Artikel 4.15
Gedurende een termijn van drie jaar na verkrijging van een voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken wordt de ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken in de gelegenheid gesteld zodanige kennis en vaardigheden op te doen om, na het met goed gevolg afleggen van een proeve van bekwaamheid, een onvoorwaardelijke aantekening te verkrijgen. Als de ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken na deze ‘leerperiode’ de proeve van bekwaamheid niet of niet met goed gevolg aflegt, bestaat er geen recht om de hoedanigheid van ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken te behouden.
De in artikel 9k van de Advocatenwet geregelde route van het doorhalen van de aantekening voor deze situatie is niet geschikt voor deze situatie. Dit artikel kan tot de onwenselijke situatie leiden dat een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken nog enige tijd zijn hoedanigheid behoudt, ondanks dat hij niet voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen om die hoedanigheid te behouden.
Artikel 4.15 regelt dan ook dat de secretaris van de algemene raad de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken doorhaalt, indien een advocaat gedurende een onafgebroken tijdvak van drie jaar met een voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken op het tableau ingeschreven heeft gestaan zonder dat het bewijsstuk kan worden overgelegd dat de proeve van bekwaamheid met goed gevolg is afgelegd. De doorhaling geschiedt bij beschikking van de algemene raad met ingang van een tijdstip dat, gelet op het belang van de rechtzoekende, ten minste twee maanden en ten hoogste zes maanden na de datum van de beschikking gelegen is.
Op voornoemde termijn van drie jaar gelden een uitzondering. De algemene raad kan de termijn waarbinnen de proeve van bekwaamheid met goed gevolg moet zijn afgelegd verlengen met ten hoogste twaalf maanden, indien hij van oordeel is dat de advocaat als gevolg van bijzondere omstandigheden niet kan voldaan aan de praktijkeisen (zie nieuw artikel 4.11, tweede lid, van de Voda). Als de algemene raad toepassing geeft aan deze bevoegdheid, wordt de termijn van drie jaar verlengd met eenzelfde termijn.
Tegen het besluit tot doorhaling op grond van artikel 4.15 van de Voda staat bezwaar en beroep open (net als tegen het besluit tot schrapping van de voorwaardelijke inschrijving op grond van artikel 8c, derde en zesde lid, van de Advocatenwet bezwaar en beroep openstaat). Daarbij geldt dat het voorgestelde artikel 4.15, eerste lid, een dwingende bepaling is waarbij de algemene raad geen beleidsvrijheid heeft bij de vraag of de voorwaardelijke aantekening wordt doorgehaald. Bij het bepalen van het moment waarop doorhaling geschiedt, heeft de algemene raad wel enige beleidsvrijheid. In het belang van de rechtzoekende bepaalt de algemene raad een moment tussen twee en zes maanden. Andere belangen, zoals het belang van de betrokken advocaat zelf, blijven buiten beschouwing.
Het hierboven beschreven systeem voor doorhaling van de voorwaardelijke aantekening laat onverlet de mogelijkheid dat in de periode tot drie jaar na verkrijging van de voorwaardelijke aantekening alsmede in de periode na verkrijging van de onvoorwaardelijke aantekening toepassing kan worden gegeven aan artikel 9k van de Advocatenwet als niet langer aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Daarbij geldt dat uit het publieke belang van de kwaliteit van de rechtsbedeling en de advocatuur in het algemeen, maar in het bijzonder ook uit het doel en de strekking van de Wet versterking cassatierechtspraak, volgt dat als een advocaat niet langer aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet, de raad van de orde slechts in zéér uitzonderlijke gevallen het verzoek, bedoeld in artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet, achterwege zal kunnen laten.
Artikel 4.15 Doorhaling voorwaardelijke aantekening
Artikel 4.15
Gedurende een termijn van drie jaar na verkrijging van een voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken wordt de ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken in de gelegenheid gesteld zodanige kennis en vaardigheden op te doen om, na het met goed gevolg afleggen van een proeve van bekwaamheid, een onvoorwaardelijke aantekening te verkrijgen. Als de ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken na deze ‘leerperiode’ de proeve van bekwaamheid niet of niet met goed gevolg aflegt, bestaat er geen recht om de hoedanigheid van ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken te behouden.
De in artikel 9k van de Advocatenwet geregelde route van het doorhalen van de aantekening voor deze situatie is niet geschikt voor deze situatie. Dit artikel kan tot de onwenselijke situatie leiden dat een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken nog enige tijd zijn hoedanigheid behoudt, ondanks dat hij niet voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen om die hoedanigheid te behouden.
Artikel 4.15 regelt dan ook dat de secretaris van de algemene raad de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken doorhaalt, indien een advocaat gedurende een onafgebroken tijdvak van drie jaar met een voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken op het tableau ingeschreven heeft gestaan zonder dat het bewijsstuk kan worden overgelegd dat de proeve van bekwaamheid met goed gevolg is afgelegd. De doorhaling geschiedt bij beschikking van de algemene raad met ingang van een tijdstip dat, gelet op het belang van de rechtzoekende, ten minste twee maanden en ten hoogste zes maanden na de datum van de beschikking gelegen is.
Op voornoemde termijn van drie jaar gelden een uitzondering. De algemene raad kan de termijn waarbinnen de proeve van bekwaamheid met goed gevolg moet zijn afgelegd verlengen met ten hoogste twaalf maanden, indien hij van oordeel is dat de advocaat als gevolg van bijzondere omstandigheden niet kan voldaan aan de praktijkeisen (zie nieuw artikel 4.11, tweede lid, van de Voda). Als de algemene raad toepassing geeft aan deze bevoegdheid, wordt de termijn van drie jaar verlengd met eenzelfde termijn.
Tegen het besluit tot doorhaling op grond van artikel 4.15 van de Voda staat bezwaar en beroep open (net als tegen het besluit tot schrapping van de voorwaardelijke inschrijving op grond van artikel 8c, derde en zesde lid, van de Advocatenwet bezwaar en beroep openstaat). Daarbij geldt dat het voorgestelde artikel 4.15, eerste lid, een dwingende bepaling is waarbij de algemene raad geen beleidsvrijheid heeft bij de vraag of de voorwaardelijke aantekening wordt doorgehaald. Bij het bepalen van het moment waarop doorhaling geschiedt, heeft de algemene raad wel enige beleidsvrijheid. In het belang van de rechtzoekende bepaalt de algemene raad een moment tussen twee en zes maanden. Andere belangen, zoals het belang van de betrokken advocaat zelf, blijven buiten beschouwing.
Het hierboven beschreven systeem voor doorhaling van de voorwaardelijke aantekening laat onverlet de mogelijkheid dat in de periode tot drie jaar na verkrijging van de voorwaardelijke aantekening alsmede in de periode na verkrijging van de onvoorwaardelijke aantekening toepassing kan worden gegeven aan artikel 9k van de Advocatenwet als niet langer aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Daarbij geldt dat uit het publieke belang van de kwaliteit van de rechtsbedeling en de advocatuur in het algemeen, maar in het bijzonder ook uit het doel en de strekking van de Wet versterking cassatierechtspraak, volgt dat als een advocaat niet langer aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet, de raad van de orde slechts in zéér uitzonderlijke gevallen het verzoek, bedoeld in artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet, achterwege zal kunnen laten.