Dossiers

Digitaal procederen

Modernisering procesrecht

Modernisering procesrecht

Het ministerie van Veiligheid en Justitie is bezig het procesrecht te moderniseren en te vereenvoudigen. Dit project is onderdeel van het programma KEI dat het ministerie samen met de Rechtspraak uitvoert. Dit project leidt tot een ingrijpende aanpassing van het procesrecht.

De wetgeving daarvoor bestaat uit vier wetten en een Algemene Maatregel van Bestuur:

De Eerste Kamer heeft deze wetten op 12 juli 2016 aangenomen. De wetten treden over een aantal jaren gefaseerd in werking, vanaf het moment dat digitaal procederen verplicht gesteld wordt. In elke fase wordt een type zaak gedigitaliseerd. Zie hiervoor ook het schema 'invoering digitaal procederen'.

Procedure in eerste aanleg
De procedure in eerste aanleg is in de nieuwe wetgeving op vijf punten wezenlijk veranderd:

  • De huidige verplichting tot het betekenen van een dagvaarding is opgeheven;
  • Er zijn meer wettelijke termijnen voor het verrichten van specifieke processtappen;
  • De rechter voert meer regie op het verloop van de procedure;
  • In het burgerlijk procesrecht is het mogelijk een procedure digitaal te starten en tijdens de procedure digitaal stukken in te dienen bij de rechter;
  • In de civiele procedure is er nog maar een inleidend processtuk voor zowel de vordering als het verzoek: de procesinleiding.

De nieuwe procedure in eerste aanleg verloopt als volgt:

  • Partijen wisselen hun standpunten uit in één schriftelijke ronde, met inachtneming van de wettelijke termijnen;
  • De eiser en de verweerder brengen hun standpunten en bewijsstukken zo veel mogelijk al bij de indiening van de procesinleiding respectievelijk het verweerschrift in het geding;
  • Er vindt een mondelinge behandeling plaats;
  • De rechter doet uitspraak na de mondelingen behandeling. Hij kan dat mondeling of schriftelijk doen.

Hoger beroep en cassatie
Sinds 1 maart 2017 is het mogelijk in civiele vorderingszaken digitaal te procederen. De belangrijkste wijzigingen voor de procedure in hoger beroep en cassatie zijn:

  • De wijziging van de procedure in eerste aanleg is zoveel mogelijk overgenomen in de procedures voor hoger beroep en cassatie;
  • Er is bij hoger beroep één inleidend document, het hoger beroepschrift;
  • De tweeconclusieregel voor hoger beroep blijft ongewijzigd;
  • Nadat de rechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan, hebben partijen een termijn van drie maanden om hoger beroep in te stellen;
  • De eiser heeft een termijn van maximaal twee weken om de verweerder op informele of formele wijze op de hoogte te stellen van het hoger beroep. De verweerder heeft minimaal twee weken om te verschijnen in de procedure.

Inbreng van de NOvA
Vertegenwoordigers van de advocatuur namen deel aan de gesprekken die hebben geleid tot de KEI-wetgeving. Daarnaast gaven de adviescommissies burgerlijk procesrecht en bestuursrecht van de NOvA inhoudelijk advies bij beide voorstellen, evenals de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) en de Rechtspraak. Bijgaand schema koppelt alle onderdelen van de wetswijzigingen aan de adviezen daarover van de NOvA, de NVvR en de Rechtspraak. Daardoor kunt u in één oogopslag zien wat de adviezen per onderdeel waren.