Artikel 4.14
Een advocaat met de (on)voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken dient daadwerkelijk cassatiezaken te behandelen om vaardigheid erin op te doen of de vaardigheid te behouden. Het aantal zaken dat de advocaat per drie jaar moet behandelen is ten minste twaalf.
Van de twaalf zaken moet ten minste zes in die drie jaar hebben geleid tot een inhoudelijke beoordeling door de Hoge Raad. Voor dat aantal telt een afdoening op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet mee. Ook tellen zaken niet mee die aan het eind van de drie jaar nog niet tot een uitspraak hebben geleid.
Onder behandelen van een zaak wordt niet uitsluitend verstaan het optreden bij de Hoge Raad, maar ook het vervaardigen van een positief of negatief cassatie-advies (artikel 7.6 van de verordening). In dat geval kan de zaak niet tevens worden opgevoerd als een zaak die heeft geleid tot een inhoudelijke beoordeling door de Hoge Raad.
De advocaat zal desgevraagd (op verzoek of vordering van de deken op grond van afdeling 5.2 van de Awb), moeten aantonen welke zaken hij heeft behandeld, welke zaken tot een inhoudelijke beoordeling hebben geleid en welke niet, en of hij een zaak met meer dan een advocaat heeft behandeld. Voor de controle op deze praktijkeis is het aan te bevelen dat de advocaat (jaarlijks) registreert welke zaken hij heeft behandeld en welke tot een inhoudelijke beoordeling van de Hoge Raad hebben geleid. Door de informatie over drie jaar te bekijken, kan de raad van de orde beoordelen of de advocaat voldoet aan de eis, genoemd in het eerste lid.
Als blijkt dat de advocaat niet aan de gestelde eisen voldoet, kan de raad van de orde aan de raad van discipline verzoeken dat de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ wordt doorgehaald (artikel 9k, eerste lid, Advocatenwet). Zolang niet onherroepelijk is beslist, kan de advocaat zaken bij de Hoge Raad behandelen. Indien onherroepelijk is beslist, dan vervalt de aantekening en kan de advocaat geen cassatiezaken meer behandelen. Hij dient, in samenspraak met de raad van de orde, de zaken over te dragen aan een advocaat die wel mag optreden voor de Hoge Raad. De belangen van de cliënt kunnen op die manier veiliggesteld worden.
Het tweede lid biedt een advocaat met een onvoorwaardelijke aantekening in rechtsgebieden waarin zich weinig cassatiezaken voordoen, de mogelijkheid een vrijstelling te verzoeken van de praktijkeisen, bedoeld in het eerste lid. Het gaat dan om rechtsgebieden in een bepaalde niche. Een advocaat die uitsluitend op dat rechtsgebied werkzaam is, kan verwachten dat hij weinig cassatiezaken zal krijgen. Deze advocaat kan om (gedeeltelijke) vrijstelling verzoeken van de verplichting uit het eerste lid. Deze vrijstelling wordt alleen verleend indien naar het oordeel van de algemene raad is gebleken dat er op een specifiek rechtsgebied waarin de advocaat werkzaam is, zo weinig zaken worden aangebracht bij de Hoge Raad, dat het onredelijk is om onverminderd vast te houden aan twaalf zaken per drie jaar, waarvan er zes tot een inhoudelijke beoordeling door de Hoge Raad hebben geleid. De algemene raad kan gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen. Gedeeltelijke vrijstelling houdt in dat volstaan kan worden met een geringer aantal zaken. Indien de algemene raad een gedeeltelijke vrijstelling heeft verleend wordt daarin het aantal te behandelen zaken genoemd. De advocaat moet aantonen dat aantal zaken te hebben behandeld. Dus als de advocaat voor vier zaken een vrijstelling heeft gekregen, moet hij er nog acht behandeld hebben in drie jaar tijd.
Een verzoek om vrijstelling dient uiterlijk acht weken voor het verstrijken van de driejaarstermijn te worden ingediend. Dit stelt de algemene raad in staat om binnen de in artikel 4.13, tweede lid, van de Awb gestelde beslistermijn en derhalve voor het verstrijken van de driejaarstermijn, te beslissen op het verzoek.
Indien de advocaat niet voldoet aan artikel 4.14 van de verordening, kan de raad van de orde op grond van artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet de raad van discipline verzoeken om doorhaling van de aantekening. Uit het publieke belang van de kwaliteit van de rechtsbedeling en de advocatuur in het algemeen, maar in het bijzonder ook uit het doel en de strekking van de Wet versterking cassatierechtspraak, volgt dat als een advocaat niet langer aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet, de raad van de orde slechts in zéér uitzonderlijke gevallen het verzoek, bedoeld in artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet, achterwege zal laten.
Paragraaf 4.2.2 Aantekening civiele cassatie
Deze paragraaf beschrijft de inhoudelijke criteria en de procedure voor het verkrijgen van de verklaring voor de aantekening “advocaat bij de Hoge Raad”.