Artikel 3.4 regelt het einde van de stage zonder dat een stageverklaring wordt afgegeven. Het rechtsgevolg daarvan is dat de verplichtingen tussen de stagiaire en de patroon over en weer komen te vervallen. Daarnaast regelt artikel 3.4 de effecten van opschorting van de stage. Dit effect is beperkt, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 mei 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AX2118). In die uitspraak kwam aan de orde dat de Advocatenwet voorschrijft wanneer de verplichting om onder toezicht (in de huidige terminologie van de Advocatenwet: begeleiding) van een patroon de praktijk uit te oefenen eindigt. Artikel 9b, eerste lid, van de Advocatenwet bepaalt dat deze verplichting drie jaar duurt. In het tweede lid krijgt de raad van de orde de mogelijkheid om deze periode met ten hoogste drie jaar te verlengen indien de praktijkervaring van de stagiaire nog ontoereikend is. De Afdeling merkt vervolgens in overweging 2.3.1. op:
“In geval van een langduriger onderbreking vindt, in aansluiting op hetgeen is bepaald in artikel 9b, tweede lid, eerste volzin, van de Wet ten aanzien van deeltijd, een evenredige verlenging van de stageperiode plaats. Dit beleid is gebaseerd op de gedachte dat aan de wettelijk voorgeschreven stageperiode een legitiem algemeen belang bij een goede opleiding van advocaten ten grondslag ligt en dat benutting van die volle periode noodzakelijk is om de vereiste brede kennis en ervaring op te doen. Op die grond wordt vastgehouden aan de zogenoemde "zuivere speeltijd gedachte", inhoudende dat de in artikel 9b, eerste lid, van de Wet bedoelde periode van drie jaar in beginsel niet doorloopt indien de praktijk niet daadwerkelijk wordt uitgeoefend, zoals in geval van ziekte of vakantie- of ander verlof. De Afdeling is evenwel van oordeel dat de tekst van artikel 9b, eerste lid, van de Wet geen grondslag biedt aan de uitleg die de raad van toezicht [per 1 januari 2015: raad van de orde in het arrondissement] in zijn beleid aan deze bepaling heeft gegeven, omdat de periode van drie jaar gedurende welke de advocaat onder toezicht zijn werk moet doen, gerelateerd is aan zijn inschrijving als zodanig en niet aan de daadwerkelijke uitoefening van de praktijk.“
De consequentie van de uitspraak en de eerder genoemde bestaande grondslagen in de Advocatenwet is dat een verordening niet kan voorschrijven dat de ‘zuivere speeltijd’ als doctrine wordt gehanteerd. Het einde van de stage is reeds in de Advocatenwet gegeven. Een effect van een tussentijds einde van de stage of opschorting ervan is evenwel dat de toegang tot de beroepsopleiding in beginsel wordt geweigerd. Dat is geregeld in artikel 3.16. Daarnaast blijft gelden dat de stagiaire de praktijk alleen mag uitoefenen onder begeleiding van de patroon. Bij opschorting van de stage van rechtswege is daar geen sprake van; de praktijk mag in dat geval niet worden uitgeoefend.
In het eerste lid verdienen enkele situaties bijzondere aandacht. De eenzijdige opzegging van de begeleidingsovereenkomst door de stagiaire of de beëindiging in onderling overleg is niet aan formaliteiten gebonden. De begeleidingsovereenkomst kan ook onderdeel uitmaken van de arbeidsovereenkomst. Het verdient wel de voorkeur om de opzegging schriftelijk te doen, althans schriftelijk te bevestigen. De opzegging door de patroon is wel aan voorwaarden gebonden. Daarvoor is goedkeuring door de raad van de orde vereist (op grond van het eerste lid, onderdeel c) tenzij het certificaat beroepsopleiding niet of niet meer binnen de termijn van artikel 8c, derde lid, van de Advocatenwet gehaald kan worden. Dit laatste is bijvoorbeeld aan de orde indien de stagiaire ook voor de derde en laatste toetskans is gezakt. Ingevolge het derde lid is in dat geval geen voorafgaande goedkeuring nodig.
Het tweede lid, onderdeel a, ziet op een stagiaire die, bijvoorbeeld omdat deze ziek is, de praktijk niet uitoefent. In dat geval is de stage zonder nadere besluitvorming door de raad van de orde van rechtswege opgeschort, tenzij de periode van niet-uitoefening slechts van korte duur is. Uit een oogpunt van uniformiteit is deze termijn bepaald op drie maanden. De opschorting van rechtswege ontstaat op het moment dat de stagiaire de praktijk drie maanden niet heeft uitgeoefend, tenzij dit het gevolg is van een wettelijk zwangerschaps- of bevallingsverlof (artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg). Door deze clausulering wordt discriminatie tussen stagiaires op grond van geslacht uitgesloten. Stagiaires die dit verlof opnemen en in die periode het onderwijs niet willen of kunnen volgen, en de examens niet kunnen afleggen, zullen overigens wel een beroep moeten doen op de hardheidsclausule (artikel 3.17, vijfde lid) om op een ander moment het onderwijs te mogen volgen of de toetsen te mogen afleggen. Op grond van het tweede lid, onderdeel b, wordt de stage van rechtswege opgeschort indien de patroon niet meer als zodanig kan functioneren. Dat kan zijn omdat hijzelf de praktijk niet meer kan of mag uitoefenen, of omdat hij de voor de stagiaire noodzakelijke begeleiding niet meer kan verschaffen. Als de patroon geschorst is, is hij op dat moment geen advocaat en mag hij de praktijk niet uitoefenen. Hoewel de schorsing van de patroon reeds is vervat in de voornoemde opschortingsgrond is deze omwille van de kenbaarheid expliciet in onderdeel c genoemd. Het bepaalde in dit artikel laat de verplichtingen uit hoofde van een eventuele arbeidsovereenkomst tussen de stagiaire en werkgever onverlet. Het opschorten of beëindigen van de stage leidt er wel toe dat een stagiaire op grond van artikel 3.16, tweede lid, onderdeel b, geen toegang meer heeft tot de beroepsopleiding. Een stagiaire wiens stage is opgeschort, kan nog wel een beroep doen op de hardheidsclausule van artikel 3.16, vierde lid.
Op grond van het vijfde lid van artikel 3.4 rust op de patroon de plicht om de raad van de orde te informeren over het intreden van een van de situaties waardoor de stage geëindigd of opgeschort is. Deze situaties zijn bekend bij de patroon. De patroon weet beter dan de raad van de orde wanneer de situatie is ingetreden. Overigens geldt voor de patroon ook de verplichting om de raad van de orde te informeren indien de stagiaire enige tijd de praktijk niet uitoefent (artikel 3.13, zesde lid).
Artikel 3.1 Aanvang stage
De stage vangt aan op het moment dat de stagiaire is beëdigd, de stage en de patroon zijn goedgekeurd en de uitoefening van de praktijk is aangevangen.