Artikel 7.1 en artikel 7.2
Het is in het belang van de goede praktijkuitoefening van de advocaat en het vertrouwen van de samenleving in de advocatuur dat advocaten weten wie hun cliënt is. Het is evenzo belangrijk dat de diensten van advocaten niet worden misbruikt voor onwettige activiteiten. Dit artikel verplicht de advocaat zich bij de aanvaarding van de opdracht te vergewissen van de identiteit van de cliënt. Het gaat hierbij om een praktische regel die toegepast dient te worden op alle cliënten of tussenpersonen. De term ‘vergewissen’ brengt tot uitdrukking dat de advocaat een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de wijze waarop de identiteit van de cliënt wordt vastgesteld, afhankelijk van de aard en de omstandigheden van de zaak. De advocaat kan zich bijvoorbeeld vergewissen van de identiteit van de cliënt aan de hand van het inzien van een wettig identiteitsmiddel (bij natuurlijke personen) of het raadplegen van het handelsregister bij de kamer van koophandel (bij rechtspersonen en ondernemingen).
Het kan gebeuren dat de advocaat zich niet kan vergewissen van de identiteit van de cliënt omdat dit door de aard of de omstandigheden van de zaak (bijna) onmogelijk is. Ook kan het voorkomen dat dit niet lukt bij de aanvaarding van de opdracht. Belangrijk is dat de cliënt niet verstoken mag blijven van noodzakelijke rechtsbijstand. De advocaat kan dan redelijkerwijs niet worden verplicht om zich vooraf te vergewissen van de identiteit van de cliënt. Voorbeelden hiervan zijn onder meer spoedeisende zaken (bijvoorbeeld een kort geding of een beslaglegging) of de vreemdelingenpraktijk waarin de identiteit van de cliënt niet altijd met zekerheid te achterhalen is.
De vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt brengt met zich mee dat een advocaat, zo lang redelijke aanwijzingen van het tegendeel ontbreken, in beginsel mag afgaan op de juistheid van gegevens die zijn cliënt hem verstrekt. De advocaat heeft dus in het algemeen geen onderzoeksplicht. Hij mag dergelijke gegevens in het kader van zijn dienstverlening aan de cliënt voor waar aannemen en gebruiken, met inachtneming van de gebruikelijke maatstaven van aanvaardbaarheid jegens derden (vergelijk gedragsregels 6, tweede lid, en 30). Los van de vergewisplicht van de artikelen 7.1 en 7.2 van de Voda, is een advocaat onder omstandigheden verplicht om een cliëntenonderzoek uit hoofde van de Wwft te doen. Een cliëntenonderzoek uit hoofde van de Wwft gaat verder dan de vergewisplicht uit de Voda. In een eerste oriënterend/verkennend gesprek tussen een advocaat en zijn mogelijk nieuwe cliënt, zal komen vast te staan welk type diensten de potentiële cliënt verlangt. Het eerste gesprek valt buiten de reikwijdte van de Wwft, mits in dat gesprek (nog) niet inhoudelijk wordt geadviseerd. Als uit het eerste gesprek volgt dat de advocaat de zaak wil aannemen en de verlangde dienst is een dienst zoals omschreven in artikel 1a lid 4 sub c, van de Wwft, dan zal de advocaat moeten vaststellen of de zogenaamde procesvrijstelling als bedoeld in artikel 1a, vijfde lid, van de Wwft, van toepassing is. Valt de specifieke dienstverlening onder de procesvrijstelling, dan valt de zaak buiten de reikwijdte van de Wwft en is de advocaat niet gehouden om het cliëntenonderzoek op grond van de Wwft te verrichten. Valt de beoogde dienstverlening onder de Wwft en is de vrijstelling van artikel 1a, vijfde lid, van de Wwft, niet van toepassing, dan dient de advocaat de dienstverlening op te schorten en een cliëntenonderzoek conform de Wwft te verrichten.
Het tweede lid van artikel 7.1 verplicht de advocaat na te gaan of er in redelijkheid geen aanwijzingen zijn dat de opdracht strekt tot voorbereiding, ondersteuning of afscherming van onwettige activiteiten. Voorlichting over de rechtspositie van de cliënt is uiteraard altijd geoorloofd.
Zodra de advocaat gerede twijfel heeft of zich bewust wordt van omstandigheden die gerede twijfel rechtvaardigen over de juistheid van de gegevens of de identiteit van cliënt of tussenpersoon, zal hij conform het tweede lid van artikel 7.2 een onderzoek moeten instellen naar de juistheid van de hem verstrekte gegevens, naar de achtergrond van de cliënt en in voorkomend geval van de tussenpersoon en naar het doel van de opdracht. In geval van twijfel aan de wettigheid van het doel waartoe de opdracht strekt, dient uitleg van de cliënt te worden gevraagd met betrekking tot deze bijzonderheden. In zijn algemeenheid is niet aan te geven hoever de onderzoeksplicht strekt. Het onderzoek zal zodanig dienen te geschieden dat de verplichting tot geheimhouding niet wordt geschonden en overigens op de voor de cliënt minst bezwarende wijze. Bij twijfel over de (voldoende) mate van onderzoek verdient het aanbeveling de deken te raadplegen.
Artikel 7.1 Controle identiteit cliënt en wettigheid opdracht
Artikel 7.1 en artikel 7.2
Het is in het belang van de goede praktijkuitoefening van de advocaat en het vertrouwen van de samenleving in de advocatuur dat advocaten weten wie hun cliënt is. Het is evenzo belangrijk dat de diensten van advocaten niet worden misbruikt voor onwettige activiteiten. Dit artikel verplicht de advocaat zich bij de aanvaarding van de opdracht te vergewissen van de identiteit van de cliënt. Het gaat hierbij om een praktische regel die toegepast dient te worden op alle cliënten of tussenpersonen. De term ‘vergewissen’ brengt tot uitdrukking dat de advocaat een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de wijze waarop de identiteit van de cliënt wordt vastgesteld, afhankelijk van de aard en de omstandigheden van de zaak. De advocaat kan zich bijvoorbeeld vergewissen van de identiteit van de cliënt aan de hand van het inzien van een wettig identiteitsmiddel (bij natuurlijke personen) of het raadplegen van het handelsregister bij de kamer van koophandel (bij rechtspersonen en ondernemingen).
Het kan gebeuren dat de advocaat zich niet kan vergewissen van de identiteit van de cliënt omdat dit door de aard of de omstandigheden van de zaak (bijna) onmogelijk is. Ook kan het voorkomen dat dit niet lukt bij de aanvaarding van de opdracht. Belangrijk is dat de cliënt niet verstoken mag blijven van noodzakelijke rechtsbijstand. De advocaat kan dan redelijkerwijs niet worden verplicht om zich vooraf te vergewissen van de identiteit van de cliënt. Voorbeelden hiervan zijn onder meer spoedeisende zaken (bijvoorbeeld een kort geding of een beslaglegging) of de vreemdelingenpraktijk waarin de identiteit van de cliënt niet altijd met zekerheid te achterhalen is.
De vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt brengt met zich mee dat een advocaat, zo lang redelijke aanwijzingen van het tegendeel ontbreken, in beginsel mag afgaan op de juistheid van gegevens die zijn cliënt hem verstrekt. De advocaat heeft dus in het algemeen geen onderzoeksplicht. Hij mag dergelijke gegevens in het kader van zijn dienstverlening aan de cliënt voor waar aannemen en gebruiken, met inachtneming van de gebruikelijke maatstaven van aanvaardbaarheid jegens derden (vergelijk gedragsregels 6, tweede lid, en 30). Los van de vergewisplicht van de artikelen 7.1 en 7.2 van de Voda, is een advocaat onder omstandigheden verplicht om een cliëntenonderzoek uit hoofde van de Wwft te doen. Een cliëntenonderzoek uit hoofde van de Wwft gaat verder dan de vergewisplicht uit de Voda. In een eerste oriënterend/verkennend gesprek tussen een advocaat en zijn mogelijk nieuwe cliënt, zal komen vast te staan welk type diensten de potentiële cliënt verlangt. Het eerste gesprek valt buiten de reikwijdte van de Wwft, mits in dat gesprek (nog) niet inhoudelijk wordt geadviseerd. Als uit het eerste gesprek volgt dat de advocaat de zaak wil aannemen en de verlangde dienst is een dienst zoals omschreven in artikel 1a lid 4 sub c, van de Wwft, dan zal de advocaat moeten vaststellen of de zogenaamde procesvrijstelling als bedoeld in artikel 1a, vijfde lid, van de Wwft, van toepassing is. Valt de specifieke dienstverlening onder de procesvrijstelling, dan valt de zaak buiten de reikwijdte van de Wwft en is de advocaat niet gehouden om het cliëntenonderzoek op grond van de Wwft te verrichten. Valt de beoogde dienstverlening onder de Wwft en is de vrijstelling van artikel 1a, vijfde lid, van de Wwft, niet van toepassing, dan dient de advocaat de dienstverlening op te schorten en een cliëntenonderzoek conform de Wwft te verrichten.
Het tweede lid van artikel 7.1 verplicht de advocaat na te gaan of er in redelijkheid geen aanwijzingen zijn dat de opdracht strekt tot voorbereiding, ondersteuning of afscherming van onwettige activiteiten. Voorlichting over de rechtspositie van de cliënt is uiteraard altijd geoorloofd.
Zodra de advocaat gerede twijfel heeft of zich bewust wordt van omstandigheden die gerede twijfel rechtvaardigen over de juistheid van de gegevens of de identiteit van cliënt of tussenpersoon, zal hij conform het tweede lid van artikel 7.2 een onderzoek moeten instellen naar de juistheid van de hem verstrekte gegevens, naar de achtergrond van de cliënt en in voorkomend geval van de tussenpersoon en naar het doel van de opdracht. In geval van twijfel aan de wettigheid van het doel waartoe de opdracht strekt, dient uitleg van de cliënt te worden gevraagd met betrekking tot deze bijzonderheden. In zijn algemeenheid is niet aan te geven hoever de onderzoeksplicht strekt. Het onderzoek zal zodanig dienen te geschieden dat de verplichting tot geheimhouding niet wordt geschonden en overigens op de voor de cliënt minst bezwarende wijze. Bij twijfel over de (voldoende) mate van onderzoek verdient het aanbeveling de deken te raadplegen.