Artikel 3.25
Een opleidingsinstelling kan geaccrediteerd worden om de onderwijsonderdelen ‘kantoorspecifieke vaardigheden’, ‘juridisch-inhoudelijke kennis’ én ‘voorbereiding integratieve dagen’ te mogen aanbieden.
Bij de aanvraag dient in ieder geval een beschrijving van de in artikel 3.22a beschreven onderwerpen te worden overlegd.
Op grond van het zesde lid worden regels gesteld over het proces van de aanvraag van de accreditatie. Het voornemen is om voor de materiële eisen te verwijzen naar het krachtens artikel 3.22a vastgestelde kwaliteits- en accreditatiekader.
De algemene raad verleent de accreditatie indien de opleiding de onderwijsonderdelen, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 3°, 4° én 5°, omvat, de opleidingsinstelling en de opleiding voldoen aan de door de algemene raad vastgestelde kwaliteits- en accreditatiekader, bedoeld in het 3.22a, en de continuïteit van het onderwijs is gewaarborgd. Dat een accreditatie ziet op de onderwijsonderdelen ‘kantoorspecifieke vaardigheden’, ‘juridisch-inhoudelijke kennis’ en ‘voorbereiding integratieve dagen’ gezamenlijk houdt verband met de wens om samenhang te borgen.
Aan een geaccrediteerde opleidingsinstelling kunnen op grond van artikel 3.15, derde lid, van de Voda taken en bevoegdheden betreffende voornoemde onderwijsonderdelen worden overgedragen.
Naast voornoemde onderwijsonderdelen bestaat de beroepsopleiding advocaten uit een voorportaal en de onderwijsonderdelen ‘ethiek’, ‘algemene vaardigheden’ en ‘integratieve dagen’. Deze onderdelen worden uitsluitend verzorgd door de uitvoeringsorganisatie, met uitzondering van de basistest, die door een andere aanbieder wordt verzorgd.
Kwaliteits- en accreditatiekader BA2020