Paragraaf 3.1.1 Algemeen

Artikel 3.1 Aanvang stage

De stage vangt aan op het moment dat de stagiaire is beëdigd, de stage en de patroon zijn goedgekeurd en de uitoefening van de praktijk is aangevangen.

Artikel 3.2 Voltooide stage

De stagiaire krijgt de verklaring, bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet, op het moment waarop de termijn, bedoeld in artikel 9b, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de Advocatenwet, is verstreken en:

  • de stagiaire beschikt over het certificaat beroepsopleiding;
  • de stagiaire voldoet aan het bepaalde in artikel 3.9 en artikel 3.10, eerste lid; en
  • de raad van de orde, gehoord de patroon en de stagiaire, oordeelt dat de stagiaire over voldoende praktijkervaring beschikt, bedoeld in artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet.

Artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet bepaalt dat van het met gunstig gevolg voltooien van de stage door de raad van de orde een verklaring aan de stagiaire wordt verstrekt. De stageverklaring is het bewijs dat de stage is voltooid en de advocaat de praktijk niet langer onder begeleiding van een patroon dient uit te oefenen. In artikel 3.2 zijn de vereisten voor het verkrijgen van een stageverklaring opgenomen. Deze voorwaarden zijn, geparafraseerd, als volgt:

-    de stagetermijn van drie jaar is geëindigd (in geval van deeltijd geldt de van rechtswege verlengde termijn);

-    het examen van de beroepsopleiding is met goed gevolg afgelegd;

-    de verplichte onderdelen van de stage zijn gevolgd, zoals de lokale opleiding (artikel 3.10) en

-    de praktijkonderdelen (artikel 3.9) zijn volbracht.

De raad van de orde kan tot de conclusie komen dat de stagiaire – hoewel deze aan de genoemde eisen voldoet - te weinig praktijkervaring heeft. In dat geval kan de raad van de orde de stage verlengen met ten hoogste drie jaar (artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet). Deze verlenging is een beschikking waaraan de raad van de orde nadere voorwaarden kan stellen. De raad van de orde verleent geen stageverklaring tot aan die voorwaarden is voldaan en de verlengde termijn is verlopen. Tegen de verlenging van de stage en daarmee de weigering om een stageverklaring af te geven staat administratief beroep open bij de algemene raad (artikel 9b, zesde lid, van de Advocatenwet).

Artikel 3.3 Deeltijd

  1. De stagiaire die in deeltijd werkzaam is, oefent de praktijk uit voor ten minste 24 uur per week.
  2. In afwijking van het eerste lid oefent de stagiaire-ondernemer die in deeltijd werkzaam is, de praktijk uit voor ten minste 32 uur per week.
  3. De stagiaire die in deeltijd wenst te werken, informeert de raad van de orde over het voorgenomen aantal uren dat per week gewerkt zal worden, voorafgaand aan de uitoefening van de praktijk en voorafgaand aan iedere wijziging in het aantal uren dat per week gewerkt zal worden.

Ingevolge artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet is het mogelijk om als stagiaire respectievelijk stagiaire-ondernemer in deeltijd te werken. Of er sprake is van deeltijd, hangt af van het contractuele aantal uren dat wordt gewerkt. Indien dat minder is dan 40 uur per week (voltijd) is sprake van deeltijd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in zijn uitspraak van 16 februari 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AS6227) geoordeeld dat, als minder 40 uur per week gewerkt wordt, er sprake is van deeltijd werken zelfs indien in de CAO is neergelegd dat een werkweek 36 uur is.

Dit artikel stelt het minimumaantal uren op 24, respectievelijk 32 uren per week. Een stagiaire die 24 uur per week werkt zal vijf jaar (260 weken) de praktijk moeten uitoefenen onder begeleiding van een patroon. Indien een stagiaire in deeltijd wil werken, dient hij de raad van de orde daarover vooraf te informeren in verband met het vaststellen van de beoogde einddatum van de stage. De verlenging van de duur van de stage voor deeltijders is niet van invloed op de duur van de beroepsopleiding advocaten. Deeltijd-stagiaires volgen de beroepsopleiding tegelijk met de stagiaires die niet in deeltijd werken. Er is niet voorzien in de mogelijkheid de opleiding in een ander, lager, tempo te volgen.

Voor beginnende advocaten is het van belang om snel voldoende ervaring op te doen zodat een goede praktijkvoering, ook in een vroeg stadium in de stage, gewaarborgd is. Dit betekent dat stagiaires bij voorkeur vanaf moment van beëdiging zoveel mogelijk verschillende aspecten van hun vak zien, in verschillende soorten situaties werken en vooral veel praktijkervaring opdoen. Enige substantiële omvang van deze werkzaamheden, waardoor ook routine kan worden opgedaan, is daarbij van belang.

Het aantal minimaal te werken uren in een week is om die reden gesteld op 24. Dit minimum was al opgenomen in de Stageverordening 2012 en wordt in deze verordening niet gewijzigd. Artikel 8c, vijfde lid, van de Advocatenwet bepaalt dat de duur van de stage naar rato wordt verlengd, maar dat die verlenging niet meer kan bedragen dan drie jaar. Dat suggereert dat de wetgever een minimum heeft gesteld aan het aantal te werken uren. Dat minimum zou 20 uur zijn. De Advocatenwet is daarin echter niet concludent. Een hoger minimum is niet alleen nodig met het oog op de praktijkervaring, maar ook met het oog op de belasting door de beroepsopleiding. Dit hogere minimum is ook ingegeven door het feit dat stagiaires vaak het onderwijs van de beroepsopleiding advocaten onder werktijd volgen. Voor die stagiaire blijven er gemiddeld per week dan slechts twee dagen praktijk over, hetgeen de Orde als een echt minimum beschouwd. Een advocaat-stagiaire moet zich realiseren dat als hij zich wil bekwamen als advocaat, hij daartoe regelmatig, in een relatief kort tijdbestek, ervaring in de praktijk dient op te doen.

In het derde lid is opgenomen dat de stagiaire de raad van de orde informeert over het aantal uren dat zal worden gewerkt en bij elke wijziging daarvan (Zie o.m. ECLI:NL:RVS:2013:1476).  

Artikel 3.4 Stage geëindigd of opgeschort

  1. De stage eindigt zonder stageverklaring:
    • met wederzijds goedvinden van patroon en stagiaire;
    • door opzegging door de stagiaire;
    • door opzegging door de patroon, na daartoe verkregen goedkeuring van de raad van de orde;
    • door een ambtshalve beslissing van de raad van de orde.
  2. De stage is van rechtswege opgeschort:
    • indien de stagiaire de praktijk meer dan drie maanden niet uitoefent, tenzij dit het gevolg is van wettelijk zwangerschaps- of bevallingsverlof;
    • indien de stagiaire geen patroon heeft of de praktijk niet onder zijn begeleiding uitoefent;
    • indien de patroon is geschorst, de praktijk niet meer uitoefent of de stagiaire niet meer kan begeleiden;
    • zodra de patroon en de stagiaire niet langer in hetzelfde arrondissement zijn ingeschreven.
  3. De opzegging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan zonder voorafgaande goedkeuring door de raad van de orde plaatsvinden indien het certificaat beroepsopleiding niet meer kan worden overgelegd binnen het tijdvak, bedoeld in artikel 8c, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid, van de Advocatenwet.
  4. De in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde goedkeuring wordt alleen geweigerd indien de opzegging onredelijk is.
  5. De patroon brengt het einde van de stage of de opschorting, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en c, en tweede lid, onverwijld schriftelijk ter kennis van de raad van de orde.

Artikel 3.4 regelt het einde van de stage zonder dat een stageverklaring wordt afgegeven. Het rechtsgevolg daarvan is dat de verplichtingen tussen de stagiaire en de patroon over en weer komen te vervallen. Daarnaast regelt artikel 3.4 de effecten van opschorting van de stage. Dit effect is beperkt, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 mei 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AX2118). In die uitspraak kwam aan de orde dat de Advocatenwet voorschrijft wanneer de verplichting om onder toezicht (in de huidige terminologie van de Advocatenwet: begeleiding) van een patroon de praktijk uit te oefenen eindigt. Artikel 9b, eerste lid, van de Advocatenwet bepaalt dat deze verplichting drie jaar duurt. In het tweede lid krijgt de raad van de orde de mogelijkheid om deze periode met ten hoogste drie jaar te verlengen indien de praktijkervaring van de stagiaire nog ontoereikend is. De Afdeling merkt vervolgens in overweging 2.3.1. op:

“In geval van een langduriger onderbreking vindt, in aansluiting op hetgeen is bepaald in artikel 9b, tweede lid, eerste volzin, van de Wet ten aanzien van deeltijd, een evenredige verlenging van de stageperiode plaats. Dit beleid is gebaseerd op de gedachte dat aan de wettelijk voorgeschreven stageperiode een legitiem algemeen belang bij een goede opleiding van advocaten ten grondslag ligt en dat benutting van die volle periode noodzakelijk is om de vereiste brede kennis en ervaring op te doen. Op die grond wordt vastgehouden aan de zogenoemde "zuivere speeltijd gedachte", inhoudende dat de in artikel 9b, eerste lid, van de Wet bedoelde periode van drie jaar in beginsel niet doorloopt indien de praktijk niet daadwerkelijk wordt uitgeoefend, zoals in geval van ziekte of vakantie- of ander verlof. De Afdeling is evenwel van oordeel dat de tekst van artikel 9b, eerste lid, van de Wet geen grondslag biedt aan de uitleg die de raad van toezicht [per 1 januari 2015: raad van de orde in het arrondissement] in zijn beleid aan deze bepaling heeft gegeven, omdat de periode van drie jaar gedurende welke de advocaat onder toezicht zijn werk moet doen, gerelateerd is aan zijn inschrijving als zodanig en niet aan de daadwerkelijke uitoefening van de praktijk.“

De consequentie van de uitspraak en de eerder genoemde bestaande grondslagen in de Advocatenwet is dat een verordening niet kan voorschrijven dat de ‘zuivere speeltijd’ als doctrine wordt gehanteerd. Het einde van de stage is reeds in de Advocatenwet gegeven. Een effect van een tussentijds einde van de stage of opschorting ervan is evenwel dat de toegang tot de beroepsopleiding in beginsel wordt geweigerd. Dat is geregeld in artikel 3.16. Daarnaast blijft gelden dat de stagiaire de praktijk alleen mag uitoefenen onder begeleiding van de patroon. Bij opschorting van de stage van rechtswege is daar geen sprake van; de praktijk mag in dat geval niet worden uitgeoefend.

In het eerste lid verdienen enkele situaties bijzondere aandacht. De eenzijdige opzegging van de begeleidingsovereenkomst door de stagiaire of de beëindiging in onderling overleg is niet aan formaliteiten gebonden. De begeleidingsovereenkomst kan ook onderdeel uitmaken van de arbeidsovereenkomst. Het verdient wel de voorkeur om de opzegging schriftelijk te doen, althans schriftelijk te bevestigen. De opzegging door de patroon is wel aan voorwaarden gebonden. Daarvoor is goedkeuring door de raad van de orde vereist (op grond van het eerste lid, onderdeel c) tenzij het certificaat beroepsopleiding niet of niet meer binnen de termijn van artikel 8c, derde lid, van de Advocatenwet gehaald kan worden. Dit laatste is bijvoorbeeld aan de orde indien de stagiaire ook voor de derde en laatste toetskans is gezakt. Ingevolge het derde lid is in dat geval geen voorafgaande goedkeuring nodig.

Het tweede lid, onderdeel a, ziet op een stagiaire die, bijvoorbeeld omdat deze ziek is, de praktijk niet uitoefent. In dat geval is de stage zonder nadere besluitvorming door de raad van de orde van rechtswege opgeschort, tenzij de periode van niet-uitoefening slechts van korte duur is. Uit een oogpunt van uniformiteit is deze termijn bepaald op drie maanden. De opschorting van rechtswege ontstaat op het moment dat de stagiaire de praktijk drie maanden niet heeft uitgeoefend, tenzij dit het gevolg is van een wettelijk zwangerschaps- of bevallingsverlof (artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg). Door deze clausulering wordt discriminatie tussen stagiaires op grond van geslacht uitgesloten. Stagiaires die dit verlof opnemen en in die periode het onderwijs niet willen of kunnen volgen, en de examens niet kunnen afleggen, zullen overigens wel een beroep moeten doen op de hardheidsclausule (artikel 3.17, vijfde lid) om op een ander moment het onderwijs te mogen volgen of de toetsen te mogen afleggen. Op grond van het tweede lid, onderdeel b, wordt de stage van rechtswege opgeschort indien de patroon niet meer als zodanig kan functioneren. Dat kan zijn omdat hijzelf de praktijk niet meer kan of mag uitoefenen, of omdat hij de voor de stagiaire noodzakelijke begeleiding niet meer kan verschaffen. Als de patroon geschorst is, is hij op dat moment geen advocaat en mag hij de praktijk niet uitoefenen. Hoewel de schorsing van de patroon reeds is vervat in de voornoemde opschortingsgrond is deze omwille van de kenbaarheid expliciet in onderdeel c genoemd. Het bepaalde in dit artikel laat de verplichtingen uit hoofde van een eventuele arbeidsovereenkomst tussen de stagiaire en werkgever onverlet. Het opschorten of beëindigen van de stage leidt er wel toe dat een stagiaire op grond van artikel 3.16, tweede lid, onderdeel b, geen toegang meer heeft tot de beroepsopleiding. Een stagiaire wiens stage is opgeschort, kan nog wel een beroep doen op de hardheidsclausule van artikel 3.16, vierde lid.

Op grond van het vijfde lid van artikel 3.4 rust op de patroon de plicht om de raad van de orde te informeren over het intreden van een van de situaties waardoor de stage geëindigd of opgeschort is. Deze situaties zijn bekend bij de patroon. De patroon weet beter dan de raad van de orde wanneer de situatie is ingetreden. Overigens geldt voor de patroon ook de verplichting om de raad van de orde te informeren indien de stagiaire enige tijd de praktijk niet uitoefent (artikel 3.13, zesde lid).

Navigeer inhoud van  Verordening op de advocatuur

Navigeer inhoud van Verordening op de advocatuur

Uitgelicht

Wet- en regelgeving

Alle wet- en regelgeving voor de advocatuur. Van de Advocatenwet tot de Verordening op de advocatuur (Voda) en de Regeling op de advocatuur (Roda).

Voor uw praktijk

Ondersteuning voor advocaten bij hun beroepsuitoefening: van de advocatenpas tot het rechtsgebiedenregister en geheimhoudernummers.