Artikel 3.13
In het zesde lid is een verplichting opgenomen voor de patroon om de raad van de orde te informeren over (langdurige) afwezigheid van de stagiaire. Van “enige tijd” is sprake als de afwezigheid langer is dan gebruikelijk. De praktijk wordt in elk geval “gedurende enige tijd” niet uitgeoefend indien de onderbreking drie maanden duurt. De patroon zal de raad van de orde moeten informeren op het moment dat hem duidelijk wordt dat de onderbreking van langere duur is. Deze informatieplicht heeft tot doel de raad van de orde te informeren over de werkzaamheden van de stagiaire. Daarmee wordt de raad van de orde in staat gesteld een afweging te maken over de praktijkervaring van de stagiaire. Die afweging betrekt de raad van de orde bij het besluit om de stage eventueel te verlengen. Daarnaast kan de raad van de orde informeren naar de reden van de afwezigheid en zo nodig maatregelen nemen. Indien de stagiaire langer dan drie maanden de praktijk niet uitoefent, is de stage van rechtswege opgeschort en wordt de stagiaire in beginsel de toegang tot het onderwijs van de beroepsopleiding ontzegd. Het achtste lid maakt het mogelijk om de patroon in te schakelen bij de beroepsopleiding. Zo kunnen er opleidingsonderdelen worden georganiseerd waar de stagiaire en de patroon gezamenlijk aan deelnemen.
Ter voorbereiding van het door een stagiaire in rechte optreden is het wenselijk dat hij eerst een optreden in rechte op tegenspraak bijwoont. Op grond van het negende lid draagt de patroon er zorg voor dat de stagiaire ten minste drie keer een optreden in rechte in een procedure op tegenspraak bijwoont. Het gaat daarbij om optreden door de patroon zelf, een kantoorgenoot of een andere advocaat. Daarbij wordt als eis gesteld dat de advocaat met wie de stagiaire meegaat, over een bepaalde mate van praktijkervaring beschikt, blijkend uit een periode van ten minste vijf jaar inschrijving als advocaat op het tableau. In het geval deze advocaat een EU-advocaat is, geldt, gelet op artikel 2a van de Advocatenwet, een periode van twee jaar.
Gelet op de aard van de verplichting is ervoor gekozen deze niet in te voegen als één van de vereisten voor het verkrijgen van de stageverklaring (zie artikel 3.2, eerste lid, van de Voda), maar als een verplichting voor de patroon.
Het ligt in de rede dat de patroon in het schriftelijke verslag, bedoeld in artikel 3.13, zevende lid, van de Voda aangeeft of hij heeft voldaan aan deze nieuwe verplichting.
Artikel 3.14
Aan de algemene raad wordt regelgevende bevoegdheid toegekend voor het maken van een opleidings-en examenreglement. De algemene raad kan voor de uitvoering van deze bevoegdheid gebruik maken van de expertise van de uitvoeringsorganisatie. Het reglement voorzien in een nadere regeling van de inhoud van het onderwijs, zoals de (keuze)vakken die worden aangeboden, de vereiste voorbereiding en de tijd die daarmee gemoeid is, en meer praktische, aan verandering onderhevige zaken, waarvoor regeling op het niveau van een reglement is aangewezen.
In het opleidings- en examenreglement wordt de concrete, praktische uitvoering van de beroepsopleiding beschreven. Waaronder de beoordeling van het huiswerk of de voorbereiding door de stagiaire en het daarmee verbonden toelaten tot het onderwijs of het als absent registreren van een stagiaire. Tevens wordt in het reglement de examencommissie ingesteld, die in stand gehouden wordt door de uitvoeringsorganisatie. De examencommissie krijgt in het reglement taken en bevoegdheden toebedeeld, door middel van delegatie of attributie, die verband houden met het examen. Te denken valt aan het toelaten tot het examen, de vaststelling van de inhoud van toetsen en het vaststellen van het cijfer.
Ook kan de algemene raad aan de examencommissie de bevoegdheid delegeren om het certificaat beroepsopleiding te verstrekken (artikel 3.21). Het behaald hebben van een certificaat beroepsopleiding is een krachtens de Advocatenwet gestelde voorwaarde om zelfstandig het beroep van advocaat te kunnen uitoefenen. Gelet hierop is de examencommissie een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onderdeel b, van de Awb; de commissie is immers met enig openbaar gezag bekleed.