Paragraaf 2.1.3 Commissie cassatie
Artikel 2.8 Leden van de commissie cassatie
- Er is een commissie cassatie die bestaat uit ten minste vijf leden die deskundig zijn op het terrein van cassatie in burgerlijke zaken.
- Een lid van de commissie cassatie is geen lid van of niet werkzaam bij:
- de Hoge Raad
- het parket bij de Hoge Raad;
- een orgaan van de Nederlandse orde van advocaten;
- een orgaan van de orde van advocaten in een arrondissement, uitgezonderd de jaarlijkse vergadering van de orde, bedoeld in artikel 17a, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Advocatenwet;
- de raden van discipline; of
- het hof van discipline.
Artikel 2.9 Taakomschrijving commissie cassatie
Een door de algemene raad te bepalen aantal leden van de commissie cassatie heeft tot taak namens de algemene raad het mondeling examen, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, onderdeel b, af te nemen van advocaten die de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ wensen te verkrijgen en de proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, af te nemen van advocaten bij de Hoge Raad.
Artikel 2.10 Benoeming leden commissie cassatie
- De algemene raad benoemt de leden van de commissie cassatie voor een periode van ten hoogste vier jaar.
- Een lid kan eenmaal worden herbenoemd.
Artikel 2.11 Werkwijze commissie cassatie
- De algemene raad wijst uit de leden een voorzitter aan.
- De commissie cassatie stelt haar werkwijze vast in overleg met de algemene raad.
Artikel 9j, derde lid van de Advocatenwet draagt het college van afgevaardigden op bij verordening regels te stellen over het verkrijgen, het behoud en het verlies van de hoedanigheid van advocaat bij de Hoge Raad, alsmede de aantekening op het tableau. Met het stellen van vakbekwaamheidseisen die op de cassatiepraktijk toegesneden zijn, wordt beoogd dat bij beroepen in cassatie deugdelijke schriftelijke stukken worden ingediend. Deze vakbekwaamheidseisen zijn opgenomen in afdeling 4.2 van deze verordening; deze gelden naast de vakbekwaamheidseisen die zijn opgenomen in afdeling 4.1 en die aan iedere advocaat worden gesteld. Paragraaf 2.1.3 regelt de instelling en taken van de commissie cassatie. De instelling van de commissie berust op artikel 9j, vijfde lid, van de Advocatenwet. Dat artikellid bepaalt dat de algemene raad zorg draagt voor de uitvoering van de aangelegenheden, bedoeld in het derde lid van artikel 9j van de Advocatenwet. De algemene raad kan mandaat en machtiging verlenen aan de commissie dan wel enkele leden daarvan voor het nemen van beschikkingen onderscheidenlijk het uitoefenen van de hierboven bedoelde taken. De commissie cassatie verricht deze bevoegdheden en handelingen uit namens de algemene raad. De algemene raad faciliteert op grond van artikel 2.25 de commissie met een secretariaat. De leden en het secretariaat van de commissie civiele cassatie zijn ingevolge artikel 2:5 van de Awb tot geheimhouding verplicht ten aanzien van vertrouwelijke gegevens die hun in die functie ter kennis komen. De commissie cassatie brengt jaarlijks aan de algemene raad een verslag uit over haar werkzaamheden. De algemene raad neemt op zijn beurt de cijfers op in het jaarverslag van de Nederlandse orde van advocaten.