalingen in het kader van de voorkoming van betrokkenheid bij criminele handelingen. Het overleg creëert de mogelijkheid voor de advocaat nogmaals te onderzoeken welke feiten en omstandigheden er zijn die een contante betaling rechtvaardigen en dit te toetsen bij de deken. Dit betekent niet dat de deken toestemming geeft voor een contante betaling of deze juist verbiedt. De deken kan de advocaat adviseren hoe onder de specifieke omstandigheden om kan worden gegaan met de contante betaling. Het staat de advocaat vrij dit advies op te volgen. Echter als de deken van mening is dat een contante betaling niet gerechtvaardigd is, en deze betaling wordt na overleg toch gedaan, dan kan de deken een onderzoek starten en op grond van artikel 46f van de Advocatenwet een klacht indienen bij de tuchtrechter.

Afdeling 6.8 Klachten en geschillen

Artikel 6.28 Kantoorklachtenregeling

  1. De advocaat beschikt over een kantoorklachtenregeling die voldoet aan het bepaalde in het tweede lid. De advocaat draagt er zorg voor dat klachten conform de kantoorklachtenregeling worden behandeld.
  2. De in het eerste lid bedoelde kantoorklachtenregeling regelt in ieder geval:
    1. op welke wijze de advocaat, de praktijkrechtspersoon of het samenwerkingsverband klachten behandelt over de totstandkoming en de uitvoering van een overeenkomst van opdracht, de kwaliteit van de dienstverlening en de hoogte van de declaratie;
    2. dat de kantoorklachtenregeling eveneens van toepassing is op de onder de verantwoordelijkheid van de advocaat werkzame personen;
    3. welke advocaat is belast met de afhandeling van de klacht, die daarmee functioneert als klachtenfunctionaris. Een advocaat die zelfstandig zijn praktijk uitoefent wijst een externe advocaat aan als klachtfunctionaris;
    4. dat de klachtenfunctionaris binnen een maand na ontvangst van de klacht de klager en degene over wie is geklaagd schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt van het oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen;
    5. dat de klachtenfunctionaris bij afwijking van de termijn, bedoeld in onderdeel d, daarvan met redenen omkleed mededeling doet aan klager en degene over wie is geklaagd, onder vermelding van de termijn waarbinnen wel een oordeel over de gegrondheid van de klacht wordt gegeven;
    6. dat de klager en degene over wie is geklaagd in de gelegenheid worden gesteld een toelichting te geven op de klacht;
    7. dat de klager geen vergoeding is verschuldigd voor de kosten van de behandeling van de klacht.
  3. De advocaat, de praktijkrechtspersoon of het samenwerkingsverband verklaart de kantoorklachtenregeling, bedoeld in het eerste lid, van toepassing op iedere overeenkomst van opdracht die met de cliënt wordt aangegaan.
  4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op een advocaat die de praktijk uitoefent in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, aanhef en onderdeel e, f of g, en uitsluitend voor de werkgever optreedt.

Het centrale element van een behoorlijk vormgegeven klachtbehandeling is de kantoorklachtenregeling. In dit reglement zijn de procedure en werkwijze vastgelegd die door de individuele advocaat of diens kantoor worden gevolgd in het geval dat een cliënt zich tot de advocaat of het kantoor wendt met een klacht als bedoeld in artikel 1.1. Het eerste lid bepaalt dat de advocaat over een kantoorklachtenreglement moet beschikken. Deze verplichting geldt niet indien uitsluitend voor een werkgever, als bedoeld in artikel 5.9, aanhef en onderdelen e, f en g, wordt gewerkt. In dat geval kunnen klachten over de advocaat in dienst via de normale arbeidsregelingen worden afgehandeld.

De inhoud van de kantoorklachtenregeling moet voldoen aan de eisen die artikel 6.28, tweede lid, aan een dergelijke regeling stelt. Deze eisen laten aanzienlijke ruimte aan de advocaat en zijn kantoor in de wijze waarop met klachten wordt omgegaan. De advocaat en zijn kantoor maken daarin keuzes die neergelegd moeten worden in de kantoorklachtenregeling. De algemene raad kan een model kantoorklachtenregeling vaststellen ter ondersteuning van advocaten(kantoren).

Als uitgangspunt van klachtbehandeling geldt dat wanneer een cliënt een klacht heeft, deze klacht allereerst intern, dat wil zeggen door het kantoor van de betrokken advocaat, wordt behandeld. Dit kan een klacht zijn over een advocaat, maar ook over een persoon die werkt onder verantwoordelijkheid van de advocaat (tweede lid, onderdeel b). Hierbij kan worden gedacht aan een medewerker van het kantoor, maar ook aan een hulppersoon als bedoeld in artikel 6:76 van het BW.

De kantoorklachtenregeling bepaalt welke advocaat als klachtenfunctionaris functioneert (tweede lid, onderdeel c). In alle gevallen treedt een andere advocaat dan over wie wordt geklaagd op als klachtenfunctionaris.

De afronding van de interne klachtenprocedure moet wel aan een redelijke termijn zijn gebonden; voorkomen moet worden dat de toegang tot beslechting van het geschil door een derde wordt geblokkeerd doordat door de advocaat of de klachtenfunctionaris niet op de klacht wordt beslist. Voor de redelijkheid van de te hanteren termijn kan bepalend zijn de omvang van het kantoor, de aard van de gevoerde praktijk of de bereikbaarheid van de cliënt. In het algemeen mag worden verwacht dat een klachtbehandeling binnen een maand tot een afronding komt (tweede lid, onderdeel d). Deze termijn kan worden verlengd, waarbij moet worden aangegeven binnen welke termijn wel een oordeel over de klacht wordt gegeven (tweede lid, onderdeel e).

Indien daaraan behoefte is, wordt hoor en wederhoor toegepast (tweede lid, onderdeel f). Dit is ook bij uitstek de kans om tot een oplossing in der minne te komen.

Voorts is er een regeling dat het kantoor geen kosten in rekening kan brengen aan de klager voor de afhandeling van de klacht. Uitgangspunt is dat ieder zijn eigen kosten draagt. Van dit uitgangspunt kan niet ten nadele van de klager worden afgeweken (tweede lid, onderdeel g).

De initiële klachtbehandeling is gericht op het zoeken naar een oplossing voor de klacht die zowel voor de cliënt als voor de advocaat acceptabel is. Een eventuele klachtbehandelaar treedt niet op als ‘arbiter’ en kan in het kader van zijn betrokkenheid alleen bemiddelen of aanbevelingen doen. De kantoorklachtenregeling kan bepalen dat, indien de behandeling van de klacht aldus niet tot tevredenheid van de cliënt heeft geleid, de klacht ter beoordeling wordt voorgelegd aan een onafhankelijke derde: de civiele rechter, een bindend adviseur of arbiter (zoals bijvoorbeeld de Geschillencommissie Advocatuur). 

Ten overvloede, het hanteren van een kantoorklachtenregeling betekent niet dat voor een cliënt of de individuele advocaat de weg naar de civiele rechter wordt afgesloten of voor een cliënt de weg naar de tuchtrechter. De verordening laat onverlet dat advocaat en cliënt met uitdrukkelijke wederzijdse instemming afwijken van de geschillenbeslechting die door de toepasselijke kantoorklachtenregeling wordt voorgeschreven en bijvoorbeeld hun geschil over de dienstverlening van de advocaat rechtstreeks aan de bevoegde rechter voorleggen (meestal is dat de burgerlijk rechter).

Voor de cliënt die consument is, geldt nog een bijzonderheid. De consument, die dus niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf, kan verkiezen om van de procedure van bindend advies af te zien en het geschil aan de gewone rechter voor te leggen. Dit vloeit voort uit de grondwettelijke bepaling dat niemand tegen zijn wil kan worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent (artikel 17 Grondwet) in samenhang met artikel 6:236, onderdeel n, van het BW. Op grond daarvan moet een tot bindend advies strekkend beding als onredelijk bezwarend en vernietigbaar worden beschouwd, tenzij de cliënt een redelijke termijn wordt gegund om voor de beslechting van het geschil de volgens de wet bevoegde rechter te kiezen. Het geschil kan dus niet tegen de wil van de cliënt die consument is, aan bindend advies worden onderworpen.

Het derde lid bepaalt dat de advocaat de kantoorklachtenregeling van toepassing verklaart doordat deze deel uitmaakt van de algemene voorwaarden die op de dienstverlening van toepassing zijn, hetzij doordat deze integraal onderdeel uitmaakt van de overeenkomst van opdracht. De kantoorklachtenregeling is openbaar op grond van artikel 7.4, en kan aan de cliënt nogmaals kenbaar worden gemaakt bij de opdrachtbevestiging. 

Artikel 6.29 Geschilbeslechting

  1. Een advocaat, de praktijkrechtspersoon of het samenwerkingsverband komt een forumkeuze met de cliënt overeen voor geschillen over de totstandkoming en de uitvoering van de overeenkomst van opdracht, de kwaliteit van de dienstverlening en de hoogte van de declaratie. De eerste volzin is niet van toepassing op een advocaat die de praktijk uitoefent in dienst van een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, aanhef en onderdeel e, f of g, en uitsluitend voor de werkgever optreedt.
  2. Indien een advocaat, praktijkrechtspersoon of samenwerkingsverband in de overeenkomst van opdracht opneemt dat geschillen over de totstandkoming en de uitvoering van deze overeenkomst, de kwaliteit van de dienstverlening en de hoogte van de declaratie ter beslechting worden voorgelegd aan een ander dan de bevoegde rechter, dan vindt deze geschilbeslechting in ieder geval plaats door middel van een overeenkomst tot arbitrage als bedoeld in artikel 1020 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of door middel van een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 900 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

In het eerste lid is bepaald dat in de overeenkomst van opdracht, of desgewenst via de algemene voorwaarden, een forumkeuze wordt opgenomen. Hiermee is kenbaar welke onafhankelijke partij bevoegd is een bindende uitspraak te doen over een niet opgeloste klacht (een geschil). Deze verplichting geldt niet indien uitsluitend voor een werkgever als bedoeld in artikel 5.9, aanhef en onderdelen e, f en g, wordt gewerkt. In dat geval kunnen geschillen over de advocaat in dienst via de normale arbeidsregelingen worden afgehandeld.

In het tweede lid is opgenomen dat dit geschil kan worden voorgelegd aan de bevoegde (civiele) rechter of aan een onafhankelijke derde partij. Indien het geschil wordt voorgelegd aan een onafhankelijke derde, dan dient deze geschilbeslechting aan bepaalde waarborgen te voldoen. Daarom moet deze geschilbeslechting worden afgehandeld via een regeling waarbij sprake is van een overeenkomst tot arbitrage als bedoeld in artikel 1020 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of van een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 van het BW. Dit sluit aan bij de wettelijke bepaling in artikel 28, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Advocatenwet.

De verordening maakt geen onderscheid tussen geschillen over de hoogte van een declaratie en andere geschillen. Voor alle typen van geschillen geldt dat geschilbeslechting met waarborgen moet worden afgehandeld.

Artikel 6.30 Klachtregistratie

De klachtenfunctionaris houdt een overzicht bij van alle binnengekomen klachten met daarbij het onderwerp van de klacht.

Een van de uitgangspunten van deze afdeling is kwaliteitsbevordering. Deze kwaliteitsbevordering kan worden bereikt wanneer advocaten lering kunnen trekken uit eerder op het kantoor afgehandelde klachten. Daarnaast is een behoorlijke registratie van klachten een graadmeter voor het algemene niveau van de dienstverlening. Om die reden wordt voorgeschreven dat de klachtenfunctionaris een overzicht bijhoudt van alle binnengekomen klachten en het onderwerp daarvan. Hierbij is het niet noodzakelijk dat persoonsgegevens worden bijgehouden.

Afdeling 6.9 Registratie rechtsgebieden

Artikel 6.31 Reikwijdte

  1. Deze afdeling is van toepassing op de advocaat die onvoorwaardelijk op het tableau is ingeschreven.
  2. In afwijking van het eerste lid is deze afdeling van toepassing op een advocaat die is ingeschreven op basis van een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties of op grond van artikel 16h van de Advocatenwet.

Het eerste lid bepaalt dat advocaten die onvoorwaardelijk op het tableau staan ingeschreven als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Advocatenwet, zich moeten registreren in het rechtsgebiedenregister. Deze afdeling geldt niet voor stagiaires die op grond van artikel 9b van de Advocatenwet de praktijk onder begeleiding van een patroon dienen uit te oefenen en hun stage nog niet hebben voltooid als bedoeld in artikel 3.2 van de Verordening, en mitsdien voorwaardelijk op het tableau staan ingeschreven. Wel zijn stagiaires vindbaar op 'zoek een advocaat', maar de verplichting om zich te registreren op rechtsgebieden en tien opleidingspunten te behalen op de geregistreerde rechtsgebieden is niet van toepassing. Op de stagiaire is artikel 4.4, tweede lid, van de verordening ook niet van toepassing.

Het tweede lid bepaalt dat voor EU-advocaten die op grond van artikel 16h van de Advocatenwet staan ingeschreven en de advocaten die zijn ingeschreven op basis van een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties de verplichte registratie in het rechtsgebiedenregister direct geldt.

Artikel 6.32 Registratie rechtsgebiedenregister

  1. Een advocaat registreert zich op het tableau op ten minste één en ten hoogste vier rechtsgebieden waarop hij tien opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, heeft behaald, aan de hand van een lijst van rechtsgebieden, bedoeld in het vijfde lid.
  2. Een advocaat die in het voorafgaande kalenderjaar op een desbetreffend geregistreerd rechtsgebied tien opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, heeft behaald, maakt gemakkelijk fysiek of elektronisch toegankelijk bekend dat hij staat geregistreerd op een wijze overeenkomstig een model, bedoeld in het vierde lid.
  3. Een advocaat actualiseert zijn registratie op het tableau en zijn openbare bekendmaking als bedoeld in het tweede lid onverwijld bij wijzigingen.
  4. De algemene raad stelt modellen vast voor het fysiek of elektronisch toegankelijk bekend maken van de registratie.
  5. De algemene raad stelt een lijst van rechtsgebieden vast, waarop in ieder geval staat ‘algemene praktijk’.
  6. De algemene raad stelt nadere regels over de wijze waarop de registratie op het tableau plaatsvindt en het fysiek of elektronisch toegankelijk maken van de registratie.
  7. Met ingang van het moment waarop deze afdeling op een advocaat van toepassing is, kan hij zich registreren als bedoeld in het eerste lid op basis van opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, die voorafgaand aan dat moment zijn behaald, maar nadat hij in het bezit is gesteld van het certificaat beroepsopleiding advocaten.

Dit artikel bepaalt de vereisten voor verplichte registratie in het rechtsgebiedenregister en de bekendmaking daarvan. Het doel van het verplichte rechtsgebiedenregister is tweeledig. Het is een zoekregister dat de (kwetsbare) rechtzoekende kan helpen om bij een advocaat terecht te komen die ten aanzien van een bepaald rechtsgebied specifieke kennis heeft. Daarnaast draagt het register bij aan de kwaliteit van de advocatuur. Steeds complexer wordende juridische domeinen en specialisatiewensen nopen daartoe.

Het eerste lid bepaalt dat advocaten minimaal een rechtsgebied en maximaal vier rechtsgebieden registreren in het rechtsgebiedenregister. Voorwaarde voor registratie is dat een advocaat ieder kalenderjaar tien opleidingspunten op het desbetreffende rechtsgebied haalt (zie ook artikel 4.4 lid 2 Verordening). Het betreft een registratie achteraf die betrekking heeft op de tien behaalde punten in het voorafgaande kalenderjaar. Op advocaten die gedurende de laatste zes maanden van een kalenderjaar worden ingeschreven (bijvoorbeeld na de stage of als herintreder), rust de verplichting om tien opleidingspunten dat kalenderjaar te halen niet. Zij zijn niet verplicht om zich te registreren het kalenderjaar volgend op hun inschrijving, maar kunnen hiertoe wel eerder aan overgaan als zij voldaan hebben aan de vereisten voor registratie.    

Het tweede lid bepaalt dat advocaten hun registratie gemakkelijk fysiek of electronisch toegankelijk bekend dienen te maken. Het is voor de herkenbaarheid richting het publiek van belang dat deze bekendmaking op eenvormige wijze plaats heeft. Advocaten dienen gebruik te maken van een model dat de algemene raad beschikbaar stelt (lid 4). Indien de advocaat beschikt over een website dan gebruikt hij het model op een prominente plek zodat direct duidelijk is op welke rechtsgebieden de advocaat staat geregistreerd. In het geval de advocaat niet beschikt over een website, dan zal hij op andere wijze duidelijk zijn registratie kenbaar moeten maken, bijvoorbeeld op zijn briefpapier.

Het derde lid bepaalt dat de advocaat ervoor zorgt dat hij zijn registratie en het model actueel houdt. Indien de registratie van de advocaat wijzigt dan zorgt de advocaat ervoor dat hij deze wijziging doorvoert in het rechtsgebiedenregister en in het model dat hij gebruikt voor de bekendmaking van de rechtsgebieden waarop hij zich heeft geregistreerd.

Het vijfde lid bepaalt dat de algemene raad een lijst van rechtsgebieden vaststelt, waar in ieder geval de algemene praktijk onderdeel vanuit maakt. De algemene praktijk is in feite geen afzonderlijk rechtsgebied, maar wordt opgenomen voor advocaten die zich op meerdere rechtsterreinen bezighouden.

Afdeling 6.10 Tableau

Artikel 6.32a Controle gegevens tableau

  1. Een advocaat controleert elk kalenderjaar uiterlijk op 1 februari of de op hem betrekking hebbende gegevens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met g, van de Advocatenwet, juist, actueel en volledig zijn.
  2. Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, niet of niet langer juist, actueel of volledig zijn, stelt een advocaat de secretaris van de algemene raad hiervan onverwijld in kennis.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Advocatenwet verwerkt de secretaris van de algemene raad persoonsgegevens van advocaten op het tableau. De in artikel 8, eerste lid, onderdelen a tot en met g, van deze wet bedoelde persoonsgegevens dienen door advocaten te worden aangeleverd. In de praktijk komt het voor dat wijzigingen niet of niet tijdig worden doorgegeven. Dit is ‘schadelijk’ voor degenen die inzage hebben op de op het tableau verwerkte gegevens.

Om dit te voorkomen is een advocaat jaarlijks verplicht de op hem betrekking hebbende gegevens die hij dient te verstrekken (de gegevens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdelen a tot en met g, van de Advocatenwet) te controleren op juistheid, actualiteit en volledigheid. Indien een advocaat constateert dat hiervan geen sprake (meer) is, dient hij de secretaris van de algemene raad hiervan onverwijld in kennis te stellen, onder opgave van de juiste, actuele en volledige gegevens.

Hoofdstuk 7 Relatie advocaat – cliënt

Afdeling 7.1 Controle door advocaat

Artikel 7.1 Controle identiteit cliënt en wettigheid opdracht

  1. Bij aanvaarding van de opdracht vergewist de advocaat zich van de identiteit van de cliënt en in voorkomend geval tevens van de identiteit van de tussenpersoon die de opdracht namens de cliënt verstrekt, tenzij de aard of de omstandigheden van de zaak dit onmogelijk maken.
  2. Bij de aanvaarding van de opdracht gaat de advocaat na of in redelijkheid aanwijzingen bestaan dat de opdracht strekt tot voorbereiding, ondersteuning of afscherming van onwettige activiteiten.

Artikel 7.1 en artikel 7.2

Het is in het belang van de goede praktijkuitoefening van de advocaat en het vertrouwen van de samenleving in de advocatuur dat advocaten weten wie hun cliënt is. Het is evenzo belangrijk dat de diensten van advocaten niet worden misbruikt voor onwettige activiteiten. Dit artikel verplicht de advocaat zich bij de aanvaarding van de opdracht te vergewissen van de identiteit van de cliënt. Het gaat hierbij om een praktische regel die toegepast dient te worden op alle cliënten of tussenpersonen. De term ‘vergewissen’ brengt tot uitdrukking dat de advocaat een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de wijze waarop de identiteit van de cliënt wordt vastgesteld, afhankelijk van de aard en de omstandigheden van de zaak. De advocaat kan zich bijvoorbeeld vergewissen van de identiteit van de cliënt aan de hand van het inzien van een wettig identiteitsmiddel (bij natuurlijke personen) of het raadplegen van het handelsregister bij de kamer van koophandel (bij rechtspersonen en ondernemingen).

Het kan gebeuren dat de advocaat zich niet kan vergewissen van de identiteit van de cliënt omdat dit door de aard of de omstandigheden van de zaak (bijna) onmogelijk is. Ook kan het voorkomen dat dit niet lukt bij de aanvaarding van de opdracht. Belangrijk is dat de cliënt niet verstoken mag blijven van noodzakelijke rechtsbijstand. De advocaat kan dan redelijkerwijs niet worden verplicht om zich vooraf te vergewissen van de identiteit van de cliënt. Voorbeelden hiervan zijn onder meer spoedeisende zaken (bijvoorbeeld een kort geding of een beslaglegging) of de vreemdelingenpraktijk waarin de identiteit van de cliënt niet altijd met zekerheid te achterhalen is.

De vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt brengt met zich mee dat een advocaat, zo lang redelijke aanwijzingen van het tegendeel ontbreken, in beginsel mag afgaan op de juistheid van gegevens die zijn cliënt hem verstrekt. De advocaat heeft dus in het algemeen geen onderzoeksplicht. Hij mag dergelijke gegevens in het kader van zijn dienstverlening aan de cliënt voor waar aannemen en gebruiken, met inachtneming van de gebruikelijke maatstaven van aanvaardbaarheid jegens derden (vergelijk gedragsregels 6, tweede lid, en 30). Los van de vergewisplicht van de artikelen 7.1 en 7.2 van de Voda, is een advocaat onder omstandigheden verplicht om een cliëntenonderzoek uit hoofde van de Wwft te doen. Een cliëntenonderzoek uit hoofde van de Wwft gaat verder dan de vergewisplicht uit de Voda. In een eerste oriënterend/verkennend gesprek tussen een advocaat en zijn mogelijk nieuwe cliënt, zal komen vast te staan welk type diensten de potentiële cliënt verlangt. Het eerste gesprek valt buiten de reikwijdte van de Wwft, mits in dat gesprek (nog) niet inhoudelijk wordt geadviseerd. Als uit het eerste gesprek volgt dat de advocaat de zaak wil aannemen en de verlangde dienst is een dienst zoals omschreven in artikel 1a lid 4 sub c, van de Wwft, dan zal de advocaat moeten vaststellen of de zogenaamde procesvrijstelling als bedoeld in artikel 1a, vijfde lid, van de Wwft, van toepassing is. Valt de specifieke dienstverlening onder de procesvrijstelling, dan valt de zaak buiten de reikwijdte van de Wwft en is de advocaat niet gehouden om het cliëntenonderzoek op grond van de Wwft te verrichten. Valt de beoogde dienstverlening onder de Wwft en is de vrijstelling van artikel 1a, vijfde lid, van de Wwft, niet van toepassing, dan dient de advocaat de dienstverlening op te schorten en een cliëntenonderzoek conform de Wwft te verrichten.

Het tweede lid van artikel 7.1 verplicht de advocaat na te gaan of er in redelijkheid geen aanwijzingen zijn dat de opdracht strekt tot voorbereiding, ondersteuning of afscherming van onwettige activiteiten. Voorlichting over de rechtspositie van de cliënt is uiteraard altijd geoorloofd.

Zodra de advocaat gerede twijfel heeft of zich bewust wordt van omstandigheden die gerede twijfel rechtvaardigen over de juistheid van de gegevens of de identiteit van cliënt of tussenpersoon, zal hij conform het tweede lid van artikel 7.2 een onderzoek moeten instellen naar de juistheid van de hem verstrekte gegevens, naar de achtergrond van de cliënt en in voorkomend geval van de tussenpersoon en naar het doel van de opdracht. In geval van twijfel aan de wettigheid van het doel waartoe de opdracht strekt, dient uitleg van de cliënt te worden gevraagd met betrekking tot deze bijzonderheden. In zijn algemeenheid is niet aan te geven hoever de onderzoeksplicht strekt. Het onderzoek zal zodanig dienen te geschieden dat de verplichting tot geheimhouding niet wordt geschonden en overigens op de voor de cliënt minst bezwarende wijze. Bij twijfel over de (voldoende) mate van onderzoek verdient het aanbeveling de deken te raadplegen.

Artikel 7.2 Twijfel identiteit cliënt

  1. De advocaat mag afgaan op de juistheid van de hem door de cliënt verstrekte gegevens zolang in redelijkheid aanwijzingen van het tegendeel ontbreken.
  2. Indien de advocaat gerede twijfel heeft, dan wel indien er omstandigheden zijn die gerede twijfel rechtvaardigen, over de juistheid van de door of namens de cliënt verschafte gegevens of de identiteit van de cliënt of de tussenpersoon, stelt de advocaat een onderzoek in naar de juistheid van de verschafte gegevens, de achtergrond van de cliënt, de tussenpersoon onderscheidenlijk het doel van de opdracht, tenzij de aard of omstandigheden van de zaak dit onmogelijk maken.

Artikel 7.3 Weigeren dienstverlening

De advocaat onthoudt zich van de verlening van diensten of legt een opdracht neer, indien hij in redelijkheid niet in voldoende mate de gegevens, bedoeld in artikel 7.1 en artikel 7.2 heeft verkregen, of indien in redelijkheid aanwijzingen bestaan dat de opgedragen diensten strekken tot de voorbereiding, ondersteuning of afscherming van onwettige activiteiten.

Indien een cliënt de op grond van artikel 7.1 en artikel 7.2 gevraagde informatie niet verschaft dan wel zich verzet tegen een verbetering van (bij voorbeeld in een procedure gebruikte) gegevens, brengt het belang van het vertrouwen van de samenleving in de advocatuur met zich mee dat de advocaat van het gebruik van de desbetreffende gegevens afziet dan wel bij een blijvend verschil van inzicht de relatie met de cliënt beëindigt (vergelijk gedragsregel 9, tweede lid). Eventueel kan er vooraf overleg met de deken plaatsvinden. Het weigeren van dienstverlening op grond van dit artikel is des te meer op zijn plaats indien in redelijkheid aanwijzingen bestaan dat de aan de advocaat opgedragen diensten strekken tot de voorbereiding, ondersteuning of afscherming van illegale activiteiten. De geheimhoudingsplicht van de advocaat brengt met zich mee dat de in het kader van het onderzoek door hem verkregen gegevens en de reden van een eventuele beëindiging van de relatie met de cliënt niet openbaar worden gemaakt.

Dit artikel is ook van toepassing op gegevens of aanwijzingen verkregen tijdens de behandeling van de zaak. Dit kan zich in het bijzonder voordoen indien bij de advocaat de overtuiging ontstaat dat het eigenlijke doel van zijn inschakeling is het afschermen van de identiteit van de cliënt. Het neerleggen van de opdracht kan ook betrekking hebben op een onderdeel van de opgedragen werkzaamheden. Een denkbare situatie is dat de advocaat het merendeel van de hem opgedragen werkzaamheden uitvoert, maar met betrekking tot een onderdeel daarvan moet besluiten zich van medewerking te moeten onthouden. Het komt ook voor dat de advocaat wordt verzocht gelden, geldswaardige papieren, kostbaarheden of andere zaken aan te nemen. Men kan hierbij denken aan het verzoek van een cliënt of tussenpersoon een gesloten envelop met inhoud voor korte of langere tijd te bewaren of onder zich te houden. De advocaat riskeert in dat geval dat hij vanwege zijn geheimhoudingsplicht misbruikt wordt als dekmantel voor belastingontduiking of een strafrechtelijk vergrijp. Een advocaat dient daarom aan dergelijke verzoeken geen medewerking te verlenen.

Afdeling 7.2 Communicatie algemeen

Artikel 7.4 Informatieverstrekking

  1. De advocaat vermijdt in zijn optreden naar buiten dat een onjuiste, misleidende of onvolledige voorstelling van zaken wordt gegeven omtrent de wijze van praktijkuitoefening en omtrent enige vorm van samenwerking.
  2. De advocaat, die optreedt voor een of meer cliënten niet zijnde zijn werkgever, maakt in aanvulling op de artikelen 230b tot en met 230e van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, gemakkelijk fysiek of elektronisch toegankelijk bekend:

    a. met welke persoon, welk samenwerkingsverband of welke rechtspersoon de cliënt de overeenkomst van opdracht zal sluiten;

    b. of onder een gemeenschappelijke naam wordt opgetreden, zo ja, met wie, en of sprake is van een samenwerkingsverband, zo ja, welke rechtsvorm dit samenwerkingsverband heeft;

    c. de wijze waarop in beginsel de vervanging of waarneming is geregeld, tenzij deze binnen het kantoor of door een lid van het samenwerkingsverband wordt uitgeoefend;

    d. of de advocaat individueel of gezamenlijk met anderen voor beroepsaansprakelijkheid is verzekerd;

    e. de kantoorklachtenregeling, bedoeld in artikel 6.28, eerste lid.

    f. dat hij, indien van toepassing, geen derdengelden kan ontvangen omdat hij geen stichting derdengelden ter beschikking heeft;

    g. welke rechtsgebieden de advocaat heeft geregistreerd als bedoeld in artikel 6.32, tweede lid.

De advocaat mag zich niet misleidend presenteren over de wijze van praktijkuitoefening (eerste lid). Dat ziet onder meer op naamgeving van zijn kantoor. Een overtreding van de Handelsnaamwet zal dan ook een overtreding van dit artikel inhouden. Op grond daarvan kan de deken tuchtrechtelijk handhaven. Het is voor een advocaat die de praktijk zelfstandig uitoefent niet toegestaan om in zijn handelsnaam “[X] advocaten” te gebruiken, omdat hiermee de indruk wordt gewekt dat er meer advocaten werkzaam zijn. Wel is toegestaan om de (handels)naam “[X] advocatuur” of “[X] advocatenkantoor” te gebruiken.

Het is toegestaan dat meerdere advocaten, al dan niet met andere beroepsbeoefenaren, onder een gemeenschappelijke naam naar buiten optreden (zie artikel 5.5), zonder dat er sprake hoeft te zijn van een samenwerkingsverband. Deze vrijheid om zich naar buiten te afficheren wordt beperkt door het eerste lid; er mag geen onjuiste, misleidende of onvolledige voorstelling van zaken worden gegeven. Bij de presentatie van een kantoor op de website van advocatennetwerken, moet de advocaat vooral alert zijn op misleiding. Een derde partij kan beheer voeren over de website en aanverwante faciliteiten. De informatie op de website kan een indruk wekken dat bijvoorbeeld meerdere advocaten een kantoor vormen, terwijl dat niet het geval is. Ook kan ten onrechte de indruk gewekt worden dat de telefonistes of andere medewerkers van deze derde werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid en aansturing van de advocaat, terwijl dat niet het geval is.

Het is de verantwoordelijkheid van de advocaat om een juiste voorstelling van zaken te geven.

Er zijn kantoren die voor bepaalde zaken een advocaat inzetten die niet vast aan het kantoor verbonden is. De betreffende advocaat heeft zelf een eenmanskantoor of is verbonden aan een ander kantoor. Het inlenende kantoor mag op de website, of in andere uitingen, geen onduidelijkheid laten bestaan over de wijze waarop deze advocaat aan het kantoor verbonden is. Ten onrechte kan de indruk worden gewekt dat sprake is van een vast dienstverband, doordat de advocaat op de website tussen de medewerkers van het betreffende kantoor is geplaatst (bijvoorbeeld onder “onze mensen”), of door bijvoorbeeld de vermelding van een eigen kantoormailadres en doorkiesnummer en het noemen van een secretaresse. In die gevallen is sprake van onvoldoende transparantie en wordt in strijd gehandeld met de norm zoals neergelegd in het eerste lid. Het is uiteraard toegestaan de advocaat op de website van het kantoor, het briefpapier of in andere uitingen te vermelden, mits de positie van deze advocaat voldoende wordt onderscheiden van andere (vaste) medewerkers, bijvoorbeeld door middel van een aparte pagina op de website. Een advocaat die regelmatig wordt ingezet door een kantoor waaraan hij niet vast verbonden is, vermeldt dit op zijn eigen website.

Het eerste en tweede lid hebben de functie om de (potentiële) cliënten en eventuele wederpartij te informeren over de praktijk van de advocaat. In het tweede lid zijn aspecten opgenomen die de advocaat bekend moet maken, bovenop zijn verplichtingen op grond van artikel 6:230b tot en met 6:230e van het BW. Hij kan aan de in dit lid genoemde verplichting invulling geven door op zijn website de voorgeschreven informatie te verstrekken. De openbaarmaking vindt bij voorkeur plaats op de website van het advocatenkantoor. Deze verplichting is bedoeld om de cliënt en de potentiële cliënt in staat te stellen een afweging te maken bij de keuze van een advocaat.

De openbaar te maken gegevens onder a moeten duidelijkheid verschaffen over wie de contractspartij is. Op de website zou bijvoorbeeld opgenomen kunnen worden:

"De opdracht wordt aangegaan met advocatenkantoor X N.V." of "Advocaat mr. Y gaat de overeenkomst aan op persoonlijke titel.".

Op grond van onderdeel b moet de advocaat duidelijk maken hoe het kantoor georganiseerd is. Op de website van het kantoor zou kunnen komen te staan:

“Advocatenkantoor X is de handelsnaam van de advocaten mrs. A, B en C, gevestigd aan [adres]. De advocaten hebben een maatschap waarin enkele kosten gedeeld worden, maar sluiten zelfstandig de overeenkomst met de cliënt en behandelen zaken zelfstandig door middel van hun eigen BV.” of

“ ABC advocaten bestaat uit een maatschap van A advocaten BV, B advocaten en mr. C.

A advocaten is een BV waarin de advocaten mrs. A, D en E werkzaam zijn. A advocaten contracteert als rechtspersoon en treedt naar buiten op onder de handelsnaam ABC advocaten.

B advocaten is een maatschap met de advocaten mrs. B, F en G en is een samenwerkingsverband in de zin van de Verordening op de advocatuur. De maatschap contracteert en de advocaten treden naar buiten op onder de handelsnaam ABC advocaten.

Mr. C is een zelfstandig optredende advocaat en contracteert op persoonlijke titel. Mr. C deelt de faciliteiten van het kantoor en maakt ook gebruik van de handelsnaam ABC advocaten.”

 
Onderdeel c is allereerst bedoeld om inzichtelijk te maken wie toegang zou kunnen hebben tot de dossiers. Op grond van gedragsregel 7 zal ook de waarnemende advocaat moeten controleren of er geen sprake is van tegenstrijdige belangen. Gedragsregel 7, lid 4 en verder, ziet op tegenstrijdige belangen tussen de advocaat en zijn kantoorgenoten of leden in het samenwerkingsverband. Omdat de gedragsregel daarvoor al een voorziening heeft getroffen, bevat onderdeel c een uitsluiting daarvoor. Als de vervanging en waarneming binnen het kantoor of samenwerkingsverband geregeld is, behoeft dat niet expliciet te worden toegelicht. Voor grotere kantoren is het waarschijnlijker dat op deze wijze voorzien wordt in vervanging en waarneming.

Het is in het kader van transparantie en goede dienstverlening daarnaast nuttig om aan te geven welke advocaten bij de behandeling van de zaak zullen worden betrokken; op grond van artikel 7.5 moet dat bij de opdrachtbevestiging ook aangegeven worden. Omdat het waarschijnlijk niet mogelijk is om vooraf voor alle gevallen aan te geven wie als achtervang of waarnemer zal optreden, is het voldoende als de informatie aangeeft wie of welk kantoor in beginsel wordt ingeschakeld. Het is mogelijk er van af te wijken. De website kan in dat geval desgewenst de opmerking bevatten dat afgeweken kan worden van beschreven wijze van vervanging of waarneming indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Met onderdeel d wordt het advocatenkantoor verplicht om aan te geven hoe de advocaat verzekerd is voor beroepsaansprakelijkheid. Het is daartoe niet nodig de naam of namen van de verzekeraar te publiceren. In het algemeen kan volstaan worden met een korte beschrijving van de partij die verzekerd is (de individuele advocaat, zijn kantoor, het samenwerkingsverband of de rechtspersoon) en of de aansprakelijkheid is beperkt. Indien het kantoor een advocaat inzet die niet vast aan het kantoor verbonden is, moet duidelijk zijn op welke wijze hij verzekerd is ter zake van het risico van de beroepsaansprakelijkheid met betrekking tot de werkzaamheden die hij voor het inlenende kantoor verricht.

Op grond van onderdeel e zal de advocaat zijn kantoorklachtenregeling, bedoeld in artikel 6.28, openbaar moeten maken. Ook hier geldt dat, indien een kantoor een advocaat inzet die niet vast aan het kantoor verbonden is, duidelijk moet zijn tot welke raad van de orde de advocaat behoort en welke kantoorklachtenregeling op deze advocaat van toepassing is met betrekking tot de werkzaamheden die hij voor het inlenende kantoor verricht.

Onderdeel f verplicht de advocaat, die is vrijgesteld van de verplichting een stichting derdengelden ter beschikking te hebben omdat hij geen derdengelden ontvangt (artikel 6.21, tweede lid), publiekelijk kenbaar te maken dat hij geen derdengelden kan ontvangen.

Onderdeel g verplicht de advocaat gemakkelijk fysiek of elektronisch toegankelijk bekend te maken op welke rechtsgebieden hij zich heeft geregistreerd. Het dient voor de rechtzoekende herkenbaar te zijn op welke rechtsgebieden de advocaat zich heeft geregistreerd. De algemene raad stelt daarvoor een model beschikbaar waar de advocaat gebruik van maakt (zie artikel 6.32 tweede lid, onderscheidenlijk vierde lid van de Verordening).

Idealiter komt de praktijk van de advocaat overeen met de geregistreerde rechtsgebieden. Maar het kan zijn dat de praktijk van de advocaat breder is en hij zich hier ook op afficheert. Voor de rechtzoekende dient duidelijk te zijn op welke rechtsgebieden de advocaat geregistreerd staat.

Artikel 7.5 Opdrachtbevestiging

  1. De advocaat informeert zijn cliënt over de persoon, het samenwerkingsverband of de rechtspersoon met wie de cliënt de overeenkomst van opdracht sluit.
  2. De advocaat informeert de cliënt wie betrokken is bij de uitvoering van de opdracht.

Het Hof van Discipline onderstreept in haar vaste jurisprudentie het belang van artikel 7.5 van de Voda (o.a. in HvD, d.d. 8 juli 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:183 en HvJ EU, d.d. 12 januari 2023, C-395/21, ECLI:C:EU:2023:14). Een advocaat is gehouden om belangrijke afspraken, zoals de opdrachtbevestiging en afspraken over het in rekening brengen van het honorarium, schriftelijk vast te leggen. Het oordeel dat in civielrechtelijke zin een overeenkomst tot stand is gekomen, doet daar niet aan af. Bij de bevestiging van de overeenkomst van opdracht moet aan de cliënt duidelijk gemaakt worden wie aan de zijde van de advocaat partij is bij de overeenkomst. 

Indien bij de uitvoering van de opdracht een advocaat is betrokken die niet vast aan het kantoor is verbonden, dan wordt de cliënt hierover in de opdrachtbevestiging geïnformeerd. Duidelijk moet zijn tot welke raad van de orde de advocaat behoort, op welke wijze de advocaat verzekerd is ter zake van het risico van zijn beroepsaansprakelijkheid en welke kantoorklachtenregeling op de advocaat van toepassing is met betrekking tot de werkzaamheden die hij in opdracht van de cliënt verricht.

Afdeling 7.3 Cassatieadvies civiel

Artikel 7.6 Adviseren cliënt inzake civiele cassatie

De advocaat bij de Hoge Raad adviseert de cliënt of, indien van toepassing, de advocaat die opdrachtgever is, tijdig en schriftelijk over:

a. de kansen van een principaal of incidenteel cassatieberoep dan wel -verweer;

b. de aan dat cassatieberoep dan wel -verweer verbonden kosten en risico's;

c. de opportuniteit van het cassatieberoep dan wel -verweer, gelet op de te verwachten rechtsgang na vernietiging en eventuele verwijzing of terugwijzing.

Een advocaat bij de Hoge Raad zal voorafgaand aan de beslissing om middelen in te dienen in een cassatiezaak eerst een cassatieadvies opstellen.

In het cassatieadvies betrekt de advocaat in elk geval de in dit artikel onder a tot en met c genoemde onderwerpen. Uit de redactie van het artikel blijkt dat ook de advocaat die voor verweerder optreedt, een advies moet uitbrengen, waarin onder meer tot uitdrukking komt dat hij zich heeft beraden over de vraag òf hij wel moet optreden. 

Het vervaardigen van een cassatieadvies valt onder behandelen van een cassatiezaak in de zin van artikel 4.14, eerste lid, van de verordening.

Afdeling 7.4 Resultaatgerelateerd honorarium

Paragraaf 7.4.1 Verbod op resultaatgerelateerd honorarium

Artikel 7.7 Verbod op resultaatgerelateerd honorarium
  1. Het staat de advocaat niet vrij overeen te komen, dat:

    a. slechts bij het behalen van een bepaald gevolg honorarium in rekening wordt gebracht, of
    b. het honorarium een evenredig deel zal bedragen van de waarde van het door zijn bijstand te bereiken gevolg.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing in de gevallen waarin voldaan wordt aan paragraaf 7.4.2 of paragraaf 7.4.3.

Artikel 7.7 en artikel 7.8

Artikel 7.7 bevat een verbod op no cure no pay en quota pars litis. Ook de CCBE regels kennen een overeenkomstige bepaling in regel 3.3. 

In artikel 7.8 is een uitzondering gemaakt voor het gebruik van een incassotarief in de incassopraktijk. In die incassopraktijk, waarin vaak sprake is van de inning van talrijke geldvorderingen van gelijke aard, zonder dat er sprake is van een te verwachten diepgaand juridisch geschil, is het sinds jaar en dag mogelijk no cure no pay afspraken te maken voor incasso’s. 

Voor advocaten bestaat er geen wezenlijk bezwaar tegen resultaatgerelateerde incassoafspraken. Zo kan een advocaat afspreken in eerste instantie een lager (uur)tarief te rekenen wat verhoogd wordt bij positief gevolg aan de hand van een percentage van de waarde. Voorwaarde daarbij is wel dat het lagere uurtarief kostendekkend moet zijn en moet voorzien in een bescheiden honorarium voor de advocaat. Een dergelijke beloningswijze is dus niet in strijd met de in artikel 7.7 vervatte norm.

Paragraaf 7.4.2 Incassotarief

Artikel 7.8 Uitzondering incassotarief

Een advocaat kan gebruik maken van een binnen de advocatuur gebruikelijk en aanvaard incassotarief.

Paragraaf 7.4.3 Letsel- en overlijdensschadezaken

Paragraaf 7.4.3 bevat regelgeving voor een experiment met het toestaan van resultaatgerelateerd belonen in letselschade- en overlijdensschadezaken. Het experiment is per 1 januari 2026 omgezet naar een bestendige praktijk en gecodificeerd in regelgeving.

Niet voldoen aan de voorwaarden genoemd in deze paragraaf bij het overeenkomen van een resultaatgerelateerde beloning leidt tot strijd met artikel 7.7. Overtreding van artikel 7.7 is tuchtrechtelijk laakbaar.

Artikel 7.9 Voorwaarden letsel- en overlijdensschadezaken

Een advocaat kan de bepalingen van deze paragraaf toepassen bij letsel- en overlijdensschadezaken, indien:

a. de aansprakelijkheid niet aanstonds is erkend of niet redelijkerwijs vaststaat, dan wel problemen van enige importantie voorzienbaar zijn in de sfeer van schade of causaliteit en

b. de cliënt niet in aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtsbijstand, of daar uitdrukkelijk van af ziet.

Een honorariumafspraak op basis van resultaatgerelateerde beloning is, met het oog op de vereiste relatie tussen inspanning en uiteindelijke beloning, alleen toegelaten wanneer de zaak niet zonneklaar is. De zaak moet dus een bepaalde complexiteit hebben ten gevolge waarvan de advocaat niet met zeer weinig inspanning tot een voor zijn cliënt gunstig resultaat komt. De relatie tussen inspanning en beloning wordt op grond van dit artikel niet aangenomen indien in de voorliggende letsel- of overlijdensschadezaak sprake is van:

– erkende of vaststaande aansprakelijkheid
– een helder causaal verband tussen gebeurtenis en schade
– duidelijke aanwezigheid van schade bij de cliënt.

Waar het die laatste twee aspecten betreft, moet (rechts)strijd daarover dus voorzienbaar zijn. Is die strijd niet voorzienbaar, dan zal de advocaat met weinig inspanning de zaak in het voordeel van zijn cliënt kunnen afhandelen. Het gevaar van een onredelijke beloning is ook dan zeer beperkt, omdat de grondslag van de toegelaten beloningssystematiek toch het aantal werkelijk aan de zaak bestede uren blijft. Het zal voor de advocaat dan ook niet mogelijk zijn om met enkele uren werk een zeer grote opbrengst te verwezenlijken.

Onderdeel b van dit artikel regelt het volgende. De advocaat behoort voor zijn cliënt met een inkomen en vermogen onder de grens, bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, een toevoeging aan te vragen. De advocaat mag in een dergelijk geval geen resultaatgerelateerdeafspraken maken. Dat is slechts anders als de cliënt uitdrukkelijk afziet van door de overheid gefinancierde rechtshulp met in achtneming van het bepaalde in gedragsregel 18, derde lid.

Artikel 7.10 Vergoeding advocaat

De advocaat kan met zijn cliënt overeenkomen dat hij geen honorarium in rekening brengt indien het financiële resultaat voor de cliënt minder is dan of gelijk is aan nihil, en

a. indien de specifieke kosten voor rekening van de cliënt blijven, dat hij zijn gebruikelijke uurtarief vermenigvuldigt met ten hoogste factor 2, en dat hij een honorarium in rekening brengt, inclusief algemene kantoorkosten en BTW, van ten hoogste 25 procent van het financiële resultaat; of

b. indien de betrokken advocaat alle specifieke kosten voldoet en deze kosten slechts aan de rechtzoekende in rekening brengt voor zover het te verkrijgen financiële resultaat daarvoor ruimte biedt, dat hij zijn gebruikelijke uurtarief vermenigvuldigt met ten hoogste factor 2,5, en dat hij een honorarium in rekening brengt, inclusief algemene kantoorkosten en BTW, van ten hoogste 35 procent van het financiële resultaat en dat toegewezen kostenvergoedingen aan hem toekomen.

In deze paragraaf dient er niet alleen sprake te zijn van een zaak waarbij aanmerkelijke discussie bestaat over aansprakelijkheid, causaliteit of schade, maar ook blijft declaratie op uurbasis de grondslag van de vergoeding voor de advocaat. De advocaat mag wel declareren op basis van een verhoging met respectievelijk 100 of 150 procent van het overeengekomen uurtarief (anders gezegd 2 of 2,5 maal dat uurtarief). Anders zou een voldoende prikkel en beloning voor het door hem te lopen risico, ten aanzien van zijn honorarium en eventueel ook ten aanzien van door hem voorgeschoten kosten, geheel ontbreken. Het staat de advocaat overigens vrij een lager tarief overeen te komen.

Het honorarium is afhankelijk van het behaalde financiële resultaat (resultaatgerelateerd). Deze afhankelijkheid komt tot uitdrukking in het maximumbedrag dat kan worden gedeclareerd. Afhankelijk van of de advocaat de specifieke kosten voor zijn rekening neemt of niet is het maximumbedrag 35% of 25% van het financiële resultaat (zie hieronder bij ‘beloningsmodaliteiten’).

Een rekenvoorbeeld: de advocaat komt met zijn cliënt het rekenpercentage overeen van factor 2; 25 procent van het financiële resultaat en een uurtarief van € 200. Het uiteindelijk verkregen financiële resultaat is € 100.000. Het honorarium op basis van het percentage zou dan € 25.000 bedragen, maar omdat de advocaat dit resultaat heeft bereikt in slechts twintig uur werk, terwijl zijn verdubbelde uurtarief € 400 is, zal hij niet meer kunnen declareren dan € 8.000 vermeerderd met de specifieke kosten en BTW.

Beloningsmodaliteiten
Er zijn binnen de toegelaten beloningsafspraken in deze paragraaf twee verschillende modaliteiten mogelijk. Binnen het eerste arrangement betaalt de rechtzoekende in beginsel zelf de op zijn zaak drukkende specifieke kosten. In de tweede variant gaat het risico voor de specifieke kosten van de rechtzoekende over op de advocaat. Dat leidt tot een potentieel hoger rekenpercentage.

Het is niet de bedoeling dat die vergoedingen door de advocaat worden verkregen naast het honorarium op basis van de resultaatgerelateerde beloningsafspraak. Het moet gaan om een te verkrijgen financiële resultaat, dat wil zeggen een op geld waardeerbaar resultaat. Louter emotionele of principiële resultaten zijn geen financiële resultaten en kunnen niet toch op geld worden gewaardeerd alleen maar om aan een beloning voor de advocaat toe te komen. Afrekening met de rechtzoekende vindt pas plaats als het financiële resultaat definitief is verkregen. Dat volgt uit de aard van de no cure no pay-afspraak. Als het financiële resultaat in gedeelten wordt verkregen, is gedeeltelijke afrekening mogelijk, zij het dat die afrekening dan in beginsel eerst op urenbasis moet geschieden en niet op basis van het overeengekomen rekenpercentage, om het urenbasis beginsel geen geweld aan te doen.

In nogal wat letselschadezaken is de rechtzoekende niet in staat om specifieke kosten verbonden aan de behandeling van zijn zaak te betalen. Met name bij medische aansprakelijkheid en bij beroepsziekten is vaak behoefte aan voorlichting door meerdere deskundigen. De kosten verbonden aan inschakeling van die deskundigen kunnen sterk oplopen. Bij procederen kunnen de griffierechten voor een rechtzoekende prohibitief zijn. Een rechtzoekende zou van inschakeling van een advocaat op basis van resultaatgerelateerde beloning kunnen afzien als de advocaat hem niet aanbiedt om die specifieke kosten te betalen. Het komt de algemene raad voor dat de advocaat dit moet kunnen aanbieden, omdat deze wijze van belonen anders een te beperkt toepassingsgebied zou kunnen krijgen, terwijl er tegen de variant sub b geen bijzondere bezwaren kunnen bestaan.

In verband met het extra risico dat de advocaat binnen deze variant loopt, is het redelijk indien het rekenpercentage hoger is dan binnen de basisvariant, sub a. Gekozen is voor een succesfactor van 2,5 maal het uurtarief, in combinatie met een percentage van ten hoogste 35 procent van de toegewezen schadevergoeding. Het hogere uurtarief en het daaruit voortvloeiende hogere maximale percentage, worden mede gerechtvaardigd door de gevallen waarin de door de advocaat betaalde kosten niet, of slechts gedeeltelijk worden vergoed door de aansprakelijke partij. Dat komt in de letselschadepraktijk regelmatig voor, bijvoorbeeld wanneer een partijdeskundige is ingeschakeld. De kosten daarvan komen niet zonder meer voor rekening van de aansprakelijke partij. Bovendien mag de evidente behoefte van rechtzoekenden aan vrijwaring van het kostenrisico niet afstuiten op onvoldoende aantrekkingskracht van de in deze paragraaf bedoelde beloningsmodaliteit voor bij de letselschadeadvocatuur. Een hoger ondernemingsrisico rechtvaardigt ook daarom een hoger uurtarief dan in de variant waarin de cliënt zelf de specifieke kosten draagt. Benadrukt wordt dat kosten gegenereerd door de rechtzoekende buiten opdracht van de advocaat om – en wellicht ook buiten zijn medeweten – niet onder de kosten vallen die voor risico komen van de advocaat.

Een rekenvoorbeeld met betrekking tot deze variant: de advocaat spreekt met de cliënt af om de specifieke kosten van de cliënt in diens plaats te voldoen en komt een percentage van 35 procent overeen. De specifieke kosten komen neer op € 15.000. Het uiteindelijk verkregen resultaat is € 100.000. Het honorarium op basis van het rekenpercentage zou dan € 35.000 bedragen. Wanneer de advocaat dit resultaat heeft bereikt in twintig uur werk en het afgesproken uurtarief € 200 bedraagt, zal hij € 10.000 kunnen declareren, vermeerderd met de € 15.000 voor de specifieke kosten die de advocaat voor zijn rekening heeft genomen. Zou in dit geval geen financieel resultaat zijn behaald, dan zouden de specifieke kosten voor rekening van de advocaat zijn gebleven.

Artikel 7.11 Bijzondere normen advocaat
  1. De advocaat informeert de cliënt schriftelijk voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst ten minste over:

    a. de mogelijkheid van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand, van beroep op een particuliere rechtsbijstandverzekering en van honorering van de advocaat op basis van een te betalen uurtarief ongeacht de uitkomst van de zaak;

    b. het redelijkerwijs te verwachten verloop van de zaak;

    c. de redelijkerwijs te verwachten specifieke kosten in deze zaak en de mogelijkheden, genoemd in artikel 7.10.

  2. De advocaat verstrekt de cliënt een risico-inschatting met schriftelijke informatie betreffende de verwachting ten aanzien van de door de advocaat te verrichten arbeid en de te maken kosten.
  3. De advocaat kan de rechtsbijstand slechts tussentijds beëindigen op grond van gewichtige redenen en met inachtneming van de daartoe noodzakelijke zorgvuldigheid.
  4. De advocaat kan uitsluitend na schriftelijke aanvaarding door de cliënt een schikkingsovereenkomst met de wederpartij sluiten of een gerechtelijke procedure aanhangig maken of beëindigen.
  5. De advocaat legt de omstandigheden van het geval vast, op grond waarvan iedere zaak voldoet aan artikel 7.9.
Artikel 7.12 Inhoud overeenkomst

Een overeenkomst die afspraken aangaande het honorarium bevat wordt door beide partijen ondertekend en bevat in ieder geval:

a. een beschrijving van de opdracht;

b. de informatie, bedoeld in artikel 7.11, eerste, tweede en vijfde lid;

c. de volgende financiële afspraken:

  • het percentage van het uiteindelijke financiële resultaat dat volgens de overeenkomst geldt voor de berekening van het maximaal te declareren honorarium;
  • het verwachte financiële resultaat; en
  • het overeengekomen uurtarief van de advocaat;
  • of de specifieke kosten voor risico van de rechtzoekende zijn of voor risico van de advocaat;

d. een regeling voor het geval:

  • de cliënt tussentijds de opdracht intrekt zonder concreet zicht op het beschreven te behalen resultaat, inhoudende de betaling van een redelijke vergoeding voor gewerkte uren en de betaling van gemaakte kosten;
  • de cliënt tussentijds de opdracht intrekt met concreet zicht op het beschreven te behalen financiële resultaat;

e. een regeling, die ziet op de overdracht van de zaak aan een andere advocaat in geval van tussentijdse intrekking van de opdracht;

f. de bepaling, bedoeld in artikel 7.11, derde lid, dat de advocaat de rechtsbijstand slechts tussentijds kan beëindigen op grond van gewichtige redenen en met inachtneming van de daartoe noodzakelijke zorgvuldigheid, met bepaling van de wijze waarop in dat geval de honorering plaatsvindt;

g. een bepaling met de strekking van artikel 7.11, vierde lid;

h. een bepaling waarin is vastgelegd dat de cliënt na het tekenen van de overeenkomst deze nog eenzijdig en zonder gevolgen teniet kan doen binnen een in de overeenkomst te bepalen redelijke bedenktijd.

In dit artikel is beschreven welke inhoud de overeenkomst ten minste dient te hebben. Er is niet beoogd dat de bepalingen van deze verordening verbintenisrechtelijke gevolgen hebben, zoals het aanvullen van de overeenkomst. De bepaling is zuiver tuchtrechtelijk van aard. Indien de overeenkomst niet voldoet aan de bepalingen van dit artikel, dan is de advocaat tuchtrechtelijk laakbaar op grond van artikel 7.7. Dit artikel bevat geen regelend of dwingend recht ten aanzien van de overeenkomst.

Artikel 7.12 stelt uitdrukkelijk eisen aan de overeenkomst, die veelal in de vorm van een schriftelijke opdrachtbevestiging zal zijn. In deze schriftelijke opdrachtbevestiging moet in voor de rechtzoekende duidelijke taal inzicht worden gegeven in de redelijke verwachting van de advocaat ten aanzien van de te verrichten arbeid en de te maken (buiten)gerechtelijke kosten. Voorts bevat de opdrachtbevestiging een op feiten en omstandigheden gebaseerd, gemotiveerd advies over de keuze van de honoreringsmodaliteit met daarbij opgenomen een risico-inschatting en het minimaal door de advocaat te behalen resultaat op basis waarvan de honorering zal worden berekend. De cliënt kan met de advocaat overeenkomen dat de advocaat onder deze grens niet zal worden gehonoreerd.

Een verwijzing in de opdrachtbevestiging, onderdeel f, naar een regeling in geval de advocaat de rechtsbijstand tussentijds beëindigt op grond van gewichtige redenen is bedoeld om de positie van de rechtzoekende bij tussentijdse beëindiging te versterken. Te denken valt aan een situatie waarin de advocaat tijdens de behandeling van de zaak tot de conclusie komt dat de kansen op succes niet zo groot zijn en daarom een breuk tussen hem en zijn cliënt teweeg brengt. De advocaat doet dat opdat toch een financiële vergoeding kan worden bewerkstelligd als ware er sprake van een overdracht van de zaak aan een andere advocaat. Daarom wordt de regeling hiertoe, met aspecten die zien op de beloning van de advocaat, in de overeenkomst opgenomen.

In de opdrachtbevestiging dient eveneens te worden vastgelegd, dat de advocaat slechts met voorafgaande schriftelijke aanvaarding van de cliënt een schikkingsovereenkomst met de wederpartij kan sluiten of een gerechtelijke procedure aanhangig kan maken of beëindigen. De normen in artikel 7.11 worden op die manier ook verbintenisrechtelijk geborgd.

Advocaten hebben te allen tijde de vrije keuze om van geval tot geval te bezien, afhankelijk van de omstandigheden van het geval en in overleg met de rechtzoekende, hoe zij hun werkzaamheden declareren: volgens de thans gangbare declaratiemethoden (op basis van een uurtarief of een vast tarief respectievelijk de door het hof van discipline toegestane betalingsmodaliteiten), dan wel op resultaatgerelateerde basis conform deze verordening.

Hoofdstuk 8 Besluitvorming en rechtsbescherming

Dit hoofdstuk bevat bepalingen die betrekking hebben op bijzondere vormen van besluitvorming en rechtsbescherming die afwijkt van de standaard-rechtsbescherming op grond van de Awb.

Artikel 8.1 Beschikkingen onder voorwaarden

De raad van de orde kan voorwaarden verbinden aan:

  1. beschikkingen genomen op grond van artikel 9b, tweede, derde en vierde lid, van de Advocatenwet;
  2. goedkeuringen, bedoeld in artikel 3.5 en artikel 3.6.

Artikel 8.1 biedt de raad van de orde de mogelijkheid om aanvullende verplichtingen op te leggen in het kader van enkele beschikkingen die hij neemt in het kader van de stage. 

Artikel 8.2 Uitsluiten toepassing lex silencio positivo

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de volgende beschikkingen:

  1. de verklaring dat de stage is voltooid, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid;
  2. de goedkeuring van de stage en de beoogd patroon, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid;
  3. de accreditatie van een opleiding, bedoeld in artikel 3.25;
  4. de vrijstelling van de opleidingspunten bij cassatie, bedoeld in artikel 4.11, derde lid.

De Dienstenwet biedt de mogelijkheid om bij wettelijk voorschrift te bepalen dat de positieve fictieve beschikking van paragraaf 4.1.3.3 van de Awb niet van toepassing is op bepaalde beschikkingen. Onder wettelijk voorschrift in de Dienstenwet wordt tevens een verordening verstaan, indien het verlenen van de beschikking ook bij verordening is geregeld. De reden om deze zogenoemde lex silencio positivo niet van toepassing te laten zijn op bepaalde beschikkingen moet gelegen zijn in een of meer dwingende redenen van algemeen belang, zoals bescherming van consumentenbelangen, openbare orde en veiligheid of bescherming van het milieu.

De in artikel 8.2 opgenomen beschikkingen dienen het belang van de bescherming van consumenten, namelijk rechtzoekenden, en het belang van een goede rechtsorde. In de genoemde gevallen is een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag essentieel om de kwaliteit van de advocatuur te waarborgen. 

Artikel 8.3 Administratief beroep

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 9b, zesde lid, van de Advocatenwet kan een belanghebbende administratief beroep instellen bij de algemene raad tegen de volgende beschikkingen van de raad van de orde of de daaraan verbonden voorwaarden:

    a. de verlenging van de stage, bedoeld in artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet, eerste volzin, respectievelijk tweede volzin;

    b. de verlening van een vrijstelling ingevolge artikel 9b, derde lid, van de Advocatenwet;

    c. de aanwijzing van een patroon, bedoeld in artikel 9b, vierde lid, van de Advocatenwet;

    d. de weigering tot afgifte van een verklaring, bedoeld in artikel 3.2;

    e. de goedkeuring door de raad van de orde van de opzegging van de stage door de patroon, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onderdeel c;

    f. de goedkeuring van een patroon, bedoeld in artikel 3.5, eerste en tweede lid;

    g. de weigering van de goedkeuring van een patronaat, bedoeld in artikel 3.6, eerste en derde lid.

  2. Een belanghebbende kan administratief beroep instellen bij de algemene raad tegen een beschikking van de raad van de orde op grond van artikel 4.6, tweede en derde lid, en artikel 4.7, vijfde lid.

Dit artikel bepaalt dat tegen de genoemde beschikkingen administratief beroep openstaat. Administratief beroep bij de algemene raad draagt bij aan de rechtseenheid, in tegenstelling tot bezwaar bij de raad van de orde. Daarnaast zorgt dit artikel ervoor dat er gelijke rechtsbescherming is voor verwante beschikkingen, waardoor er eenheid van rechtsbescherming is. Het gaat om twee soorten beschikkingen. Artikel 8.3 noemt de beschikkingen, waartegen op grond van bijvoorbeeld artikel 9b, zesde lid, van de Advocatenwet, nog geen administratief beroep open staat. Artikel 9b, zesde lid, van de Advocatenwet, noemt meerdere afwijzende of negatieve beschikkingen. Een belanghebbende dient ook rechtsbescherming te kunnen krijgen bij beschikkingen die weliswaar gunstig zijn, maar waarbij voorwaarden opgelegd worden die ongunstig kunnen zijn (onder meer op grond van artikel 8.1). In dat geval regelt artikel 8.3 dat de rechtsbescherming tegen deze beschikkingen op vergelijkbare wijze plaatsvindt. Daardoor kan de rechtsbeschermingsclausule onder de beschikkingen gelijkluidend zijn voor alle soorten beschikkingen genoemd in artikel 9b, zesde lid, van de Advocatenwet respectievelijk artikel 8.3 van deze verordening.

In het tweede lid wordt bepaald dat tegen de weigering om vrijstelling te verlenen van de herintrederspunten of de extra te behalen punten bij de ziekteregeling administratief beroep bij de algemene raad mogelijk is. Dit voorkomt al te grote verschillen tussen de arrondissementen bij de toepassing van deze bepalingen.

Artikel 8.4

Vervallen

Hoofdstuk 9 Overgangsrecht

Met uitzondering van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen, geldt dat er voor de invoering van deze verordening directe werking is voorzien. De bepalingen van deze verordening gelden vanaf het moment dat zij in werking treden. In zowel bestaande als nieuwe situaties moeten de advocaat en zijn kantoor dus rekening houden met de bepalingen.

Indien een regel op grond van inwerkingtreding van deze verordening vervalt, dan geldt deze niet meer (artikelen 10.1 en 10.2). Bestaande besluiten op grond van die regels worden daardoor niet aangetast, maar als er een nieuw besluit genomen moet worden, dan dient dat op basis van de nieuwe verordening te geschieden.

Bij het introduceren van een nieuwe bepaling, zoals de transparantie-verplichtingen in artikel 7.4 en artikel 7.5, geldt dat de advocaat deze dus vanaf inwerkingtreding moet naleven. Er is geen ‘gewenningsperiode’ voorzien, behoudens de bepalingen van dit hoofdstuk.

Afdeling 9.1 Stage

Artikel 9.1 Overgangsrecht Stageverordening

  1. Voor stagiaires die beschikken over een op grond van de Stageverordening 2005 afgegeven bewijs dat het in artikel 9c van de Advocatenwet bedoelde examen met gunstig gevolg is afgelegd en voor stagiaires die beëdigd zijn voor 1 maart 2013, ingeschreven zijn voor de beroepsopleiding en vanaf inwerkingtreding van dit artikel zonder onderbreking op het tableau staan ingeschreven, blijven de Stageverordening 2005 en de daarop berustende bepalingen van toepassing totdat de stagiaire aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.
  2. Indien de in het eerste lid bedoelde stagiaire op 1 september 2014 niet in het bezit is van het in het eerste lid genoemde bewijs kan de algemene raad, in afwijking van het eerste lid, aan de stagiaire alternatieve maatregelen opleggen ter afronding van de beroepsopleiding.
  3. Indien de in het eerste lid bedoelde stagiaire er niet in slaagt de stage voor 1 maart 2016 af te ronden, kan de raad van de orde, respectievelijk de algemene raad, hem in de gelegenheid stellen de opleidingsmaatregelen, bedoeld in artikel 11 van de Stageverordening 2005, anderszins te voltooien.
  4. Een andere dan de in het eerste lid bedoelde stagiaire kan de algemene raad verzoeken om toegelaten te worden tot de beroepsopleiding, op grond van de Stageverordening 2005, indien hij

    a. niet voldoet aan het vereiste van zonder onderbreking ingeschreven staan, bedoeld in het eerste lid,

    b. reeds beëdigd is geweest,

    c. op grond van de Stageverordening 2005 met de beroepsopleiding was begonnen; en

    d. geen certificaat als bedoeld in artikel 8c, eerste lid, onderdeel c, onder 2, van de Advocatenwet heeft behaald.

  5.  De algemene raad kan, op verzoek van de stagiaire, bedoeld in het vierde lid, besluiten dat op hem de bepalingen van de Stageverordening 2005 van toepassing zijn, indien de stagiaire beëdigd is voorafgaand aan het te volgen onderwijs of het af te leggen examen dat ingevolge de Stageverordening 2005 nog wordt gegeven of wordt afgenomen.

Artikel 9.1 en artikel 9.2

Er zijn gedurende enkele jaren na inwerkingtreding van deze verordening stagiaires die op grond van de Stageverordening 2005 begonnen zijn aan hun advocaat-stage. Onder voorwaarden blijven de bepalingen van die (ingetrokken) verordening op hen van toepassing. Naar verwachting is het overgangsrecht voor deze artikelen in de loop van 2017 volledig uitgewerkt. Het aantal advocaat-stagiaires dat een beroep kan doen op deze bepalingen zal echter al eerder afnemen.

Voor stagiaires die onder de Stageverordening 2012 vallen, is geen overgangsrecht opgenomen. Voor hen geldt dat de bepalingen van hoofdstuk 3 direct van toepassing zijn. Deze bepalingen zijn nagenoeg gelijkluidend aan die van de Stageverordening 2012. 

Artikel 9.2 Omhangbepaling Stageverordening 2012

Besluiten genomen op grond van Stageverordening 2012 worden aangemerkt als besluiten op grond van deze verordening.

Artikel 9.2a Overgangsrecht beroepsopleiding advocaten 2020

  1. Op een stagiaire die uiterlijk in september 2020 de beroepsopleiding advocaten aanvangt en met ingang van 1 oktober 2020 zonder onderbreking op het tableau staat ingeschreven, en op zijn patroon blijft het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.28, 3.8 en 3.9 en afdeling 3.2, zoals deze artikelen luidden op 30 september 2020, van toepassing totdat hij aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.
  2. In afwijking van het eerste lid kan de algemene raad de stagiaire, bedoeld in het eerste lid, die op 1 september 2023 niet in het bezit is van het certificaat beroepsopleiding advocaten, alternatieve maatregelen aanbieden ter afronding van de beroepsopleiding.
  3. Onverminderd artikel 9.1, vierde en vijfde lid, kan de algemene raad een stagiaire op zijn verzoek toelaten tot de beroepsopleiding op grond van de regelgeving, zoals deze gold op 30 september 2020, indien hij:
    1. met onderbreking staat ingeschreven op het tableau; en
    2. met de beroepsopleiding, op grond van de regelgeving, zoals deze gold op 30 september 2020, was begonnen.
  4. Onverminderd artikel 9.1, eerste lid, blijft op een stagiaire die in het bezit is van het certificaat beroepsopleiding advocaten op grond van de beroepsopleiding advocaten, zoals deze gold tot 1 oktober 2020, het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.2, 3.8 en 3.9, zoals deze artikelen luidden op 30 september 2020, van toepassing totdat hij aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.

Artikel 9.2b Overgangsrecht geaccrediteerde opleidingsinstelling

Op een geaccrediteerde opleidingsinstelling die vóór 1 oktober 2020 de onderdelen van de beroepsopleiding advocaten, bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, onderdelen b en c, zoals dit artikel luidde op 30 september 2020, mag aanbieden, blijft het bepaalde bij of krachtens artikel 3.25, zoals dit artikel luidde op 30 september 2020, van toepassing voor de resterende duur van de accreditatie.

Afdeling 9.2 Samenwerking

Artikel 9.3 Overgangsrecht bestuurders en statuten

  1. Op een samenwerkingsverband dat of praktijkrechtspersoon die voor het moment van inwerkingtreding van artikel 5.6 een bestuurder heeft die niet voldoet aan artikel 5.6, tweede lid, aanhef en onderdeel b, is artikel 5.6, tweede lid, van toepassing een jaar na inwerkingtreding van dat artikel.
  2. Artikel 5.7 is van toepassing op statuten van praktijk- en houdster-rechtspersonen die bestaan op het moment van inwerkingtreding van dat artikel indien deze na dat moment worden aangepast of nadat vijf jaar zijn verstreken na inwerkingtreding van dat artikel.

Het eerste lid bevat overgangsrecht voor bestuurders die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening reeds benoemd waren, maar niet voldoen aan de bepalingen van artikel 5.6, tweede lid. De samenwerkingsverbanden en rechtspersonen waar die bestuurders benoemd zijn, krijgen een jaar de tijd om deze bestuurder te vervangen door een bestuurder die wel aan artikel 5.6 voldoet.

Het tweede lid bevat overgangsrecht met betrekking tot de statuten van de praktijkrechtspersoon of de houdsterrechtspersoon. Voor inwerkingtreding van deze verordening moesten deze statuten voldoen aan de bepalingen van de Verordening op de praktijkrechtspersoon.

Praktijk- of houdsterrechtspersonen krijgen vijf jaar na inwerkingtreding van artikel 5.7 om de statuten aan te passen. Na aanpassing of na het verstrijken van vijf jaar geldt artikel 5.7. 

Afdeling 9.2a Cassatie in burgerlijke zaken

Artikel 9.3a Overgangsrecht cassatie in burgerlijke zaken

  1. Van een voor 1 februari 2020 afgegeven verklaring als bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet wordt door de algemene raad binnen twee weken na deze datum kennisgege-ven aan de secretaris van de algemene raad. Met deze kennisgeving wordt de advocaat geacht een verzoek aan de secretaris van de algemene raad te hebben gedaan ter verkrijging van de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken.
  2. Van een voor 1 februari 2020 plaatsgevonden voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken vervalt de beperkte geldigheidsduur van drie jaar als bedoeld in artikel 4.11, tweede en vierde lid, zoals dat luidde op 31 januari 2020.

Eerste lid

Tot inwerkingtreding van de Wijzigingsverordening civiele cassatie 2019 (als gevolg waarvan afdeling 4.2 is gewijzigd) was het mogelijk om na het verkrijgen van de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet, met het oog op een voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’, te wachten met het doen van een verzoek aan de secretaris van de algemene raad om toegelaten te worden tot de cassatiebalie. In het systeem van de huidige afdeling 4.2 wordt van deze verklaring door de algemene raad kennisgegeven aan de secretaris van de algemene raad, waarmee de advocaat wordt geacht een verzoek te hebben gedaan tot het verkrijgen van de voorwaardelijke aantekening. Het is niet wenselijk dat met een verklaring als bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet

die voorafgaand aan inwerkingtreding van de Wijzigingsverordening civiele cassatie 2019 is afgegeven, nog wel kan worden gewacht met een dergelijk verzoek. Om die reden regelt artikel 9.3a, eerste lid, dat van een vóór inwerkingtreding van voornoemde wijzigingsverordening afgegeven verklaring door de algemene raad binnen twee weken na inwerkingtreding van de wijzigingsverordening wordt kennisgegeven aan de secretaris van de algemene raad en de desbetreffende advocaat daarmee wordt geacht een verzoek aan de secretaris van de algemene raad te hebben gedaan ter verkrijging van de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken.

Tweede lid

Met de huidige afdeling 4.2 wordt de voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken niet langer voor een beperkte duur verstrekt. Op grond van artikel 4.11, tweede lid, van de verordening, zoals dit artikel luidde op de dag voor inwerkingtreding van de Wijzigingsverordening civiele cassatie 2019, gold de voorwaardelijke aantekening voor een periode van drie jaar. Artikel 9.3a, tweede lid, bepaalt dat de beperkte geldigheidsduur van voorwaardelijke aantekeningen van vóór de datum van inwerkingtreding van de Wijzigingsverordening civiele cassatie 2019 vervallen.

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

Dit hoofdstuk bevat de slotbepalingen van de verordening. Deze bepalingen regelen inwerkingtreding, intrekking van oude regelgeving en de citeertitel.

Artikel 10.1 Intrekken van bestaande verordeningen

De volgende verordeningen worden ingetrokken:

de Verordening op de Raad van Advies;

  1. de Verordening vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur;
  2. de Verordening op de financiële bijdrage;
  3. de Stageverordening 2012;
  4. de Verordening op de administratie en financiële integriteit;
  5. de Verordening op de nummerherkenning;
  6. de Verordening op het landelijk dekenberaad toezicht;
  7. de Verordening op de vakbekwaamheid;
  8. de Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking;
  9. de Verordening op de praktijkuitoefening (onderdeel Resultaatgerelateerde Beloning);
  10. de Verordening op de praktijkrechtspersoon;
  11. de Samenwerkingsverordening 1993.

In artikel 10.1 worden alle verordeningen van de Nederlandse orde van advocaten ingetrokken. De onderhavige verordening vervangt deze verordeningen in hun geheel.

Artikel 10.2 Intrekken van bestaande regelingen

De volgende regelingen worden ingetrokken:

  1. de Regeling vacatiegelden en kostenvergoedingen 2012;
  2. het Reglement van de Adviescommissie Regelgeving;
  3. het Reglement voor de Adviescommissies Wetgeving;
  4. de Regeling vakbekwaamheid;
  5. de Regeling erkenning opleidingsinstellingen;
  6. de Richtlijn Klachten- en Geschillenregeling Advocatuur;
  7. de Richtlijn Registratie Rechtsgebieden Advocatuur;
  8. de Regeling Registratie Rechtsgebieden advocatuur;
  9. het Reglement vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur.

In artikel 10.2 wordt een aantal regelingen en richtlijnen ingetrokken waarbij het college van afgevaardigden bij de totstandkoming ervan betrokken is geweest. Deze verordening en de daarop gebaseerde regelgeving vervangen deze regelingen en richtlijnen. De Richtlijn en Regeling Registratie Rechtsgebieden zijn ingetrokken omdat artikel 8, eerste lid, onderdeel g, van de Advocatenwet al in registratie van de rechtsgebieden voorziet. 

Artikel 10.3 Einde experiment letsel- en overlijdensschadezaken

Vervallen

Artikel 10.4 Einde experiment rechtsbijstandsverzekeraars

De volgende wijzigingen treden in werking met ingang van 1 januari 2028:

a. na afdeling 5.5 Praktijkuitoefening in dienst vervalt de paragraaftitel ‘Paragraaf 5.5.1 Bescherming kernwaarden bij dienstverbanden’;

b. in artikel 5.9, aanhef en onderdeel e, vervalt de zinssnede ‘, of paragraaf 5.5.2’;

c. paragraaf 5.5.2 vervalt.

Artikel 10.4 regelt het einde van het experiment. De wijzigingen die met het voorstel in de Verordening op de advocatuur worden ingevoerd, houden met ingang van 1 januari 2028 van rechtswege op te bestaan. Daarmee wordt op transparante wijze zeker gesteld dat deze wijzigingsverordening de status van experiment blijft houden. Dit laat onverlet de mogelijkheid dat het experiment kan worden verlengd of kan worden geïncorporeerd in een fundamentele systeemwijziging. Daartoe moet het college van afgevaardigden in dat geval een nieuw besluit nemen.
(bron: Vo.-15, nr.3)

Artikel 10.5 Inwerkingtreding

De artikelen in deze verordening treden in werking op een door de algemene raad te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 10.6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op de advocatuur.

Navigeer inhoud van  Verordening op de advocatuur

Navigeer inhoud van Verordening op de advocatuur

Uitgelicht

Wet- en regelgeving

Alle wet- en regelgeving voor de advocatuur. Van de Advocatenwet tot de Verordening op de advocatuur (Voda) en de Regeling op de advocatuur (Roda).

Voor uw praktijk

Ondersteuning voor advocaten bij hun beroepsuitoefening: van de advocatenpas tot het rechtsgebiedenregister en geheimhoudernummers.