Paragraaf 4.2.1 Advocaat bij de Hoge Raad

Paragraaf 4.2.1 Advocaat bij de Hoge Raad

Sinds de inwerkingtreding van de Wet van 15 maart 2012 tot wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak (versterking cassatierechtspraak) (Stb. 2012, 116) op 1 juli 2012 zijn de artikelen 9j en 9k in de Advocatenwet opgenomen. Met deze wetswijziging is een versterking van de cassatierechtspraak beoogd door (onder meer) andere en nieuwe eisen te stellen aan advocaten die als procesvertegenwoordiger optreden bij de Hoge Raad opdat de Hoge Raad in staat wordt gesteld zich als cassatierechter te concentreren op zijn kerntaken. De Hoge Raad kan zijn kerntaken optimaal vervullen als hem cassatiemiddelen worden voorgelegd die aan de eisen voldoen en vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming aan de orde stellen. Een kwalitatief goede cassatie advocatuur draagt daarmee bij aan de versterking van de cassatierechtspraak. Voor de behandeling van een zaak in cassatie gelden bijzondere regels die een specifieke deskundigheid vergen van een advocaat die als procesvertegenwoordiger bij de Hoge Raad optreedt. Niet alleen zal de advocaat bedreven moeten zijn in de cassatietechniek, hij zal ook meer dan gemiddeld moeten beschikken over een diepgaande kennis van het materiële recht, het procesrecht, als ook over een ruime proceservaring.

In de verordening zijn regels gesteld voor advocaten die optreden voor de Hoge Raad in burgerlijke zaken. Op grond van het Wetboek voor burgerlijke rechtsvordering kunnen uitsluitend advocaten met de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in cassatiezaken optreden.

Regels over het verkrijgen van de hoedanigheid van ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in strafzaken en fiscale zaken kunnen te zijner tijd bij wijzigingsverordening worden gesteld.

Artikel 4.7a Bekwaamheid cassatie

Vervallen.

Artikel 4.8 Aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken

  1. De aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken is onvoorwaardelijk.
  2. In afwijking van het eerste lid is de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken voorwaardelijk, indien aantekening op het tableau heeft plaatsgevonden na toepassing van artikel 4.9, achtste lid, en een advocaat niet in het bezit is van het bewijsstuk, bedoeld in artikel 4.11, achtste lid, eerste volzin, dat de proeve van bekwaamheid met goed gevolg is afgelegd.
  3. Met de in artikel 4.11, achtste lid, tweede volzin, bedoelde kennisgeving van het bewijsstuk aan de secretaris van de algemene raad wordt van rechtswege het voorwaardelijke karakter aan de aantekening ontnomen.

Artikel 4.8

Het systeem van het verkrijgen van de hoedanigheid ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken heeft een volgtijdelijkheid karakter. De voorwaardelijke aantekening biedt de mogelijkheid om van de betrokken advocaat te eisen dat deze binnen een zekere tijdsperiode (uiterlijk drie jaar na het verkrijgen van de voorwaardelijke aantekening) voldoende inhoudelijke cassatieprocedures voert en opleidingspunten behaalt om in aanmerking te komen voor onvoorwaardelijke aantekening. Of de aantekening voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is, is voor anderen dan de toezichthouder en de algemene raad niet kenbaar.

Op het moment dat de onvoorwaardelijke aantekening is ingeschreven op het tableau, vervalt de voorwaardelijke aantekening van rechtswege. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek van de inschrijving van de advocaat op het tableau (artikel 1, tweede en derde lid, van de Advocatenwet).

Artikel 4.9 Verklaring ten behoeve van de voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken

  1. De algemene raad geeft op verzoek van een onvoorwaardelijk ingeschreven advocaat de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet, af, indien hij:
    • in de twaalf maanden voorafgaand aan het verzoek ten minste tien opleidingspunten heeft behaald op terreinen die leiden tot verdieping van zijn kennis van het burgerlijk recht, het burgerlijk procesrecht en de beheersing van de cassatietechniek; en
    • met goed gevolg een mondeling examen heeft afgelegd, waardoor blijkt dat hij voldoende kennis heeft van de beginselen, uitgangspunten en regels van het burgerlijk procesrecht, in het bijzonder het appel- en cassatieprocesrecht, alsmede van onderdelen van het privaat-recht op een voor de praktijk van de advocaat relevant rechtsgebied.
  2. De algemene raad kan vrijstelling verlenen van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, indien een advocaat voorafgaand aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, niet ingeschreven was als advocaat en aantoont bekwaamheid te hebben verworven die actueel is en evident gelijk-waardig is aan de in het eerste lid, onderdeel a, gestelde eisen.
  3. Artikel 4.4, vijfde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op het behalen van de opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
  4. Het examen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt afgenomen nadat een advocaat heeft aangetoond te voldoen aan het eerste lid, aanhef en onderdeel a, voor zover hij daarvoor geen vrijstelling heeft gekregen, en de voor het examen verschuldigde vergoeding heeft voldaan.
  5. Indien het examen niet met goed gevolg is afgelegd, heeft een advocaat het recht op één herkansing.
  6. De algemene raad stelt nadere regels over de inhoud en de stof van het examen en de wijze waarop het examen en de herkansing wordt aangevraagd en afgenomen.
  7. De algemene raad beslist binnen dertien weken op het verzoek, bedoeld in het eerste lid. Deze termijn kan met ten hoogste vijf weken worden verlengd, indien een advocaat gebruik wil maken van een herkansing.
  8. De algemene raad geeft van de afgifte van de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet, kennis aan de secretaris van de algemene raad en de raad van de orde. Met de kennisgeving aan de secretaris van de algemene raad wordt de advocaat geacht een verzoek aan de secretaris van de algemene raad te hebben gedaan ter verkrijging van de voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken.

Artikel 4.9

Een advocaat die de cassatiepraktijk in burgerlijke zaken wenst uit te oefenen, moet op het tableau zijn ingeschreven met de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken. Daartoe is allereerst de voorwaardelijke aantekening noodzakelijk. Met die aantekening is de advocaat bevoegd om op te treden bij de Hoge Raad in burgerlijke zaken en wordt hij in staat gesteld om te voldoen aan de vereisten voor het verkrijgen van de onvoorwaardelijke aantekening.

Op grond van artikel 9j, eerste lid, van de Advocatenwet kan uitsluitend een onvoorwaardelijk ingeschreven advocaat een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ worden. Op grond van artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet vindt aantekening op het tableau als ‘advocaat bij de Hoge Raad’ plaats door de secretaris van de algemene raad op verzoek van de advocaat, na overlegging van een verklaring dat de advocaat voldoet aan de toetredingseisen, bedoeld in het derde lid, aanhef en onderdeel a. Deze verklaring wordt afgegeven door de algemene raad. Het derde lid van artikel 9j van de Advocatenwet biedt de grondslag om bij of krachtens verordening regels over het verkrijgen, het behouden en het verliezen van de hoedanigheid van ‘advocaat bij de Hoge Raad’ te regelen.

Voor civiele cassatie regelt artikel 4.9 van de verordening de eisen voor verkrijging van de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet.

Bij de aanvraag om afgifte van de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet ter verkrijging van de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken toont de advocaat, naast zijn onvoorwaardelijk inschrijving op het tableau, dat hij voldoet aan de vereiste opleidingspunten (artikel 4.9, eerste lid, onderdeel a), of daarvoor een vrijstelling heeft gekregen (tweede lid) en de verschuldigde vergoeding voor het mondeling examen heeft betaald (zie artikel 2.29 van de verordening). Indien de advocaat onvoldoende gegevens of bescheiden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.

Op grond van artikel 4.9, tweede lid, kan de algemene raad vrijstelling verlenen van de vereiste opleidingspunten, indien een advocaat in een vorige functie kennis en kunde heeft verworven die nog actueel is, maar in het voorafgaande jaar geen (advocatuurlijke) opleidingspunten heeft gehaald, omdat hij niet als advocaat was ingeschreven. Deze advocaat valt mogelijk in een van de volgende categorieën.

1. Voormalig rechters, niet zijnde leden van de Hoge Raad

Rechters moeten dertig opleidingspunten per jaar behalen; deze zijn vergelijkbaar met de advocatuurlijke opleidingspunten. Niettemin gelden deze niet als opleidingspunten behaald op grond van artikel 4.4. Wanneer niet voldaan is aan de eis dat ten minste tien op opleidingspunten het gebied van civiele cassatie zijn behaald, is vrijstelling denkbaar wanneer betrokkene geacht moet worden het civiele procesrecht en het Burgerlijk Wetboek voldoende te beheersen. Wanneer het appelrechters (in de civiele kamers) betreft, kan in de regel van die kennis worden uitgegaan en ligt vrijstelling voor de hand. Bij civiele rechters van rechtbanken zou opleiding op het gebied van het appel- en cassatieprocesrecht nodig kunnen zijn. De werkzaamheden van de voormalig rechters zijn niet langer actueel als deze langer dan drie jaar geleden beëindigd zijn.

 2.  Cassatie-experts

Leden van de Hoge Raad of het parket bij de Hoge Raad hebben geen verplichting ten aanzien van permanente opleiding. De algemene raad acht het redelijk te veronderstellen dat raadsheren, leden van het parket en medewerkers van het wetenschappelijke bureau van de Hoge Raad genoegzaam over actuele kennis van de cassatiepraktijk beschikken, mits de werkzaamheden niet langer dan drie jaar geleden werden verricht.

3. Wetenschappers

Promovendi en universitair (hoofd)docenten op het terrein van burgerlijk procesrecht of cassatieprocesrecht. De algemene raad zal bij deze personen ook in zijn afweging betrekken in hoeverre de kennis en kunde betrekking heeft op de procespraktijk van advocaten.

In het derde lid wordt ten aanzien van het vereiste van opleidingspunten het zogenoemde open stelsel van activiteiten waarvoor opleidingspunten op grond van artikel 4.4, eerste lid, van de verordening kunnen worden behaald, van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit houdt onder meer in dat een advocaat één opleidingspunt als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, onderdeel a, van de verordening behaalt door ieder heel uur academisch of postacademisch onderwijs te volgen op terreinen die leiden tot verdieping van zijn kennis van het burgerlijk recht, het burgerlijk procesrecht en de beheersing van de cassatietechniek, indien wordt voldaan aan het bepaalde, bedoeld in artikel 4.4, vijfde lid, onderdeel a, van de verordening. Op grond van artikel 4.9, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.4, vijfde lid, onderdeel e, kan de algemene raad activiteiten aanwijzen waarvoor opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, onderdeel a, kunnen worden behaald.

Indien de advocaat heeft aangetoond te voldoen aan de vereiste opleidingspunten (of daarvoor een vrijstelling heeft gekregen) en de voor het examen verschuldigde vergoeding heeft voldaan, wordt hij in de gelegenheid gesteld een mondeling examen af te leggen (artikel 4.9, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de verordening). Met dit examen wordt beoordeeld of de advocaat voldoende kennis heeft van de beginselen, uitgangspunten en regels van het burgerlijk procesrecht, in het bijzonder het appel- en cassatieprocesrecht, alsmede van onderdelen van het privaatrecht op een voor de praktijk van de advocaat relevant rechtsgebied.

Tijdens het mondeling examen wordt met name de theoretische kennis van het burgerlijk (proces)recht getoetst, in het bijzonder het appel- en cassatieprocesrecht. In de Regeling op de advocatuur (artikelen 20 tot en met 22) zijn nadere regels gesteld over de inhoud en de stof van het examen en de wijze waarop het examen wordt aangevraagd en afgenomen. Er bestaat één herkansingsmogelijkheid ten aanzien van het mondeling examen.

Indien de advocaat voldoet aan de gestelde opleidingseisen, de verschuldigde vergoeding heeft betaald én het mondeling examen met goed gevolg heeft afgelegd, wordt hem de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet verstrekt. Er wordt geen afzonderlijk bewijs verstrekt dat het mondeling examen met goed gevolg is afgelegd.

De algemene raad geeft van deze verstrekking kennis aan de secretaris van de algemene raad en aan de raad van de orde. Met de kennisgeving aan de secretaris van de algemene raad wordt de advocaat geacht een verzoek te hebben gedaan aan de secretaris van de algemene raad om de voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken te verkrijgen. De advocaat hoeft dan ook niet zelf een verzoek bij de secretaris van de algemene raad in te dienen. Hiermee wordt voorkomen dat een advocaat ná het behalen van het mondeling examen (zo lang mogelijk) wacht met de daadwerkelijke toetreding tot de cassatiebalie ten einde potentiële cassatiezaken te ‘verzamelen’ bij het gerechtshof, om zo gemakkelijker aan de praktijkeis te kunnen voldoen.

Het met goed gevolg afleggen van het mondeling examen is opgenomen in de lijst met opleidingspuntwaardige activiteiten (artikel 14 van de Regeling op de advocatuur).

Op grond van artikel 9j, zevende lid, van de Advocatenwet kan een advocaat beroep instellen bij het hof van discipline tegen een beslissing tot weigering van het verzoek om aantekening op het tableau als advocaat bij de Hoge Raad. Dit beroep staat ook open tegen een beslissing tot weigering van de vrijstelling, bedoeld in artikel 4.9, tweede lid, van de verordening.

Artikel 4.10 Weigering nieuw verzoek tot afgifte van een verklaring ten behoeve van de voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken

De algemene raad kan een verzoek als bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, afwijzen, indien het verzoek wordt ingediend binnen drie jaar:

  • nadat de proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, al dan niet na herkansing, niet met goed gevolg is afgelegd; of
  • na het doorhalen van de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken.

Artikel 4.10

De mogelijkheid bestaat dat een advocaat bij de Hoge Raad met een voorwaardelijke aantekening, niet binnen drie jaar met goed gevolg de proeve van bekwaamheid aflegt ter verkrijging van de onvoorwaardelijke aantekening, maar in plaats daarvan opnieuw het mondeling examen aflegt ter verkrijging van een nieuwe voorwaardelijke aantekening. Dit wordt het ‘stapelen’ van voorwaardelijke aantekeningen genoemd. Door deze ‘route’ wordt niet alleen de proeve van bekwaamheid feitelijk illusoir, maar ook kunnen hiermee de praktijkeisen, bedoeld in artikel 4.14 van de verordening, worden omzeild. Dit leidt tot ongelijkheid ten opzichte van andere advocaten bij de Hoge Raad in burgerlijke zaken. Gelet op de doelstelling van de Wet versterking cassatierechtspraak, is het ‘stapelen’ van voorwaardelijke aantekeningen onwenselijk. 

Met artikel 4.10 wordt het ‘stapelen’ van voorwaardelijke aantekeningen voorkomen. Op grond van dit artikel kan de algemene raad een nieuw verzoek tot afgifte van een verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet, afwijzen, indien het verzoek wordt ingediend binnen drie jaar:

  • nadat de proeve van bekwaamheid (artikel 4.12, eerste lid, van de verordening), al dan niet na herkansing, niet met goed gevolg is afgelegd; of
  • na het doorhalen van de voorwaardelijke dan wel onvoorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken.

Gelet op het doel van de gestelde kwaliteitseisen aan advocaten die als procesvertegenwoordiger optreden bij de Hoge Raad, zal niet snel sprake zijn van feiten of omstandigheden op grond waarvan een advocaat binnen de termijn van drie jaar wordt toegelaten tot het opnieuw afleggen van een mondeling examen. Het is evenwel niet uit te sluiten dat bijzondere omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat een binnen deze termijn ingediend verzoek niet op één van deze gronden kan worden afgewezen. Bijvoorbeeld een doorhaling van de aantekening omdat de advocaat langdurig ziek was.

Bij onderdeel b is de reden van de doorhaling niet relevant. Of het gaat om een doorhaling op eigen verzoek of na een beslissing tot doorhaling van de raad van discipline of hof van discipline wegens niet of niet langer voldoen aan een van de eisen, in beide gevallen geldt de termijn van drie jaar. Hiermee wordt voorkomen dat een advocaat zichzelf voor het oproepen voor de proeve van bekwaamheid laat uitschrijven en via een nieuw mondeling examen binnen drie jaar weer terugkeert. Tevens vormt deze termijn een prikkel voor de advocaat om aan alle vereisten te voldoen.

In dit artikel is niet opgenomen de situatie waarin een advocaat die nog beschikt over een voorwaardelijke aantekening, een verzoek indient voor het afgeven van een nieuwe verklaring als bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet. Die advocaat heeft geen belang bij zijn verzoek, omdat een dergelijke verklaring reeds is afgegeven. Een dergelijk verzoek moet derhalve worden afgewezen. Gelet hierop behoeft artikel 4.11 hierin niet te voorzien.

Op grond van artikel 9j, zevende lid, van de Advocatenwet kan een advocaat beroep instellen bij het hof van discipline tegen een beslissing tot weigering van het verzoek om aantekening op het tableau als advocaat bij de Hoge Raad.

Artikel 4.11 Bewijsstuk ten behoeve van de onvoorwaardelijke aantekening

  1. Een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken legt binnen drie jaar na het verkrijgen van de voorwaardelijke aantekening met goed gevolg een proeve van bekwaamheid af.
  2. De algemene raad kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste twaalf maanden verlengen indien hij van oordeel is dat de advocaat als gevolg van bijzondere omstandigheden niet kan voldoen aan artikel 4.14, eerste lid. Indien de algemene raad de termijn verlengt, wordt het in artikel 4.14, eerste lid, bedoelde tijdvak verlengd met de in die beslissing opgenomen termijn. De algemene raad geeft van de beslissing tot verlenging kennis aan de raad van de orde.
  3. De proeve van bekwaamheid omvat de bespreking van twee door de advocaat overgelegde cassatiedossiers en wordt afgenomen door de algemene raad.
  4. De proeve van bekwaamheid wordt in ieder geval geacht niet met goed gevolg te zijn afgelegd, indien de advocaat:
    • niet de voor de proeve van bekwaamheid verschuldigde vergoeding heeft voldaan;
    • niet aantoont te voldoen aan de artikelen 4.13, eerste lid, en 4.14, eerste of tweede lid;
    • niet tijdig de ter bespreking vereiste cassatiedossiers heeft overgelegd of de voor hem vastgestelde gelegenheid voor het afleggen van de proeve van bekwaamheid niet heeft gebruikt.
  5. Indien de proeve van bekwaamheid niet met goed gevolg is afgelegd, heeft de advocaat recht op één herkansing.
  6. De algemene raad stelt nadere regels over de inhoud van de proeve van bekwaamheid, de wijze waarop de proeve van bekwaamheid en de herkansing wordt afgenomen en de over te leggen cassatiedossiers.
  7. De algemene raad beslist binnen dertien weken op een verzoek van een ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken om de proeve van bekwaamheid af te leggen. Deze termijn kan met ten hoogste vijf weken worden verlengd, indien een advocaat gebruik wil maken van een herkansing.
  8. Ten bewijze dat de proeve van bekwaamheid met goed gevolg is afgelegd, verstrekt de algemene raad een daarop betrekking hebbend bewijsstuk aan de advocaat. De algemene raad geeft van de afgifte van het bewijsstuk kennis aan de secretaris van de algemene raad.
  9. De algemene raad maakt het resultaat van de proeve van bekwaamheid bekend aan de raad van de orde.

Artikel 4.11

Binnen drie jaar na het verkrijgen van de voorwaardelijke aantekening dient de

‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken een proeve van bekwaamheid met goed gevolg te hebben afgelegd. In de Regeling op de advocatuur zijn omtrent de procedure van de proeve van bekwaamheid nadere regels gesteld. Voor het bepalen van de datum waarop de proeve van bekwaamheid wordt afgenomen, wordt rekening gehouden met de tijd die de advocaat redelijkerwijs nodig heeft voor de voorbereiding van de proeve.

De algemene raad kan de termijn van drie jaar voor de proeve van bekwaamheid met ten hoogste twaalf maanden verlengen, indien de advocaat als gevolg van bijzondere omstandigheden niet kan voldoen aan de praktijkeisen. Daarvan kan sprake zijn als naar het oordeel van de algemene raad is gebleken dat er op een specifiek rechtsgebied waarin de advocaat werkzaam is, zo weinig zaken worden aangebracht bij de Hoge Raad, dat het onredelijk is om onverminderd vast te houden aan de termijn van drie jaar. Indien de termijn voor de proeve van bekwaamheid wordt verlengd, wordt de driejaarstermijn voor de praktijkeisen, bedoeld in artikel 4.14 van de verordening, met eenzelfde termijn verlengd.

De proeve van bekwaamheid bestaat uit een bespreking van twee door de advocaat overgelegde cassatiedossiers. In de Regeling op de advocatuur (artikelen 20, 23 en 24) zijn nadere regels gesteld over de inhoud van de proeve van bekwaamheid, de wijze waarop deze wordt afgenomen en de over te leggen cassatiedossiers. De algemene raad verleent machtiging ten aanzien van het afnemen van de proeve van bekwaamheid aan twee leden van de commissie cassatie gezamenlijk.

In bepaalde gevallen wordt de proeve van bekwaamheid reeds als niet met goedgevolg afgelegd beschouwd, te weten indien de advocaat:

  • niet de voor de proeve van bekwaamheid verschuldigde vergoeding heeft voldaan (zie artikel 2.29 van de verordening);
  • niet aantoont te voldoen aan de opleidingseisen, bedoeld in artikel 4.13, en de praktijkeisen, bedoeld in artikel 4.14 (zie toelichting bij deze artikelen);
  • niet tijdig de ter bespreking vereiste cassatiedossiers heeft overlegd of de voor hem vastgestelde gelegenheid voor het afleggen van de proeve van bekwaamheid niet heeft gebruikt.

De proeve van bekwaamheid kan eenmaal worden herkanst. Onder de formulering ‘niet met goed gevolg’ vallen ook de hierboven onder a tot en met c genoemde situaties waarin de proeve wordt beschouwd als niet met goed gevolg te zijn afgelegd. 

Het bewijsstuk dat de proeve van bekwaamheid is behaald, wordt ter kennis gebracht van de secretaris van de algemene raad. Met deze kennisgeving wordt van rechtswege het voorwaardelijke karakter aan de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken ontnomen, zodat sprake is van een onvoorwaardelijke aantekening. 

Het met goed gevolg afleggen van de proeve van bekwaamheid is opgenomen in de lijst met opleidingspuntwaardige activiteiten (artikel 14 van de Regeling op de advocatuur). 

Indien de advocaat de proeve van bekwaamheid niet heeft behaald, kan hij op grond van artikel 9j, zevende lid, van de Advocatenwet hiertegen beroep instellen bij het hof van discipline. 

Uit het publieke belang van de kwaliteit van de rechtsbedeling en de advocatuur in het algemeen, maar in het bijzonder ook uit het doel en de strekking van de Wet versterking cassatierechtspraak, volgt dat als een advocaat niet langer aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet, de raad van de orde slechts in zéér uitzonderlijke gevallen het verzoek, bedoeld in artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet, achterwege zal laten. Het voltijdelijke systeem van een (on)voorwaardelijke aantekening brengt mee dat de raad van de orde in ieder geval drieënhalf jaar na het verkrijgen van de voorwaardelijke aantekening (het uiterste moment waarop een advocaat behoort te voldoen aan de eisen voor een onvoorwaardelijke aantekening; zie artikel 4.12, eerste lid, van de Voda) beziet of de ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken voldoet aan alle kwaliteitseisen. Daartoe maakt de algemene raad het resultaat van de proeve van bekwaamheid bekend aan de raad van de orde (negende lid).

Navigeer inhoud van  Verordening op de advocatuur

Navigeer inhoud van Verordening op de advocatuur

Uitgelicht

Wet- en regelgeving

Alle wet- en regelgeving voor de advocatuur. Van de Advocatenwet tot de Verordening op de advocatuur (Voda) en de Regeling op de advocatuur (Roda).

Voor uw praktijk

Ondersteuning voor advocaten bij hun beroepsuitoefening: van de advocatenpas tot het rechtsgebiedenregister en geheimhoudernummers.