Paragraaf 4.2.2 Behouden hoedanigheid ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken

Paragraaf 4.2.2 Aantekening civiele cassatie

Deze paragraaf beschrijft de inhoudelijke criteria en de procedure voor het verkrijgen van de verklaring voor de aantekening “advocaat bij de Hoge Raad”.

Artikel 4.12 Bekwaamheid cassatie

Een advocaat met de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken beschikt over de kennis en bekwaamheid om zelfstandig en naar behoren cassatieadviezen, cassatiemiddelen en cassatieverweren op te stellen.

Artikel 4.12

Dit artikel bevat een (algemene) norm voor bekwaamheid van de advocaat bij de Hoge Raad in burgerlijke zaken.

Als blijkt dat de ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken op enig moment niet of niet meer aan deze norm voldoet, kan de raad van de orde de raad van discipline verzoeken te beslissen dat de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ wordt doorgehaald (artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet). Volgens deze systematiek van de Advocatenwet kan een advocaat zijn aantekening verliezen door een daartoe strekkende beslissing van de raad van discipline (en in beroep het hof van discipline).

Als de advocaat niet aan deze norm voldoet, zal de raad van de orde slechts in zéér uitzonderlijke gevallen het verzoek, bedoeld in artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet, achterwege kunnen laten. Dit volgt uit het publieke belang van de kwaliteit van de rechtsbedeling en de advocatuur in het algemeen, maar in het bijzonder ook uit het doel en de strekking van de Wet van 15 maart 2012 tot wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak (versterking cassatierechtspraak) (Stb. 2012, 116).

Artikel 4.13 Opleidingseisen

  1. Een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken behaalt elk kalenderjaar ten minste tien opleidingspunten op terreinen die leiden tot verdieping van zijn kennis van het burgerlijk recht, het burgerlijk procesrecht en de beheersing van de cassatietechniek.
  2. De artikelen 4.4, derde tot en met zevende lid, en 4.5, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het behalen van de opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid.
  3. De algemene raad kan nadere regels stellen over de terreinen waarop de opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden behaald.

Artikel 4.13

Een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken is gehouden jaarlijks ten minste tien opleidingspunten te behalen op terreinen die leiden tot verdieping van zijn kennis van het burgerlijk recht, het burgerlijk procesrecht en de beheersing van de cassatietechniek.

Op grond van het tweede lid is het zogenoemde open stelsel van activiteiten waarvoor een of meer opleidingspunten op grond van artikel 4.4, eerste, vijfde en zesde lid, van de Voda kunnen worden behaald, van overeenkomstige toepassing verklaard. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar de hierboven gegeven toelichting bij artikel 4.9, derde lid.

Opleidingspunten die zijn behaald om te voldoen aan artikel 4.13, eerste lid, kunnen ook worden opgegeven voor de verplichte opleidingspunten op grond van artikel 4.4, eerste of tweede lid, van de Voda.

Verder is artikel 4.5 van overeenkomstige toepassing verklaard. De ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken dient de niet behaalde opleidingspunten in het daaropvolgende jaar in te halen. De in te halen punten komen derhalve bovenop de in laatstbedoeld jaar te behalen opleidingspunten. Het inhalen van de opleidingspunten laat onverlet dat het niet voldoen aan artikel 4.13, eerste lid, tuchtrechtelijk laakbaar is. Op grond van artikel 9k van de Advocatenwet kan dit reden zijn voor de raad van de orde om de raad van discipline te verzoeken de aantekening door te halen.

Artikel 4.14 Praktijkeisen

  1. Een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken behandelt iedere drie jaar na het verkrijgen van de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken ten minste twaalf cassatiezaken waarvan er ten minste zes hebben geleid tot een beoordeling door de Hoge Raad. Hierbij worden niet meegerekend zaken waarin het cassatieberoep op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk is verklaard.
  2. De algemene raad kan aan een advocaat met de onvoorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de verplich-ting, bedoeld in het eerste lid, in geval van bijzondere omstandigheden. De algemene raad kan voorwaarden verbinden aan de vrijstelling.
  3. De vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk acht weken vóór het verstrijken van de periode van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, aangevraagd en geldt uitsluitend voor de periode waarin de vrijstelling is aangevraagd. De algemene raad geeft van het verlenen van vrijstelling kennis aan de raad van de orde.
  4. De algemene raad kan nadere regels stellen over de mate van toerekening van een zaak aan een advocaat bij meer dan één behandelend advocaat.

Artikel 4.14

Een advocaat met de (on)voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken dient daadwerkelijk cassatiezaken te behandelen om vaardigheid erin op te doen of de vaardigheid te behouden. Het aantal zaken dat de advocaat per drie jaar moet behandelen is ten minste twaalf.

Van de twaalf zaken moet ten minste zes in die drie jaar hebben geleid tot een inhoudelijke beoordeling door de Hoge Raad. Voor dat aantal telt een afdoening op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet mee. Ook tellen zaken niet mee die aan het eind van de drie jaar nog niet tot een uitspraak hebben geleid.

Onder behandelen van een zaak wordt niet uitsluitend verstaan het optreden bij de Hoge Raad, maar ook het vervaardigen van een positief of negatief cassatie-advies (artikel 7.6 van de verordening). In dat geval kan de zaak niet tevens worden opgevoerd als een zaak die heeft geleid tot een inhoudelijke beoordeling door de Hoge Raad.

De advocaat zal desgevraagd (op verzoek of vordering van de deken op grond van afdeling 5.2 van de Awb), moeten aantonen welke zaken hij heeft behandeld, welke zaken tot een inhoudelijke beoordeling hebben geleid en welke niet, en of hij een zaak met meer dan een advocaat heeft behandeld. Voor de controle op deze praktijkeis is het aan te bevelen dat de advocaat (jaarlijks) registreert welke zaken hij heeft behandeld en welke tot een inhoudelijke beoordeling van de Hoge Raad hebben geleid. Door de informatie over drie jaar te bekijken, kan de raad van de orde beoordelen of de advocaat voldoet aan de eis, genoemd in het eerste lid.

Als blijkt dat de advocaat niet aan de gestelde eisen voldoet, kan de raad van de orde aan de raad van discipline verzoeken dat de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ wordt doorgehaald (artikel 9k, eerste lid, Advocatenwet). Zolang niet onherroepelijk is beslist, kan de advocaat zaken bij de Hoge Raad behandelen. Indien onherroepelijk is beslist, dan vervalt de aantekening en kan de advocaat geen cassatiezaken meer behandelen. Hij dient, in samenspraak met de raad van de orde, de zaken over te dragen aan een advocaat die wel mag optreden voor de Hoge Raad. De belangen van de cliënt kunnen op die manier veiliggesteld worden.

Het tweede lid biedt een advocaat met een onvoorwaardelijke aantekening in rechtsgebieden waarin zich weinig cassatiezaken voordoen, de mogelijkheid een vrijstelling te verzoeken van de praktijkeisen, bedoeld in het eerste lid. Het gaat dan om rechtsgebieden in een bepaalde niche. Een advocaat die uitsluitend op dat rechtsgebied werkzaam is, kan verwachten dat hij weinig cassatiezaken zal krijgen. Deze advocaat kan om (gedeeltelijke) vrijstelling verzoeken van de verplichting uit het eerste lid. Deze vrijstelling wordt alleen verleend indien naar het oordeel van de algemene raad is gebleken dat er op een specifiek rechtsgebied waarin de advocaat werkzaam is, zo weinig zaken worden aangebracht bij de Hoge Raad, dat het onredelijk is om onverminderd vast te houden aan twaalf zaken per drie jaar, waarvan er zes tot een inhoudelijke beoordeling door de Hoge Raad hebben geleid. De algemene raad kan gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen. Gedeeltelijke vrijstelling houdt in dat volstaan kan worden met een geringer aantal zaken. Indien de algemene raad een gedeeltelijke vrijstelling heeft verleend wordt daarin het aantal te behandelen zaken genoemd. De advocaat moet aantonen dat aantal zaken te hebben behandeld. Dus als de advocaat voor vier zaken een vrijstelling heeft gekregen, moet hij er nog acht behandeld hebben in drie jaar tijd.

Een verzoek om vrijstelling dient uiterlijk acht weken voor het verstrijken van de driejaarstermijn te worden ingediend. Dit stelt de algemene raad in staat om binnen de in artikel 4.13, tweede lid, van de Awb gestelde beslistermijn en derhalve voor het verstrijken van de driejaarstermijn, te beslissen op het verzoek.

Indien de advocaat niet voldoet aan artikel 4.14 van de verordening, kan de raad van de orde op grond van artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet de raad van discipline verzoeken om doorhaling van de aantekening. Uit het publieke belang van de kwaliteit van de rechtsbedeling en de advocatuur in het algemeen, maar in het bijzonder ook uit het doel en de strekking van de Wet versterking cassatierechtspraak, volgt dat als een advocaat niet langer aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet, de raad van de orde slechts in zéér uitzonderlijke gevallen het verzoek, bedoeld in artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet, achterwege zal laten. 

Navigeer inhoud van  Verordening op de advocatuur

Navigeer inhoud van Verordening op de advocatuur

Uitgelicht

Wet- en regelgeving

Alle wet- en regelgeving voor de advocatuur. Van de Advocatenwet tot de Verordening op de advocatuur (Voda) en de Regeling op de advocatuur (Roda).

Voor uw praktijk

Ondersteuning voor advocaten bij hun beroepsuitoefening: van de advocatenpas tot het rechtsgebiedenregister en geheimhoudernummers.