Paragraaf 4.2.3 Verliezen hoedanigheid ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken

Artikel 4.15 Doorhaling voorwaardelijke aantekening

  1. De secretaris van de algemene raad haalt de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken door, indien een advocaat gedurende een onafgebroken tijdvak van drie jaar met een voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken op het tableau ingeschreven heeft gestaan zonder dat het bewijsstuk kan worden overgelegd dat de proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, met goed gevolg is afgelegd.
  2. Indien de algemene raad toepassing geeft aan artikel 4.11, tweede lid, eerste volzin, wordt de termijn, bedoeld in het eerste lid, verlengd met de in de beslissing, bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, eerste volzin, opgenomen termijn.
  3. De doorhaling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door middel van een beschikking van de algemene raad met ingang van een tijdstip dat, gelet op het belang van de rechtzoekende, ten minste één maand en ten hoogste drie maanden na de datum van de beschikking gelegen is. De algemene raad geeft van de beschikking kennis aan de raad van de orde.
  4. De secretaris van de algemene raad geeft van de doorhaling binnen acht dagen kennis aan de algemene raad en de raad van de orde, onverminderd artikel 9j, tweede lid, tweede volzin, van de Advocatenwet.

Artikel 4.15

Gedurende een termijn van drie jaar na verkrijging van een voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken wordt de ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken in de gelegenheid gesteld zodanige kennis en vaardigheden op te doen om, na het met goed gevolg afleggen van een proeve van bekwaamheid, een onvoorwaardelijke aantekening te verkrijgen. Als de ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken na deze ‘leerperiode’ de proeve van bekwaamheid niet of niet met goed gevolg aflegt, bestaat er geen recht om de hoedanigheid van ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken te behouden.

De in artikel 9k van de Advocatenwet geregelde route van het doorhalen van de aantekening voor deze situatie is niet geschikt voor deze situatie. Dit artikel kan tot de onwenselijke situatie leiden dat een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken nog enige tijd zijn hoedanigheid behoudt, ondanks dat hij niet voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen om die hoedanigheid te behouden.

Artikel 4.15 regelt dan ook dat de secretaris van de algemene raad de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken doorhaalt, indien een advocaat gedurende een onafgebroken tijdvak van drie jaar met een voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken op het tableau ingeschreven heeft gestaan zonder dat het bewijsstuk kan worden overgelegd dat de proeve van bekwaamheid met goed gevolg is afgelegd. De doorhaling geschiedt bij beschikking van de algemene raad met ingang van een tijdstip dat, gelet op het belang van de rechtzoekende, ten minste twee maanden en ten hoogste zes maanden na de datum van de beschikking gelegen is.

Op voornoemde termijn van drie jaar gelden een uitzondering. De algemene raad kan de termijn waarbinnen de proeve van bekwaamheid met goed gevolg moet zijn afgelegd verlengen met ten hoogste twaalf maanden, indien hij van oordeel is dat de advocaat als gevolg van bijzondere omstandigheden niet kan voldaan aan de praktijkeisen (zie nieuw artikel 4.11, tweede lid, van de Voda). Als de algemene raad toepassing geeft aan deze bevoegdheid, wordt de termijn van drie jaar verlengd met eenzelfde termijn.

Tegen het besluit tot doorhaling op grond van artikel 4.15 van de Voda staat bezwaar en beroep open (net als tegen het besluit tot schrapping van de voorwaardelijke inschrijving op grond van artikel 8c, derde en zesde lid, van de Advocatenwet bezwaar en beroep openstaat). Daarbij geldt dat het voorgestelde artikel 4.15, eerste lid, een dwingende bepaling is waarbij de algemene raad geen beleidsvrijheid heeft bij de vraag of de voorwaardelijke aantekening wordt doorgehaald. Bij het bepalen van het moment waarop doorhaling geschiedt, heeft de algemene raad wel enige beleidsvrijheid. In het belang van de rechtzoekende bepaalt de algemene raad een moment tussen twee en zes maanden. Andere belangen, zoals het belang van de betrokken advocaat zelf, blijven buiten beschouwing.

Het hierboven beschreven systeem voor doorhaling van de voorwaardelijke aantekening laat onverlet de mogelijkheid dat in de periode tot drie jaar na verkrijging van de voorwaardelijke aantekening alsmede in de periode na verkrijging van de onvoorwaardelijke aantekening toepassing kan worden gegeven aan artikel 9k van de Advocatenwet als niet langer aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Daarbij geldt dat uit het publieke belang van de kwaliteit van de rechtsbedeling en de advocatuur in het algemeen, maar in het bijzonder ook uit het doel en de strekking van de Wet versterking cassatierechtspraak, volgt dat als een advocaat niet langer aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet, de raad van de orde slechts in zéér uitzonderlijke gevallen het verzoek, bedoeld in artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet, achterwege zal kunnen laten.

Artikel 4.16 Gevolg doorhaling aantekening

Indien de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken door de secretaris van de algemene raad al dan niet op verzoek van de advocaat is doorgehaald, vervalt van rechtswege de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet, en, indien van toepassing, het bewijsstuk, bedoeld in artikel 4.11, achtste lid.

Artikel 4.16

Doorhaling van de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken door de secretaris van de algemene raad geschiedt na het in kracht van gewijsde gaan van een beslissing tot doorhaling (artikel 9k van de Advocatenwet). Artikel 4.15 regelt dat de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet en, indien deze is versterkt, het bewijsstuk dat de proeve van bekwaamheid met voldoende resultaat is behaald, van rechtswege vervalt. Daarmee wordt buiten twijfel gesteld dat geldigheid van het behaalde mondeling examen en proeve van bekwaamheid vervalt. Wil de advocaat opnieuw in aanmerking komen voor de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken, dan zal hij na drie jaar (zie artikel 4.11) een nieuw verzoek om afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet moeten indienen ter verkrijging van een voorwaardelijke aantekening.

Navigeer inhoud van  Verordening op de advocatuur

Navigeer inhoud van Verordening op de advocatuur

Uitgelicht

Wet- en regelgeving

Alle wet- en regelgeving voor de advocatuur. Van de Advocatenwet tot de Verordening op de advocatuur (Voda) en de Regeling op de advocatuur (Roda).

Voor uw praktijk

Ondersteuning voor advocaten bij hun beroepsuitoefening: van de advocatenpas tot het rechtsgebiedenregister en geheimhoudernummers.