Paragraaf 6.5.1 Derdengelden

Artikel 6.18 Reikwijdte derdengelden

Afdeling 6.5 is niet van toepassing op de advocaat die optreedt in een hoedanigheid die het gevolg is van een rechterlijke benoeming, indien en voor zover daarbij voorzien is in een regeling voor het beheer van derdengelden.

Artikel 6.18

De afdeling over derdengelden is niet van toepassing als de advocaat optreedt in een hoedanigheid die het gevolg is van een rechterlijke benoeming en bij die benoeming een voorziening voor derdengelden is getroffen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een curator of een bewindvoerder. In een aantal arrondissementen geldt een bijzondere, door de rechter-commissaris gecontroleerde regeling voor het beheer van failliete boedels. In die arrondissementen zal de advocaat zich moeten houden aan die regeling. In dat geval is paragraaf 6.5.1 niet op hem van toepassing. Zie ook de landelijke Richtlijnen in faillissementen en surseances van betaling, opgesteld door het landelijk overleg van rechters-commissarissen in faillissementen (Recofa).

Artikel 6.19 Derdengelden

  1. Een advocaat draagt er zorg voor dat derdengelden worden overgemaakt hetzij rechtstreeks naar de rechthebbende, hetzij naar de bankrekening van de stichting derdengelden die hem ter beschikking staat.
  2. Een advocaat die derdengelden onder zich heeft, maakt de gelden zodra de gelegenheid zich voordoet over naar de bankrekening van de stichting derdengelden of van de rechthebbende, en administreert het bedrag, de datum en wijze van ontvangst, de datum van overmaking, de begunstigde en de naam van de behandelend advocaat.
  3. Een advocaat doet derdengelden niet tot zekerheid strekken van hemzelf, zijn praktijk of enige derde.
  4. Een advocaat kan met de rechthebbende schriftelijk overeenkomen dat derdengelden worden aangewend ter voldoening van een eigen declaratie. Indien de rechthebbende de declaratie binnen een redelijke termijn betwist, vervalt het recht om derdengelden aan te wenden ter voldoening van deze declaratie.
  5. Indien derdengelden zijn aangewend ter voldoening van een eigen declaratie, bevestigt de advocaat dit schriftelijk aan de rechthebbende.

 

 

Artikel 6.19

Het eerste lid bevat een zorgplicht voor de advocaat die er op toe moet zien dat derdengelden niet naar hemzelf worden overgemaakt. Als uiting van deze zorgplicht is de advocaat gehouden zo duidelijk mogelijk te zijn in de correspondentie over de bankrekening waarnaar bedragen moeten worden overgemaakt. Vermelding van een bankrekeningnummer op het briefpapier wordt afgeraden, omdat daardoor verwarring kan ontstaan. Als een advocaat niettemin één of meerdere bankrekeningnummers op het briefpapier wenst te vermelden, moet duidelijk zijn of het gaat om het bankrekeningnummer van het kantoor of van de stichting derdengelden.

Het tweede lid regelt de situatie dat derdengelden toch aan de advocaat zelf worden overgemaakt. In dat geval dient hij deze onverwijld over te maken aan de rechthebbende dan wel – indien dat nog niet mogelijk of wenselijk is – aan de eigen stichting derdengelden. De hoofdregel is dat de derdengelden zo snel mogelijk naar de rechthebbende worden overgemaakt. Het parkeren van derdengelden zonder noodzaak op de rekening van de stichting derdengelden is dus niet toegestaan. Het is ook niet toegestaan derdengelden in opdracht van de cliënt te gebruiken voor het betalen van bijvoorbeeld vorderingen van derden op de cliënt, het zogenaamde bankieren met de derdenrekening. De advocaat dient de betalingen zorgvuldig te registreren, zodanig dat dit achteraf door de accountant of toezichthouder is te verifiëren.

Het derde lid bepaalt dat de derdengelden niet tot zekerheid kunnen dienen. Dat is logisch omdat de stichting derdengelden of de advocaat niet de rechthebbende is van de gelden. Als de derdengelden wel tot zekerheid zouden kunnen worden gesteld, worden deze daardoor wel betrokken bij een eventueel faillissement. De regelgeving is juist bedoeld om dat te voorkomen.

Het vierde lid maakt het onder voorwaarden mogelijk dat derdengelden, die zijn ontvangen op de derdengeldenrekening, worden aangewend voor de betaling van de eigen declaratie van de advocaat. Hieronder wordt zowel verstaan de declaratie die een advocaat verstuurt aan zijn cliënt als de declaratie die de advocaat indient bij de Raad voor Rechtsbijstand in het geval het een toevoegingszaak betreft. Voorwaarde is dat de cliënt hier expliciet mee instemt en dat de instemming schriftelijk is vastgelegd. Door de schriftelijke vastlegging kan de advocaat altijd aantonen dat hij met instemming van de cliënt gelden van de derdenrekening heeft gebruikt voor de eigen declaratie.

De expliciete instemming van de cliënt kan plaatsvinden bij aanvang van de dienstverlening maar kan niet op grond van algemene voorwaarden van de advocaat of het kantoor worden verondersteld.

De advocaat gebruikt geen derdengelden voor de eigen declaratie, indien de cliënt de declaratie binnen redelijke termijn betwist of de instemming (mondeling of schriftelijk) intrekt. Het begrip betwisting wordt ruim opgevat en er worden hieraan geen vormvereisten gesteld. Het uitgangspunt is dat de gelden de cliënt toekomen en dat de cliënt derhalve bepaalt of zij mogen worden gebruikt om een declaratie van de advocaat te voldoen. Als redelijke termijn kan de betalingstermijn van de declaratie als uitgangspunt worden genomen. Derdengelden worden in beginsel pas gebruikt als de betalingstermijn is verstreken, in het bijzonder indien de declaratie naar verwachting aanleiding zou kunnen geven tot discussie.

Het vijfde lid bepaalt dat indien derdengelden daadwerkelijk zijn aangewend ter voldoening van een eigen declaratie, de advocaat dit schriftelijk aan de rechthebbende bevestigt. Indien de cliënt hiertegen alsnog bezwaar maakt, is de advocaat gehouden de betaling ongedaan te maken.

Artikel 6.20 Waardepapieren en kostbaarheden

  1. Artikel 6.19 is, zo mogelijk, van overeenkomstige toepassing op waardepapieren en kostbaarheden die de advocaat bij wijze van derdengelden ontvangt.
  2. De advocaat mag slechts gelden, geldswaardige papieren, kostbaarheden of andere zaken aannemen of bewaren, indien hij zich ervan heeft vergewist welke gelden, geldswaardige papieren, kostbaarheden of andere zaken het betreft en zich ervan heeft overtuigd dat dit in het kader van een door hem behandelde zaak een redelijk doel dient.

Artikel 6.20

In het eerste lid is opgenomen dat de regels met betrekking tot derdengelden ook van toepassing zijn op waardepapieren en kostbaarheden die de advocaat als derdengelden ontvangt. De advocaat moet zich er wel van vergewissen dat hij het tweede lid van dit artikel niet overtreedt. Het komt voor dat een advocaat wordt verzocht gelden, geldswaardige papieren, kostbaarheden of andere zaken aan te nemen. Men kan hierbij denken aan het verzoek van een cliënt of tussenpersoon een gesloten envelop met inhoud voor kortere of langere tijd te bewaren of onder zich te houden. De advocaat riskeert in dat geval dat cliënten hem vanwege zijn verschoningsrecht misbruiken als dekmantel voor belastingvergrijpen en/of strafrechtelijke vergrijpen. Medewerking verlenen aan dergelijke verzoeken is niet toegestaan. De advocaat mag uitsluitend zaken en goederen aannemen indien dat in het kader van de door hem behandelde zaak een redelijk doel dient. Dit voorschrift geldt eveneens wanneer de gelden, geldswaardige papieren, kostbaarheden of andere zaken niet als derdengelden worden toevertrouwd aan de advocaat.

Navigeer inhoud van  Verordening op de advocatuur

Navigeer inhoud van Verordening op de advocatuur

Uitgelicht

Wet- en regelgeving

Alle wet- en regelgeving voor de advocatuur. Van de Advocatenwet tot de Verordening op de advocatuur (Voda) en de Regeling op de advocatuur (Roda).

Voor uw praktijk

Ondersteuning voor advocaten bij hun beroepsuitoefening: van de advocatenpas tot het rechtsgebiedenregister en geheimhoudernummers.