Paragraaf 4.1.2 Professionele kennis en kunde

Artikel 4.2 Reikwijdte

  1. Deze paragraaf is van toepassing op de advocaat die al dan niet onderbroken drie jaar of langer op het tableau is ingeschreven. In afwijking van de eerste volzin is artikel 4.3a, eerste lid en artikel 4.4, tweede lid, van toepassing op de advocaat die onvoorwaardelijk op het tableau is ingeschreven.
  2. In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf van toepassing op een advocaat die is ingeschreven op basis van een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties of op grond van artikel 16h van de Advocatenwet is ingeschreven.

Deze paragraaf, met uitzondering van artikel 4.4, tweede lid, heeft betrekking op alle advocaten die al dan niet onderbroken ten minste drie jaar op het tableau staan. Of iemand stagiaire is of in deeltijd werkt, is voor de toepassing van deze paragraaf niet relevant. Voor de berekening van de termijn van drie jaar wordt gekeken naar de eerste inschrijving op het tableau. Dit betekent dat een advocaat die zich bijvoorbeeld een jaar na beëdiging laat schrappen en na twee jaar herintreedt, op dat moment moet voldoen aan de in deze paragraaf opgenomen bepalingen. De eerste drie jaar dat een advocaat op het tableau staat geldt deze paragraaf nog niet, omdat hij geacht wordt de beroepsopleiding te volgen die drie jaar duurt. Voor EU-advocaten die op grond van artikel 16h van de Advocatenwet ingeschreven staan en advocaten die zijn ingeschreven op basis van een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, is deze paragraaf direct van toepassing.

Uitzondering geldt voor de verplichte opleidingspunten voor rechtsgebieden (artikel 4.4, tweede lid). Deze verplichting geldt voor de advocaat die onvoorwaardelijk op het tableau is ingeschreven en in het desbetreffende jaar ten minste zes maanden is ingeschreven. De rechtzoekende is gebaat bij een goed zoekregister waarin duidelijk zichtbaar is op welke rechtsgebieden advocaten werkzaam zijn. Het dient daarbij te gaan om advocaten die in staat zijn zelfstandig en naar behoren de praktijk uit te oefenen. Een advocaat die voorwaardelijk is ingeschreven (de stagiaire), voldoet hier (nog) niet aan. De verplichting om opleidingspunten voor rechtsgebieden te behalen geldt derhalve niet voor de advocaat die voorwaardelijk op het tableau is ingeschreven.

Artikel 4.3 Professionele kennis en kunde

De advocaat onderhoudt en ontwikkelt jaarlijks aantoonbaar zijn professionele kennis en kunde op voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden.

De verplichting die in dit artikel is beschreven omvat meer dan de bepalingen die volgen in artikel 4.4 en verder. Er rust op de advocaat een algemene verplichting om zijn kennis te onderhouden en te ontwikkelen ten behoeve van een goede dienstverlening aan zijn cliënten, de rechtzoekenden.

Artikel 4.3a Kwaliteitstoetsen

  1. Een advocaat is verplicht ieder kalenderjaar, en voor het eerst het kalenderjaar volgend op de onvoorwaardelijke inschrijving op het tableau, deel te nemen aan kwaliteitstoetsen door:
    1. intervisie ofwel onder begeleiding van een gespreksleider ofwel als gespreksleider die is aangewezen als deskundige als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Advocatenwet, gedurende ten minste acht uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag; of
    2. peer review door een reviewer die is aangewezen als deskundige als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Advocatenwet, gedurende ten minste vier uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag.
  2. De algemene raad stelt nadere regels over:
    1. de vereisten aan intervisie en peer review; en
    2. de vereisten aan de aanwijzing, de intrekking van de aanwijzing en de registratie van gespreksleiders en reviewers.

De verplichting die in dit artikel wordt beschreven omvat de verplichting aan advocaten om ieder jaar deel te nemen aan kwaliteitstoetsen door intervisie of peer review. Het betreft een keuze voor intervisie gedurende acht uur per jaar of peer review gedurende vier uur per jaar. Aan de verplichting kan worden voldaan door intervisie te combineren met de vorm gestructureerd intercollegiaal overleg. De verplichting intervisie kan niet worden gecombineerd met peer review. Met andere woorden: voor de verplichting inzake kwaliteitstoetsen kan bijvoorbeeld vier uur intervisie aangevuld worden met vier uur gestructureerd intercollegiaal overleg. Maar twee uur peer review kan niet worden aangevuld met zes uur intervisie. Na vier uur peer review is voldaan aan de eis van artikel 4.3a, waarna uiteraard aanvullend aan bijvoorbeeld intervisie kan worden deelgenomen. De reden hiervoor is dat voldoende inhoud aan de gekozen vorm peer review wordt gegeven. Deze regeling geldt overigens ook voor de vorm van gestructureerd intercollegiaal overleg uit artikel 4.3b met de vorm peer review, die kunnen ook niet worden gecombineerd. Aan de vormen intervisie en gestructureerd intercollegiaal overleg (artikel 4.3b) kan ook online worden deelgenomen.  

De verplichting van artikel 4.3a geldt voor ieder kalenderjaar en voor het eerst het kalenderjaar volgend op de onvoorwaardelijke inschrijving op het tableau. Voor advocaten die gedurende het jaar onvoorwaardelijk op het tableau komen, dus advocaat-stagiaires en herintreders (die mogelijk al eerder onvoorwaardelijk op het tableau zijn ingeschreven), geldt dat de verplichting pas ingaat het jaar na de onvoorwaardelijke inschrijving. De advocaat, die na zijn stage of als herintreder gedurende het jaar onvoorwaardelijk op het tableau wordt ingeschreven, heeft immers geen kalenderjaar meer om te kunnen voldoen aan de kwaliteitstoetsen. Voorts leidt het gedurende het jaar aansluiten bij bijvoorbeeld een intervisiegroep ook tot praktische bezwaren. Om die reden is ervoor gekozen de verplichting voor die advocaten te laten ingaan het jaar volgend op de onvoorwaardelijke inschrijving. Dat neemt niet weg dat advocaat-stagiaires en herintreders al eerder kunnen starten met kwaliteitstoetsen.

Artikel 4.3b Gestructureerd intercollegiaal overleg

  1. In plaats van de in artikel 4.3a, eerste lid, bedoelde verplichting kan een advocaat deelnemen aan gestructureerd intercollegiaal overleg onder begeleiding van een begeleider, gedurende ten minste acht uur per jaar, met ten minste twee uur en ten hoogste vier uur aaneengesloten per dag.
  2. De algemene raad stelt nadere regels over:
    1. de vereisten aan gestructureerd intercollegiaal overleg; en
    2. de vereisten aan begeleiders.

Een alternatief voor de verplichting uit hoofde van artikel 4.3a is het deelnemen aan gestructureerd intercollegiaal overleg gedurende acht uur per jaar. Ook voor deze vorm geldt dat deze vorm niet kan worden gecombineerd met de vorm peer review uit artikel 4.3a, zodanig dat nog niet aan de minimale ureneis is voldaan. Met andere woorden: voor het alternatief van gestructureerd intercollegiaal overleg kan 6 uur intercollegiaal overleg niet worden aangevuld met twee uur peer review. Na acht uur gestructureerd intercollegiaal overleg is voldaan aan het alternatief van artikel 4.3b. De reden hiervoor is dat voldoende inhoud aan de gekozen vorm wordt gegeven. Wel kan de vorm gestructureerd intercollegiaal overleg gecombineerd worden met de vorm intervisie. 

Artikel 4.4 Opleidingspunten

  1. Een advocaat behaalt elk kalenderjaar ten minste twintig opleidingspunten, waarvan ten minste de helft betrekking heeft op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied.
  2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid behaalt de advocaat die ten minste zes maanden is ingeschreven, elk kalenderjaar ten minste tien opleidingspunten op ieder rechtsgebied waarop hij zich het daaropvolgende kalenderjaar gaat registreren als bedoeld in artikel 6.32.
  3. Indien deze paragraaf in een kalenderjaar korter dan elf maanden van toepassing is op een advocaat, wordt het aantal opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid naar rato verminderd.
  4. Een advocaat die ten minste tien opleidingspunten heeft behaald die betrekking hebben op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied kan een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in het eerste en tweede lid, tot een maximum van tien punten compenseren met een overschot aan punten dat hij in het voorafgaande kalenderjaar heeft behaald. Een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in het tweede lid kan uitsluitend worden gecompenseerd met opleidingspunten op hetzelfde rechtsgebied.
  5. Een advocaat behaalt één opleidingspunt door:
    1. ieder heel uur dat hij academisch of postacademisch onderwijs heeft gevolgd dat de praktijkuitoefening of de praktijkvoering ten goede komt, indien:
      • het onderwijs gegeven is door deskundige docenten;
      • de identiteit en de aanwezigheid van de deelnemende advocaat zijn vastgesteld;
      • het onderwijs niet de beroepsopleiding advocaten betreft; en
      • indien het onderwijs uitsluitend op afstand is gevolgd, het onderwijs is afgesloten met een toets, waarvoor een voldoende is behaald en de gemiddelde tijdsbesteding vooraf is aangegeven;
    2. ieder half uur dat hij academisch of postacademisch onderwijs heeft gegeven dat de praktijkuitoefening of de praktijkvoering ten goede komt;
    3. iedere 500 woorden van een juridisch artikel dat hij heeft geschreven en dat is gepubliceerd in de rechtsliteratuur;
    4. ieder heel uur dat hij heeft deelgenomen aan kwaliteitstoetsen in de vorm van:
      1. intervisie met ten hoogste vier punten per jaar;
      2. peer review met ten hoogste vier punten per jaar;
    5. andere activiteiten, waarvoor de algemene raad nadere regels kan stellen betreffende het aantal opleidingspunten dat behaald kan worden.
  6. De algemene raad stelt regels:
    1. die een niet-limitatieve lijst van activiteiten betreffen waarvoor geen opleidingspunten behaald kunnen worden;
    2. over erkenning van opleidingsinstellingen waardoor deze op voorhand kunnen aangeven hoeveel opleidingspunten toegekend worden aan een opleiding.
  7. Een advocaat toont aan dat de opleidingspunten zijn behaald door overlegging van adequate bewijsstukken met vermelding daarbij, voor zover van toepassing, van de geregistreerde rechtsgebieden als bedoeld in artikel 6.32 waarop de opleidingspunten betrekking hebben.

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat een advocaat ten minste twintig opleidingspunten behaalt. Het betreft een minimum. Het staat de advocaat vrij, en is vanuit het oogpunt van vakbekwaamheid en kwaliteit aan te bevelen, om meer opleidingspunten te behalen.

In het algemeen zij opgemerkt dat het behalen van opleidingspunten een middel is voor het onderhouden van de vakbekwaamheid. Het jaarlijks behalen van twintig opleidingspunten wil daarom nog niet zeggen dat de advocaat daarmee voldoet aan het bredere en meer algemene vereiste van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4.1, en het vereiste van het ontwikkelen en onderhouden van kennis, bedoeld in artikel 4.3.

Voor advocaten op wie deze paragraaf van toepassing is, houdt de verplichting in dat zij ten minste twintig opleidingspunten per jaar behalen met het onderhouden en ontwikkelen van hun kennis. De helft van die reguliere opleidingspunten moet zien op inhoudelijk juridische kennis. Deze juridische kennis moet zijn opgedaan op een voor de praktijk van de advocaat relevant rechtsgebied. Het bijwonen van een willekeurige cursus volstaat dan ook niet. Voor de praktijk van de advocaat relevante rechtsgebieden kunnen rechtsgebieden zijn waarop hij werkzaam is, maar ook rechtsgebieden waarop hij, gelet op bijvoorbeeld ontwikkelingen in zijn praktijk, nog niet werkzaam is maar wel verwacht werkzaam te zullen zijn.

De verplichting dat de helft van de te behalen opleidingspunten moet zien op inhoudelijke juridische kennis geldt niet voor het overschot aan punten dat per jaar behaald wordt. Haalt een advocaat bijvoorbeeld dertig opleidingspunten in een jaar dan voldoet hij aan de verplichting als ten minste tien opleidingspunten daarvan zien op inhoudelijk juridische kennis.    

In het tweede lid is bepaald dat advocaten die zes maanden of langer op het tableau staan ingeschreven ieder jaar minimaal tien opleidingspunten per geregistreerd rechtsgebied moeten halen. De periode van zes maanden heeft betrekking op advocaten die gedurende het jaar worden ingeschreven (onvoorwaardelijk na hun stage of als herintreder). Voor deze advocaten die in de periode van 1 juli tot en met 31 december in een kalenderjaar worden ingeschreven, geldt de verplichting dat kalenderjaar niet. Deze gaat pas het jaar daarop gelden.

Het rechtsgebiedenregister bevat diverse hoofdrechtsgebieden waarop advocaten zich kunnen laten registreren. Per hoofdrechtsgebied is een nadere onderverdeling in sub- rechtsgebieden gemaakt. De sub-rechtsgebieden zijn rechtsgebieden waarvoor specifieke kennis nodig is, die advocaten die het hoofdrechtsgebied hebben aangevinkt niet vanzelfsprekend hebben. Voor het rechtsgebied personen- en familierecht is bijvoorbeeld ‘internationale kinderontvoering’ als sub-rechtsgebied opgenomen. Sub-rechtsgebieden kunnen alleen aangevinkt worden als het daarbij behorende hoofdrechtsgebied is aangevinkt.

De verplichting om tien opleidingspunten te halen geldt voor het hoofdrechtsgebied en niet voor de aangevinkte sub-rechtsgebieden. De advocaat zal zijn kennis en kunde op de aangevinkte sub-rechtsgebieden vanzelfsprekend dienen te onderhouden, waarvoor het behalen van opleidingspunten een middel is.

Behaalde opleidingspunten kunnen dubbel worden ingezet voor verschillende rechtsgebieden voor zover deze opleidingspunten betrekking hebben op de verschillende rechtsgebieden. 

Het derde lid bevat een 'naar rato-regeling'. Dat houdt in dat een advocaat niet de volle twintig opleidingspunten hoeft te behalen, als deze paragraaf minder dan elf maanden van enig kalenderjaar op hem van toepassing is. Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat hij in de loop van een jaar drie jaar op het tableau staat ingeschreven, of zich heeft laten uitschrijven. Deze advocaat heeft voldaan aan de voorschriften van artikel 4.4, eerste lid, indien hij het aantal opleidingspunten behaalt genoemd in de tabel hieronder.

Ten tweede is relevant dat het derde lid ook van toepassing is op een advocaat die zich gedurende een jaar laat uitschrijven. Het niet behalen van voldoende opleidingspunten kan, ook als de advocaat niet meer als zodanig staat ingeschreven op het tableau, leiden tot een dekenbezwaar op grond van artikel 46f van de Advocatenwet en/of het opleggen van een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom door de deken op grond van artikel 45g van de Advocatenwet.

De tabel rekent per maand, waarbij per maand 20/12 punten = 1 2/3 punt moet worden behaald. Dit aantal wordt telkens naar boven afgerond, omdat het niet afgeronde getal het minimumaantal opleidingspunten is dat ten minste moet worden behaald. Bij afronding naar beneden zou dat minimumaantal dus niet worden behaald.

Tabel

Datum inschrijven,                     Aantal te behalen opleidingspunten             Aantal te behalen opleidingspunten 
uitschrijven of verstrijken       tot en met 31 december van dat jaar            vanaf 1 januari van dat jaar tot het 
3-jaarstermijn van artikel 4.2                                                                                       moment waarop de verordening
                                                                                                                                                    niet meer op de advocaat van 
                                                                                                                                                    toepassing is

1 januari t/m 31 januari                20 (Op grond van het derde lid is               2
                                                     dan nog geen vermindering mogelijk)

1 februari t/m 29 februari           19                                                                   4

1 maart t/m 31 maart                  17                                                                   5

1 april t/m 30 april                       15                                                                   7

1 mei t/m 31 mei                          14                                                                   9

1 juni t/m 30 juni                          12                                                                  10

1 juli t/m 31 juli                             10                                                                  12

1 augustus t/m 31 augustus        9                                                                   14

1 september t/m 30 september   7                                                                  15

1 oktober t/m 31 oktober             5                                                                   17

1 november t/m 30 november     4                                                                   19

1 december t/m 31 december     2                                                                   20 (Op grond van het derde lid is                                                                                                                                  dan geen vermindering mogelijk)


Voorbeeld: Een advocaat is op 27 april 2012 beëdigd. Vanaf 27 april 2015 is paragraaf 4.1.2 van toepassing op deze advocaat. Deze advocaat zal voor 31 december 2015 ten minste vijftien opleidingspunten moeten halen.

Op de verplichting uit hoofde van het tweede lid is de ‘naar rato-regeling’ niet van toepassing. Voor de registratie is het van belang dat volledig wordt voldaan aan de eis tien opleidingspunten te behalen. Advocaten die in de eerste helft van het kalenderjaar op het tableau worden ingeschreven, dienen te voldoen aan het behalen van tien opleidingspunten op het rechtsgebied waarop zij zich willen laten registreren. 

Het vierde lid maakt het mogelijk dat een advocaat die in het voorgaande jaar een overschot aan opleidingspunten behaalde, deze kan gebruiken om in het huidige jaar een tekort te compenseren voor de verplichting uit hoofde van het eerste en tweede lid. Hij kan dus een overschot aan opleidingspunten, met een maximum van tien opleidingspunten meenemen naar het volgende jaar. Een advocaat die kan compenseren, zal dus ieder jaar minimaal tien opleidingspunten moeten behalen. Om te voldoen aan de norm van het eerste lid, dient de advocaat in het desbetreffende kalenderjaar ten minste tien opleidingspunten te behalen.

Voor de compensatie voor de verplichting op grond van het tweede lid geldt uiteraard dat het overschot aan opleidingspunten ziet op het rechtsgebied waarop de advocaat zich wenst te registreren.

In het vijfde lid is beschreven voor welke activiteiten opleidingspunten zijn te behalen.

Het stelsel dat in dit lid wordt beschreven is open. Dat wil zeggen dat er geen gesloten lijst van activiteiten en opleidingen is waarvoor de advocaat punten kan krijgen. De open norm komt op meerdere onderdelen tot uitdrukking. Allereerst is het niet nodig om de opleidingen te volgen (onderdeel a) of te geven (onderdeel b) bij een erkende opleidingsinstelling. Ten tweede komen ook andere activiteiten dan onderwijs in aanmerking voor opleidingspunten (zie onderdeel d). Deze open norm geeft een advocaat vrijheid om te kiezen welke activiteiten of opleidingen het beste bijdragen aan zijn vakbekwaamheid. Hierdoor neemt de eigen verantwoordelijkheid van de advocaat toe, maar ook de mogelijkheid om een passende(r) oplossing te vinden. De eigen verantwoordelijkheid en de eigen behoefte van de advocaat staan voorop.

In onderdeel a gaat het om het volgen of bijwonen van onderwijs van ten minste academisch niveau. Het niveau van het onderwijs wordt afgemeten aan de deelnemers, de deskundigheid van de docenten, en de relevantie voor de advocatuurlijke praktijk. Het academische onderwijsaanbod betreft onderwijs gegeven door universiteiten en is te onderscheiden in twee niveaus: bachelor en master; onderwijs gegeven door hogescholen valt niet onder academisch onderwijs. Over het algemeen is het bachelor-onderwijs niet voldoende specifiek om relevant te zijn voor de praktijk van de advocaat. Indien de advocaat voor bachelor-onderwijs opleidingspunten wil opvoeren, zal hij desgevraagd, moeten aantonen dat deze opleiding in het kader van zijn praktijk voldoende toegevoegde waarde heeft. Daarbij kan een overweging zijn dat de advocaat zich wil bekwamen in een vakgebied waarover hij nu nog weinig kennis of ervaring bezit. In dat geval kan een cursus op aanvangsniveau wel degelijk relevant zijn.

In onderdeel a zijn onder de gedachtestreepjes voorwaarden opgenomen om te bewerkstelligen dat het onderwijs relevantie voor de advocatenpraktijk heeft, van voldoende niveau is en er enige zekerheid is dat de advocaat daadwerkelijk de kennis tot zich heeft genomen. Voor onderwijs dat op afstand wordt gevolgd (zoals webinars of zelfstudie) geldt dat op voorhand de tijdsbesteding moet worden aangegeven door de opleidingsinstelling. Deze gemiddelde tijdsbesteding vormt de basis voor de toekenning van de opleidingspunten en niet de daadwerkelijk bestede tijd.

In onderdeel b gaat het om het geven van onderwijs. Daarbij geldt dat de docent voor ieder half uur een opleidingspunt kan opvoeren. Dat is twee opleidingspunten per uur. De duur van het onderwijs en niet de duur van de voorbereiding ervan is de maatstaf.

Onderdeel c bepaalt dat opleidingspunten kunnen worden verkregen voor juridische artikelen. De artikelen moeten zijn verschenen in een juridisch tijdschrift met een onafhankelijke redactie; het tijdschrift kan ook in elektronische vorm verschijnen. Publicatie van een artikel op de eigen website, netwerksite of forum volstaat niet. Per 500 woorden, exclusief voetnoten, van het geschreven en gepubliceerde artikel kan een opleidingspunt worden toegekend. Als het artikel door meerdere auteurs is geschreven, wordt het totaal aantal woorden van het artikel gedeeld door het aantal auteurs. Op die wijze krijgt elk van de deelnemers eenzelfde aantal opleidingspunten voor het artikel. Iedere 500 woorden, exclusief voetnoten, in een deel leveren dan een opleidingspunt op.

Onderdeel d bepaalt dat opleidingspunten kunnen worden verkregen voor deelname aan kwaliteitstoetsen in de vorm van intervisie of peer review met een maximum van vier per jaar. Deze punten worden aangemerkt als niet-juridische punten. Indien in het kader van de verplichting kwaliteitstoetsen (artikel 4.3a) wordt gekozen voor de vorm intervisie dan kunnen van de verplichte acht uur per jaar vier uur worden opgevoerd als vier niet-juridische opleidingspunten. Het maximum dat voor intervisie per jaar kan worden opgevoerd is daarmee bereikt en dat betekent dat indien daarnaast in een ander verband wordt deelgenomen aan intervisie die uren niet kunnen worden opgevoerd als opleidingspunten. Hetzelfde geldt voor de vorm peer review. Indien aan beide vormen wordt deelgenomen, kunnen punten voor beide vormen worden opgevoerd met een maximum per vorm van vier punten per jaar. Voor de reviewer en de gespreksleider geldt dat zij ook voor ieder heel uur dat zij optreden als peer reviewer of gespreksleider punten kunnen opvoeren met een maximum van vier uur per jaar. Het behalen van opleidingspunten staat los van de verplichting deel te nemen aan kwaliteitstoetsen. Indien een advocaat vier uur per jaar aan intervisie doet, kan de advocaat vier niet-juridische opleidingspunten opvoeren. Daarmee is echter niet voldaan aan de zelfstandige norm van artikel 4.3a inzake de deelname aan kwaliteitstoetsen. Voor intervisie geldt immers dat minimaal acht uur per jaar hieraan moet worden besteed. Voor deelname aan gestructureerd intercollegiaal overleg worden geen punten toegekend.

Onderdeel e maakt het mogelijk dat de advocaat ook voor andere activiteiten opleidingspunten kan behalen. De activiteiten moeten bijdragen aan kennis die relevant is voor de praktijk van de advocaat. Te denken valt aan nevenwerkzaamheden of het schrijven van juridische adviezen in het kader van een adviescommissie van de Nederlandse orde van advocaten. De algemene raad kan het aantal opleidingspunten dat voor deze activiteiten wordt berekend maximeren.

Op grond van het zesde lid, onderdeel b, kan de algemene raad regels stellen over de erkenning van opleidingsinstellingen. Een opleidingsinstelling is een juridische entiteit, zoals een vennootschap. De opleidingsinstelling kan dus ook een vennootschap onder firma zijn of een maatschap. Een handelsnaam kan derhalve niet worden erkend.

In het zevende lid is opgenomen dat een advocaat moet aantonen dat opleidingspunten zijn behaald. Daarvoor zijn adequate bewijsstukken noodzakelijk. De advocaat geeft daarbij aan op welke geregistreerde rechtsgebieden de opleidingspunten zien en bij welke activiteiten de opleidingspunten zijn behaald. De deken kan immers aan een advocaat vragen of deze heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 4.4, eerste tot en met vierde lid. Ingeval een advocaat een opleiding heeft gevolgd aan een erkende opleidingsinstelling volstaat het certificaat met daarop de vermelding van de behaalde opleidingspunten met puntenlogo. Indien een advocaat een opleiding heeft gevolgd aan een opleidingsinstelling die niet is erkend, zal nader moeten worden onderzocht of wordt voldaan aan de vereisten van artikel 4.4, vijfde lid en artikelen 14 en 15 van de Regeling op de advocatuur.

Voor het gevolgd hebben van onderwijs zijn adequate bewijsstukken het bewijs van deelname, waarbij aanwezigheidsregistratie moet hebben plaatsgevonden, een overzicht van urenbelasting, doelgroepomschrijving en een inzichtelijk cursusprogramma. Voor het geven van juridisch academisch of postacademisch onderwijs een bewijs van docentschap met het aantal daadwerkelijk gegeven uren en een doelgroepomschrijving. Voor een juridisch artikel het geschreven en in de rechtsliteratuur gepubliceerde artikel. Voor deze en andere activiteiten kunnen ook andere bewijstukken adequaat zijn. Het zevende lid laat onverlet de bevoegdheid van de deken om naast deze documenten nadere gegevens op te vragen.

Artikel 4.5 Inhaalverplichting

  1. Indien een advocaat niet voldoet aan het bepaalde in artikel 4.4, eerste, derde en vierde lid haalt hij uiterlijk binnen twaalf maanden na afloop van het desbetreffende kalenderjaar het tekort aan opleidingspunten in.
  2. De op grond van het eerste lid ingehaalde opleidingspunten gelden niet als opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, of als overschot als bedoeld in het artikel 4.4, vierde lid.
  3. Dit artikel laat onverlet dat de deken een dekenbezwaar kan indienen op grond van artikel 46f van de Advocatenwet.

Het doel van de bepalingen in dit hoofdstuk is dat de advocaat zijn vakbekwaamheid onderhoudt. Het niet behalen van opleidingspunten is tuchtrechtelijk laakbaar en bestuursrechtelijk handhaafbaar beboetbaar (artikel 45g  van de Advocatenwet). Met het instellen van een dekenbezwaar of een eventuele daaropvolgende veroordeling is het tekort aan opleidingspunten echter nog niet hersteld. Vandaar dat dit artikel bepaalt dat de advocaat een tekort aan opleidingspunten moet herstellen in het jaar volgend op het jaar waarin onvoldoende opleidingspunten zijn behaald. De advocaat kan die ‘ingehaalde’ opleidingspunten in dat jaar niet mee laten tellen als reguliere opleidingspunten of op een later tijdstip inzetten om een tekort te compenseren (zie het tweede lid). De in te halen punten komen daardoor bovenop de regulier te behalen opleidingspunten in een kalenderjaar (artikel 4.4, eerste en tweede lid, van de verordening).

De inhaalverplichting geldt niet voor artikel 4.4, tweede lid, van de Voda (opleidingspunten voor rechtsgebieden). Een tekort aan opleidingspunten voor rechtsgebieden (zonder dat dit tekort op grond van het vierde lid kan worden gecompenseerd) leidt ertoe dat een advocaat zich niet (langer) op deze rechtsgebieden mag registeren op grond van artikel 6.32 van de Voda. Staat hij reeds geregistreerd, dan dient hij dit op grond van artikel 6.32, derde lid, aan te passen.

Het derde lid maakt duidelijk dat de advocaat in overtreding is zodra hij zijn opleidingspunten niet haalt, ook als hij van plan is deze te gaan inhalen. Artikel 4.5 bevat geen recht op een tekort, maar een verplichting die een eerder tekort beoogt te herstellen. Zowel niet voldoen aan artikel 4.4 als niet voldoen aan artikel 4.5 is tuchtrechtelijk laakbaar en op grond van artikel 45g van de Advocatenwet administratiefrechtelijk handhaafbaar. De inhaalverplichting in dit artikel is ook van toepassing als de deken een dekenbezwaar heeft ingediend. 

Artikel 4.6 Herintredersregeling

  1. Een advocaat die meer dan een jaar niet ingeschreven heeft gestaan, behaalt in de twaalf maanden na zijn beëdiging twintig opleidingspunten met juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied, onverminderd het bepaalde in artikel 4.4, eerste, tweede en derde lid.
  2. Een advocaat kan bij de raad van de orde binnen vier weken na beëdiging gehele of gedeeltelijke vrijstelling verzoeken van het eerste lid, waarbij hij aantoont dat hij voldoende actuele kennis heeft van de voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden.
  3. De raad van de orde kan voorwaarden verbinden aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.6 bevat een herintredersregeling. Die is bedoeld voor bijvoorbeeld advocaten die enige tijd geschrapt zijn en na meer dan een jaar weer de praktijk willen gaan uitoefenen. De heringetreden advocaat dient aanvullend op de hoofdregel (artikel 4.4, eerste en tweede lid, van de verordening) nog twintig opleidingspunten te behalen met opleiding over juridische onderwerpen op voor de praktijk van de advocaat relevante rechtsgebieden. Deze opleidingspunten dienen te worden behaald gedurende de eerste twaalf maanden na zijn inschrijving. Een herintredende advocaat die halverwege het jaar wordt beëdigd, moet dus voor 1 juli van het daaropvolgende jaar twintig punten hebben behaald. Deze opleidingspunten komen bovenop de opleidingspunten die hij op grond van artikel 4.4, eerste lid juncto derde lid, dient te behalen en de opleidingspunten die hij op grond van artikel 4.4, tweede lid, per rechtsgebied dient te behalen. De herintrederspunten kunnen in tegenstelling tot de reguliere opleidingspunten niet worden behaald met vaardighedentrainingen of andere niet-juridische cursussen. Het doel van de regeling is de kennisachterstand te herstellen die de advocaat heeft opgelopen door de praktijk enige tijd niet uit te oefenen. Met de eis dat de opleidingspunten moeten worden behaald met het volgen of geven van een juridisch inhoudelijke opleiding of het schrijven van juridische artikelen, is het beste gewaarborgd dat de kennis van de herintredende advocaat snel actueel zal zijn.

In het tweede lid is bepaald dat de raad van de orde kan afwijken van de eis om twintig extra opleidingspunten te behalen. Het kan immers voorkomen dat de kennis en kunde van de heringetreden advocaat van dien aard is dat een gehele of gedeeltelijke vrijstelling is gerechtvaardigd. De advocaat hoeft dan maar een deel of in het geheel geen extra opleidingspunten te behalen. De heringetreden advocaat dient te motiveren waarom hij van mening is dat vermindering van het aantal te behalen opleidingspunten dient plaats te vinden. Een reden kan zijn dat de heringetreden advocaat tot kort voor herintreding juridische werkzaamheden heeft verricht vergelijkbaar met de advocatuurlijke praktijk dan wel gedurende de tijd dat hij niet ingeschreven stond een juridische opleiding heeft gevolgd. Het ligt voor de hand de bevoegdheid om af te wijken van de hoofdregel te leggen bij de raden van de orde gezien hun bevoegdheden inzake de inschrijving van advocaten. Een door de raad van de orde verleende vrijstelling is een beschikking in de zin van de Awb, waartegen administratief beroep openstaat bij de algemene raad op grond van artikel 8.3, tweede lid. Dit geldt ook voor een gedeeltelijk verleende of geweigerde vrijstelling.

De raad van de orde kan aan de vrijstelling, gelet op de rol van de advocaat en het belang van de rechtzoekenden, voorwaarden verbinden op grond van het derde lid. Hierbij valt te denken aan de verplichting om de opleidingspunten waarvoor geen vrijstelling is verleend op één bepaald rechtsgebied te behalen.

Artikel 4.7 Langdurige ziekte of zwangerschap

  1. Indien een advocaat de praktijk meer dan zes maanden niet heeft uitgeoefend in verband met ziekte kan hij een beroep doen op toepassing van het tweede tot en met het vierde lid.
  2. Artikel 4.3.a eerste lid, artikel 4.3b eerste lid en artikel 4.4, eerste, en tweede lid, zijn niet van toepassing zo lang de advocaat de praktijk niet uitoefent. Artikel 4.5 is niet van toepassing op een tekort aan opleidingspunten ontstaan voordat het onderhavige derde en vijfde lid van toepassing werden.
  3. Op het moment dat de advocaat de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat:
    1. wordt het aantal opleidingspunten, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, dat hij dient te behalen in het kalenderjaar dat hij de praktijkuitoefening hervat, naar rato verminderd overeenkomstig artikel 4.4, derde lid; en
    2. behaalt de advocaat binnen twaalf maanden op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied;
      • vijf opleidingspunten indien de advocaat minder dan twaalf maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend;
      • tien opleidingspunten indien de advocaat twaalf maanden of meer maar minder dan vierentwintig maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend;
      • twintig opleidingspunten indien de advocaat meer dan vierentwintig maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend.
    3. wordt het aantal uren, bedoeld in artikel 4.3a, eerste lid, sub a, en artikel 4.3b, eerste lid, dat de advocaat verplicht is deel te nemen, naar rato verminderd met twee uur per drie maanden waarin hij de praktijk in het kalenderjaar niet heeft uitgeoefend wegens langdurige ziekte of zwangerschap.
  4. Indien een advocaat in het kalenderjaar waarin hij de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat minder dan zes maanden de praktijk uitoefent, is artikel 4.4, tweede lid, niet van toepassing in dat kalenderjaar.
  5. Een advocaat kan binnen vier weken nadat hij de praktijk geheel of gedeeltelijk heeft hervat de raad van de orde verzoeken om gehele of gedeeltelijke vrijstelling van het derde lid, onderdeel b, waarbij hij aantoont dat hij voldoende actuele kennis heeft van de voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden. De raad van de orde kan aan de vrijstelling voorwaarden verbinden.
  6. Indien een advocaat in verband met zwangerschap ten minste 16 weken de praktijk niet heeft uitgeoefend zijn het derde lid, sub c en artikel 4.4, derde lid, van toepassing.

Ook een advocaat die ziek is en daardoor de praktijk niet of slechts gedeeltelijk uitoefent, moet voldoen aan de verplichting uit hoofde van de kwaliteitstoetsen (artikel 4.3a en 4.3b) en de opleidingspunten (artikel 4.4, eerste en tweede lid). Als hij in een jaar te weinig opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de verordening heeft behaald, geldt de inhaalverplichting van artikel 4.5 ook voor hem.

Echter, indien de ziekte ertoe leidt dat hij de praktijk langer dan zes maanden in het geheel niet uitoefent, biedt artikel 4.7 een voorziening. De advocaat kan dan verzoeken om toepassing van het artikel, ook al voor hij de uitoefening van de praktijk hervat. De advocaat doet zijn verzoek bij de raad van de orde. De raad van de orde heeft niet de mogelijkheid het verzoek te weigeren indien de advocaat voldoet aan het vereiste dat hij de praktijk een half jaar of langer niet heeft uitgeoefend wegens ziekte. De advocaat zal dit aannemelijk moeten maken, bijvoorbeeld door een doktersverklaring over te leggen. 

Het effect van de toepassing van dit artikel is in twee aspecten te onderscheiden. Deze aspecten zijn beschreven in het tweede onderscheidenlijk derde en vierde lid. Het tweede lid ziet op verplichtingen die (tijdelijk) niet van toepassing zijn. Het derde en vierde lid zien op de verplichtingen indien de praktijk weer wordt hervat.

De advocaat op wie dit artikel van toepassing is, hoeft niet te voldoen aan de kwaliteitstoetsen als bedoeld in artikel 4.3a en 4.3b en geen opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, eerste en tweede lid, van de verordening te halen zo lang hij de praktijk niet uitoefent. Dat geldt voor de ‘reguliere’ opleidingspunten, bedoeld in artikel 4.4, eerste en tweede lid, van de verordening en, voor wat betreft de opleidingspunten, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, voor de inhaalverplichting van artikel 4.5. De advocaat kan te dezen tuchtrechtelijk niets worden verweten, vanaf het moment dat dit artikel op hem van toepassing is.

Voorbeeld 1: 

In een kalenderjaar is de advocaat ziek en oefent de praktijk niet uit sinds maart. In oktober verzoekt hij om toepassing van artikel 4.7. Zo lang hij de praktijk niet uitoefent wegens ziekte, hoeft de advocaat geen opleidingspunten te halen en niet te voldoen aan de kwaliteitstoetsen.

Het kan zijn dat de advocaat in het jaar daaraan voorafgaand te weinig punten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de verordening heeft gehaald, terwijl hij niet ziek was of de praktijk nog (gedeeltelijk) uitoefende. In dat geval is het niét voldaan hebben aan artikel 4.4, eerste lid, in dat voorgaande jaar, wèl laakbaar. Maar de advocaat is niét gehouden de opleidingspunten in te halen op grond van artikel 4.5, indien dit artikel 4.7 op hem van toepassing is. Deze in te halen punten zijn daarmee kwijtgescholden. De inhaalverplichting van artikel 4.5 geldt niet voor een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de verordening dat is ontstaan voordat de advocaat wegens ziekte de praktijk niet meer uitoefende. Tijdens de ziekte langer dan zes maanden ontstaat geen tekort aan opleidingspunten (tweede lid), dus is vanzelfsprekend dat de inhaalverplichting van artikel 4.5 dan evenmin van toepassing is. Het is denkbaar dat de advocaat nog niet voldoet aan de voorwaarde voor de toepassing van dit artikel op het moment dat een tekort aan opleidingspunten wordt geconstateerd (zie voorbeeld 5 hieronder). Als de advocaat de praktijk niet uitoefent vanwege ziekte, en hij doet op een later moment een beroep op deze ziekteregeling, dan vervalt het tekort op dat moment alsnog. Maar als de ziekte (of het niet uitoefenen van de praktijk) korter duurt dan zes maanden, dan kan de advocaat geen beroep doen op artikel 4.7 en blijft het tekort en, voor wat betreft de opleidingspunten, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de verordening, de inhaalverplichting bestaan.

Een tweede effect van de toepassing van dit artikel is beschreven in het derde en vierde lid. 

Allereerst moet hij in de rest van het kalenderjaar naar rato het aantal opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de verordening halen, afhankelijk van het moment waarop de advocaat de praktijkuitoefening hervat (zie de tabel in de toelichting op artikel 4.4). Als hij dus halverwege het jaar de praktijkuitoefening hervat, dan moet de advocaat tien opleidingspunten halen in dat kalenderjaar (derde lid, onderdeel a).

Ten tweede is op de advocaat de verplichting om ten minste tien opleidingspunten per te registreren rechtsgebied (artikel 4.4, tweede lid) van toepassing op het moment dat hij de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat. Indien de advocaat in het kalenderjaar waarin hij de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat, evenwel minder dan zes maanden de praktijk uitoefent, geldt voornoemde verplichting niet (artikel 4.7, vierde lid). Hiermee is aangesloten bij de zes maandentermijn in artikel 4.4, tweede lid, van de verordening. 

Voorbeeld 2: 

Indien de advocaat na een ziekte van meer dan zes maanden in augustus de praktijk geheel of gedeeltelijk hervat, resteren in dat kalenderjaar minder dan zes maanden. Op grond van artikel 4.7, vierde lid, geldt de verplichting, bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, in dat kalenderjaar niet. Voor de verplichte opleidingspunten, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de verordening, geldt de naar rato-regeling (artikel 4.4, derde lid).

Ten derde moet de advocaat een aantal extra punten halen, vergelijkbaar met de herintredersregeling (derde lid, onderdeel b). Het aantal opleidingspunten dat hij moet behalen is afhankelijk van de duur van het niet uitoefenen van de praktijk in verband met de ziekte. Na zes maanden ziekte moet de advocaat vijf opleidingspunten extra halen. Na een jaar ziekte is dat aantal tien en na twee jaar ziekte is het aantal gelijk aan het aantal dat een herintreder moet halen, namelijk twintig. Hij heeft dan tevens twaalf maanden om deze extra punten te halen. De raad van de orde kan hiervoor gedeeltelijke vrijstelling verlenen (artikel 4.7, vijfde lid). De vrijstelling kan worden verleend indien de advocaat voldoende actuele kennis heeft of heeft opgedaan. De advocaat zal naar verwachting in geval van ziekte niet andere juridisch relevante werkervaring opgedaan hebben. Maar het is niet uitgesloten dat hij gepubliceerd heeft, of een cursus gevolgd of gegeven. In die gevallen zou de raad van de orde een vrijstelling kunnen verlenen. 

Ten vierde geldt een ‘naar rato regeling’ voor de verplichting uit hoofde van de kwaliteitstoetsen indien gekozen is voor de vormen intervisie of gestructureerd intercollegiaal overleg. Er geldt geen inhaalverplichting. De omvang van het aantal uur dat in mindering kan worden gebracht is afhankelijk van het moment waarop de praktijk niet meer wordt uitgeoefend en weer wordt hervat.  

 

Voorbeeld 3: 

Een advocaat hervat in maart van een kalenderjaar de praktijk na een ziekte van negen maanden (beginnend in juni). Hij doet bij de raad van de orde een beroep op toepassing van dit artikel. Een tekort aan opleidingspunten in het voorgaande jaar is dan niet laakbaar. Hij moet dan op grond van artikel 4.4, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 4.7, derde lid, aanhef en onderdeel a, voor het einde van dat kalenderjaar zeventien opleidingspunten halen (zie tabel in toelichting bij artikel 4.4) alsmede op grond van artikel 4.4, tweede lid, ten minste tien opleidingspunten op ieder te registreren rechtsgebied. Hij moet daarnaast vijf opleidingspunten halen vóór maart van het daaropvolgende kalenderjaar. Eventuele achterstanden in opleidingspunten in het voorgaande kalenderjaar zijn kwijtgescholden en deze hoeft hij niet in te halen op grond van artikel 4.5. Met betrekking tot de verplichting uit hoofde van de kwaliteitstoetsen geldt dat ingevolge het tweede lid de verplichting tijdens de afwezigheid niet van toepassing is. Er geldt geen inhaalverplichting, bij hervatting in maart, betekent dat voor dat jaar de ‘naar rato regeling’ niet geldt omdat de afwezigheid minder dan drie maanden is.  

Voorbeeld 4: 

Aan het begin van een kalenderjaar heeft een advocaat al tien opleidingspunten behaald. Hij hoefde geen punten in te halen. In april wordt de advocaat ziek en stopt hij met de uitoefening van de praktijk. De advocaat raakt aan de beterende hand en wil de praktijk in december weer oppakken. Het is de vraag of het voor hem gunstig is om een beroep te doen op de ziekteregeling. Als hij geen beroep op de ziekteregeling doet moet hij in de maand december tien opleidingspunten halen. Doet hij wel een beroep op de ziekteregeling, dan moet hij in december twee opleidingspunten halen (derde lid, onderdeel a) en voor december in het daaropvolgende jaar nog eens vijf punten extra. Voor deze advocaat kan het inroepen van de ziekteregeling dus gunstig zijn. Die afweging kan anders uitvallen als hij meer punten zou hebben gehaald aan het begin van het jaar. Met betrekking tot de verplichting uit hoofde van de kwaliteitstoetsen geldt dat vier uur in mindering kan worden gebracht gelet op de afwezigheid van april tot december (meer dan zes maanden afwezig).

Voorbeeld 5: 

Een advocaat wordt in november van een jaar ziek. Hij heeft in dat jaar nog geen opleidingspunten gehaald. Op de laatste dag van december van dat jaar voldoet hij (nog) niet aan de voorwaarden om de ziekteregeling in te roepen. Naar de letter van de regeling voldoet de advocaat niet aan artikel 4.4. In het daaropvolgende jaar is de inhaalverplichting op hem van toepassing. In mei voldoet deze advocaat aan de voorwaarden van de ziekteregeling.

Indien de advocaat geen toepassing zou geven aan de ziekteregeling, zou hij bij hervatting van de praktijk in dat resterende deel van het jaar 40 opleidingspunten moeten halen. Hij verzoekt om toepassing van deze regeling want dan moet hij bij hervatting van de praktijk in juni, nog twaalf opleidingspunten halen, en voor juni van het jaar erop nog eens vijf opleidingspunten extra halen. Het tekort dat geconstateerd werd op 1 januari vervalt omdat de ziekteregeling na het ontstaan van het tekort van toepassing werd. Op grond van het tweede lid is de inhaalverplichting op dat tekort dus niet van toepassing. Voor de kwaliteitstoetsen geldt dat bij hervatting van de praktijk in juni voor dat kalender jaar een beroep kan worden gedaan op de ‘naar rato regeling’ van vermindering van twee uur.  

Afwezigheid wegens zwangerschap 

Onder het niet uitoefenen van de praktijk ‘in verband met zwangerschap’ wordt bedoeld dat een advocaat gedurende de periode dat de praktijk niet wordt uitgeoefend wegens zwangerschapsverlof en/of bevallingsverlof geen opleidingspunten behoeft te behalen en niet hoeft deel te nemen aan de kwaliteitstoetsen. Een eventueel opnemen van ouderschapsverlof valt niet onder deze regeling.

 

In geval een advocaat ten minste 16 weken afwezig is vanwege zwangerschap kan een beroep worden gedaan op vermindering van de verplichting uit hoofde van de opleidingspunten en uit hoofde van de kwaliteitstoetsen. Voor beide verplichtingen geldt dat de ‘naar rato regeling’ dan van toepassing is. Voor de opleidingspunten geldt de ‘naar rato regeling’, zoals bepaald in artikel 4.4, derde lid van de Voda voor de kwaliteitstoetsen, zoals bepaald in artikel 4.7, derde lid, onderdeel c van de Voda. Voor de opleidingspunten komt dit neer op een vermindering van circa zes PO punten op een totaal van 20 PO-punten. Voor de kwaliteitstoetsen komt dit in de regel neer op vermindering van twee uur, behalve ingeval de afwezigheid over twee kalenderjaren is verdeeld en in een kalenderjaar de afwezigheid geen drie maanden betreft. Een verzoek om vermindering hoeft niet te worden ingediend bij de raad van de orde. De advocaat kan bij de CCV een vermindering invullen. 

Voorbeeld 1: 

Verlofperiode in één kalenderjaar van 18 april tot en met 22 augustus: 

-aantal te behalen opleidingspunten tot 18 april: 7

-aantal te behalen opleidingspunten na 22 augustus: 9

-totaal aantal te behalen opleidingspunten: 16

-totaal aantal uur deelname intervisie/gestructureerd intercollegiaal overleg: 6

Voorbeeld 2: 

Verlofperiode in twee kalenderjaren van 1 december tot en met 1 april:

-totaal aantal te behalen opleidingspunten tot 1 december (eerste kalenderjaar): 20

-totaal aantal te behalen opleidingspunten vanaf 1 april (tweede kalenderjaar): 15

-totaal aantal uur deelname intervisie/gestructureerd intercollegiaal overleg tot 1 december (eerste kalenderjaar): 8;

-totaal aantal uur deelname intervisie/gestructureerd intercollegiaal overleg vanaf 1 april (tweede kalenderjaar): 6 

Voorbeeld 3:

Verlofperiode in twee kalenderjaren van 1 november tot en met 1 maart:

-totaal aantal te behalen opleidingspunten tot 1 november (eerste kalenderjaar): 19

-totaal aantal te behalen opleidingspunten vanaf 1 maart (tweede kalenderjaar): 17

-totaal aantal uur deelname intervisie/gestructureerd intercollegiaal overleg (eerste kalenderjaar): 8

-totaal aantal uur deelname intervisie/gestructureerd intercollegiaal overleg (tweede kalenderjaar): 8

Navigeer inhoud van  Verordening op de advocatuur

Navigeer inhoud van Verordening op de advocatuur

Uitgelicht

Wet- en regelgeving

Alle wet- en regelgeving voor de advocatuur. Van de Advocatenwet tot de Verordening op de advocatuur (Voda) en de Regeling op de advocatuur (Roda).

Voor uw praktijk

Ondersteuning voor advocaten bij hun beroepsuitoefening: van de advocatenpas tot het rechtsgebiedenregister en geheimhoudernummers.