Paragraaf 3.1.3 Verplichtingen stagiaire

Artikel 3.8 Verplichtingen stagiaire

  1. De stagiaire verschaft de patroon de informatie die deze nodig heeft om te voldoen aan de verplichtingen, genoemd in artikel 3.13.
  2. De stagiaire informeert de raad van de orde indien de stage tussentijds is geëindigd of van rechtswege is opgeschort, met uitzondering van de situaties, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onderdeel c, en artikel 3.13, zesde lid.
  3. De stagiaire verricht de hem door de patroon of werkgever opgedragen werkzaamheden, met dien verstande dat de nakoming van de verplichtingen, genoemd in artikel 3.13, tweede lid, voorrang heeft. Hij verleent zijn medewerking aan de naleving van artikel 3.13, negende lid, door zijn patroon.

Artikel 3.8

Om de rol van patroon goed te kunnen vervullen, zal de stagiaire zijn patroon de informatie moeten verschaffen die hij als patroon nodig heeft. Die informatie kan betrekking hebben op concrete zaken, maar ook op aspecten die zien op praktijkuitoefening. 

Naast de vernieuwde beroepsopleiding blijven onder andere verplichte praktijkervaringseisen (artikel 3.9 van de Voda) en verplichte activiteiten in een arrondissement (artikel 3.10 van de Voda) bestaan.

Artikel 3.9 Praktijkervaring stagiaire

De stagiaire is aan het eind van de stage in staat zelfstandig en naar behoren de praktijk uit te oefenen en heeft gedurende de stage ten minste de volgende praktijkervaring opgedaan:

  • hij is vijf keer in rechte opgetreden in procedures op tegenspraak en de patroon heeft ten minste één mondelinge behandeling bijgewoond;
  • hij heeft tien stukken, waaronder ten minste zeven processtukken, vervaardigd;
  • hij heeft op twee van de drie rechtsgebieden burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht, bestuursrecht en bestuursprocesrecht of strafrecht en strafprocesrecht ervaring opgedaan of, indien dat niet mogelijk is, op meerdere sub-rechtsgebieden binnen een van deze rechtsgebieden.

Artikel 3.9

In het eerste lid zijn verplichtingen opgenomen over de praktijkervaring die de stagiaire moet opdoen. Deze verplichtingen houden onder meer in dat ten minste vijf keer in rechte is opgetreden en ten minste tien processtukken, waaronder ten minste zeven processtukken, zijn opgesteld. Daarnaast moet er ervaring zijn opgedaan op twee van de drie juridische hoofdrichtingen (civiel recht, strafrecht of bestuursrecht), tenzij dat binnen het kantoor niet mogelijk is. Het uitgangspunt is dat de stagiaire in verschillende hoofdrichtingen ervaring opdoet.

Die ervaring hoeft niet te bestaan uit gevoerde procedures, maar kan ook bestaan uit het geven van juridische adviezen of andersoortige werkzaamheden. In een kantoor dat zich bijvoorbeeld specialiseert in strafzaken, kan de stagiaire die in de beroepsopleiding bestuursrecht doet, ervaring opdoen met fiscale aspecten van een zaak, naast zijn ervaring op het vakgebied ‘economisch strafrecht’.

Het is mogelijk dat binnen een kantoor zich geen zaken aandienen in een andere hoofdrichting of dat de tweede hoofdrichting binnen het kantoor een zo beperkte rol speelt, dat het feitelijk onmogelijk is dat alle stagiaires ervaring in deze tweede (andere) hoofdrichting opdoen. In dat geval is het de plicht van de patroon (artikel 3.13, tweede lid) er op toe te zien dat de stagiaire wel op verschillende rechtsgebieden binnen de hoofdrichting ervaring opdoet. Voor de vraag wat een rechtsgebied is, kan worden aangesloten bij de lijst van rechtsgebieden die te vinden is op de site van de Nederlandse orde. De patroon dient zich bewust te zijn van de wenselijkheid van een brede ontwikkeling van de stagiaire. Hem zal onvoldoende inspanning verweten kunnen worden als de stagiaire niet in staat wordt gesteld ervaring op een ander rechtsgebied op te doen, terwijl dat wel mogelijk is. Er rust dus een inspanningsverplichting op de patroon.

De raad van de orde kan geen verplichtingen opleggen aan de stagiaire die van deze regels afwijken. Wel kan de raad van de orde in een specifiek geval op grond van artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet beslissen dat er onvoldoende praktijkervaring is opgedaan en oordelen dat de stage daarom wordt verlengd. In dat geval kan de raad van de orde bijvoorbeeld extra praktijkeisen stellen en als gevolg daarvan de afgifte van de stageverklaring uitstellen.

In het tweede lid is benadrukt dat de beroepsopleiding advocaten van de stagiaire altijd voorrang heeft op de werkzaamheden van de stagiaire op het kantoor.

Artikel 3.10 Activiteiten in arrondissement

  1. Aan het eind van de stage heeft de stagiaire tien opleidingspunten behaald voor activiteiten die de raad van de orde voor stagiaires aanbiedt of laat aanbieden en een voldoende behaald voor de pleitoefening.
  2. De raad van de orde draagt er zorg voor dat de in het eerste lid bedoelde activiteiten en de pleitoefening bijdragen aan de professionele vorming en de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiaire.
  3. De raad van de orde kent een punt per uur toe aan de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, niet zijnde de pleitoefening.
  4. Bij de overgang naar een ander arrondissement worden de opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid, en de voldoende voor de pleitoefening meegenomen.

Artikel 3.10

Dit artikel heeft betrekking op de lokale opleiding. De raden van de orde dienen zorg te dragen voor voldoende aanbod en voor voldoende niveau van het aanbod. Aan de pleitoefening worden vier punten toegekend, omdat daarvoor ook voorbereiding noodzakelijk is. Het vierde lid impliceert dat de raden van de orde elkaars opleidingspunten erkennen. Aldus kan een stagiaire die van werkkring verandert en in een ander arrondissement kantoor gaat houden, de reeds behaalde punten meenemen.

Artikel 3.11 Buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer

Een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer:

  • richt de organisatie van zijn kantoor, inclusief de dienstverlening aan de cliënt en de administratie, de boekhouding daaronder begrepen, adequaat in; en
  • neemt alleen zaken aan die hij gelet op zijn kantoororganisatie adequaat kan behandelen.

Artikel 3.11

Een buitenstagiaire en stagiaire-ondernemer hebben een bijzondere verplichting om de eigen kantoororganisatie adequaat in te richten. Omdat de buitenstagiaire geen kantoor houdt bij zijn patroon, kan de patroon geen zorg dragen voor de inrichting van het kantoor. Iets vergelijkbaars geldt voor de stagiaire-ondernemer. De in dit artikel opgenomen verplichting is vergelijkbaar met die van artikel 6.1 tot en met artikel 6.3. Het verschil met gewone stagiaires is dat deze laatsten voor de inrichting van het kantoor afhankelijk (kunnen) zijn van de patroon bij wie zij kantoor houden.

Overigens zullen buitenstagiaires en stagiaires-ondernemer ook bij het aannemen van zaken een inschatting moeten maken of zij de deskundigheid bezitten die nodig is (artikel 4.1). Aan het begin van de stage zal dat minder vaak het geval zijn. Indien de stagiaire de deskundigheid niet bezit, zal hij de zaak aan een andere advocaat moeten overdragen of een andere deskundige advocaat moeten betrekken bij de behandeling van de zaak. Dat kan uiteraard de patroon zijn, maar ook een andere advocaat.

Artikel 3.12 Liquiditeit en boekhouding stagiaire-ondernemer

  1. De stagiaire-ondernemer beschikt steeds over een passende kredietfaciliteit of over voldoende vermogen ter dekking van de kosten van het bruto minimumloon voor een jaar en de overige kosten van de praktijkvoering.
  2. De stagiaire-ondernemer zendt aan de raad van de orde ten minste tweemaal per jaar de balans en de winst- en verliesrekening die door de patroon voor gezien ondertekend zijn. De stagiaire-ondernemer verstrekt de raad van de orde desgevraagd een toelichting of nadere inlichtingen.

Artikel 3.12

Een stagiaire-ondernemer is een stagiaire die voor eigen rekening en risico praktijk voert. Daaraan zijn risico’s verbonden die ook de rechtzoekende kunnen raken, onder meer het risico op faillissement. Om dat risico te beperken, wordt van een aspirant stagiaire-ondernemer een deugdelijk ondernemingsplan verlangd. Tevens is met het oog op deze risico’s de verplichting opgenomen dat de stagiaire een bepaalde financiële buffer beschikbaar heeft en houdt, bijvoorbeeld in de vorm van een krediet. Deze financiële buffer moet passend zijn. De passendheid en daarmee de minimale waarde van het krediet wordt bepaald door de raad van de orde. Een buffer van minder dan € 15.000 wordt niet passend geacht. De financiële buffer dient onder andere als waarborg voor de continuïteit van de bedrijfsvoering.

Het tweede lid stelt veilig dat de raad van de orde periodiek wordt geïnformeerd over de financiële situatie van de stagiaire-ondernemer. Hierdoor kan de raad van de orde, indien nodig, bij de patroon aandringen op betere begeleiding of maatregelen te nemen om te voorkomen dat de cliënten van de stagiaire-ondernemer gedupeerd raken. De verplichting tot medeondertekenen van de balans en winst- en verliesrekening door de patroon beoogt te bewerkstelligen dat de patroon zich vergewist van de financiële situatie van de stagiaire. De patroon dient overigens ook aan de stagiaire-ondernemer “leiding, voorlichting en raad” (artikel 3.13, eerste lid) te verschaffen. Daarnaast moet de patroon bij de begeleiding bijzondere aandacht schenken aan de deugdelijke financiële administratie door de stagiaire (artikel 3.13, vijfde lid). Uitdrukkelijk zij hierbij opgemerkt dat de patroon door medeondertekening niet medeaansprakelijk wordt. De ondertekening is ‘voor gezien’.

Navigeer inhoud van  Verordening op de advocatuur

Navigeer inhoud van Verordening op de advocatuur

Uitgelicht

Wet- en regelgeving

Alle wet- en regelgeving voor de advocatuur. Van de Advocatenwet tot de Verordening op de advocatuur (Voda) en de Regeling op de advocatuur (Roda).

Voor uw praktijk

Ondersteuning voor advocaten bij hun beroepsuitoefening: van de advocatenpas tot het rechtsgebiedenregister en geheimhoudernummers.