Paragraaf 2.2.1 Bijdragen aan de Nederlandse orde van advocaten

Op grond van artikel 32 van de Advocatenwet stelt het college van afgevaardigden jaarlijks het bedrag vast dat advocaten moeten bijdragen ter dekking van de door de orde te maken kosten. In deze paragraaf wordt geregeld op welke wijze de hoogte van de bijdrage wordt bepaald en op welk tijdstip de advocaat de financiële bijdrage is verschuldigd. Deze paragraaf heeft artikel 28 van de Advocatenwet als grondslag.

De algemene raad is belast met de facturering van de hoofdelijke omslag. . Omdat de algemene raad een bestuursorgaan in de zin van de Awb is en de verschuldigdheid van de financiële bijdrage uit een wettelijk voorschrift voortvloeit, is op de verplichting tot betaling titel 4.4. van de Awb (geldschulden) van toepassing. 

Artikel 2.26 Verschuldigdheid financiële bijdrage

  1. De advocaat die op 1 januari van enig jaar op het tableau staat ingeschreven, is voor dat jaar de financiële bijdrage ten volle verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.
  2. De advocaat die in het eerste kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar de financiële bijdrage ten volle verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.
  3. De advocaat die in het tweede kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar 75% van de financiële bijdrage verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.
  4. De advocaat die in het derde kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar 50% van de financiële bijdrage verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.
  5. De advocaat die in het vierde kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar 25% van de financiële bijdrage verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.
  6. Aan de advocaat wordt in een kalenderjaar in totaal niet meer dan de eerst verschuldigde financiële bijdrage van het betreffende kalenderjaar in rekening gebracht.
  7. Met inachtneming van artikel 2.27, tweede lid, aanhef en onderdeel b, brengt de algemene raad de financiële bijdrage, bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, bij de advocaat in rekening.
  8. Met inachtneming van artikel 32, eerste en tweede lid, van de Advocatenwet brengt de raad van de orde de financiële bijdrage, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet bij de advocaat in rekening. 

Op grond van artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet stelt het college van afgevaardigden de financiële bijdrage vast ter dekking van de kosten van de NOvA. 

In artikel 2.26, eerste lid, is geregeld dat de advocaat de financiële bijdrage is verschuldigd per 1 januari van het kalenderjaar. De advocaat die op 1 januari van enig jaar op het tableau staat ingeschreven, is voor dat jaar het volledige bedrag van de financiële bijdrage verschuldigd. Deze bijdrage kan op grond van artikel 2.27 van de Voda verschillen al naar gelang de hoogte van het bruto-inkomen uit arbeid van de advocaat in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de financiële bijdrage is verschuldigd dan wel de duur of voorwaardelijkheid van de inschrijving op 1 januari van de advocaat op het tableau.

Het is aan het college van afgevaardigden om op voordracht van de algemene raad de hoogte van de financiële bijdrage te bepalen.

Er volgt geen teruggave indien de advocaat gedurende het jaar wordt geschrapt van het tableau, respectievelijk zijn inschrijving op eigen verzoek wordt doorgehaald. Indien de advocaat bijvoorbeeld in februari wordt geschrapt, is die advocaat de financiële bijdrage ten volle voor het lopende kalenderjaar verschuldigd. Een restitutie brengt een onevenredige administratieve verwerkingslast met zich mee. De advocaat kan bij de keuze voor het moment van in- en uitschrijving rekening houden met deze regel.

In artikel 2.26, tweede tot en met het vijfde lid, is een staffel opgenomen op basis waarvan de financiële bijdrage van de advocaat die in een betreffend kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, wordt bepaald.

In het zesde lid is aangegeven dat aan een advocaat, indien hij meer dan een keer beëdigd wordt in het betreffende jaar, ten hoogste de eerst door hem verschuldigde financiële bijdrage in rekening wordt gebracht. Als voorbeeld ter toelichting: indien een advocaat zich zou inschrijven in het tweede kwartaal van een jaar, betaalt hij 75% van de financiële bijdrage voor het betreffende jaar. Indien hij zich daarna uitschrijft, en in het derde kwartaal opnieuw inschrijft, is hij op dat moment 50% van de financiële bijdrage verschuldigd. Dat zou leiden tot de ongewenste situatie dat hij in dat jaar 125% van de financiële bijdrage in rekening krijgt gebracht.

Ingevolge artikel 4:87 van de Awb moet de betaling geschieden binnen zes weken nadat de beschikking is verzonden. Tegen een dergelijke beschikking staat bezwaar en beroep open.

In een uitspraak van 19 december 2019 heeft de bestuursrechter de bestaande praktijk bevestigd (ECLI:NL:RBAMS:2019:9496). In de annotatie bij die uitspraak zijn er vragen gesteld of de grondslag voor het vaststellen van de financiële bijdrage voor de individuele advocaat niet expliciet geregeld moet worden in de Voda (L.M. Koenraad en H. Peters in AB 2020/161). De algemene raad is bevoegd om de hoogte van de bijdrage van een individuele advocaat vast te stellen. Het is echter vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid en rechtszekerheid beter om in de Voda expliciet een grondslag hiervoor op te nemen om zo de bestaande praktijk te codificeren. Daartoe zijn een zevende en achtste lid toegevoegd aan artikel 2.26 van de Voda waarmee expliciet wordt gemaakt dat de algemene raad en de raad van de orde in het arrondissement bevoegd zijn om de financiële bijdrage bij een individuele advocaat in rekening te brengen.

Artikel 2.27 Voorstel hoogte financiële bijdrage

  1. De algemene raad doet het college van afgevaardigden jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de financiële bijdrage, die kan verschillen naar gelang van:
    • de hoogte van het bruto-inkomen uit arbeid van de advocaat in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de financiële bijdrage verschuldigd is;
    • de duur of voorwaardelijkheid van de inschrijving van de advocaat op 1 januari van dat jaar.
  2. De algemene raad kan regels stellen over:
    • de wijze van berekening van en de bewijsmiddelen voor het bruto-inkomen uit arbeid;
    • de indeling in categorieën, afhankelijk van de hoogte van het bruto-inkomen uit arbeid, de duur of de voorwaardelijkheid van de inschrijving.

Artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet vereist dat het college van afgevaardigden jaarlijks een besluit neemt over de hoogte van de financiële bijdrage. Artikel 2.27 biedt een grondslag voor een differentiatie van het tarief van de bijdrage en voor normering van het bruto-inkomen. Op grond van artikel 2.27 wordt bij besluit van de algemene raad een indeling in categorieën voorgeschreven. Het college van afgevaardigden stelt jaarlijks de hoogte van het bedrag per categorie vast.

Navigeer inhoud van  Verordening op de advocatuur

Navigeer inhoud van Verordening op de advocatuur

Uitgelicht

Wet- en regelgeving

Alle wet- en regelgeving voor de advocatuur. Van de Advocatenwet tot de Verordening op de advocatuur (Voda) en de Regeling op de advocatuur (Roda).

Voor uw praktijk

Ondersteuning voor advocaten bij hun beroepsuitoefening: van de advocatenpas tot het rechtsgebiedenregister en geheimhoudernummers.