03-09-2019

Johan Rijlaarsdam algemeen deken NOvA

"Feiten en fabels over het verschoningsrecht"

Vlak voor de zomer verschenen in de media artikelen over de (veronderstelde) reikwijdte van het verschoningsrecht van advocaten. Collega AR-lid Petra van Kampen schreef hierover al een blog. Het is niet voor het eerst dat dit onderwerp in de belangstelling staat. Vanuit de hoek van de (fiscale) opsporing is meer dan eens gepleit voor een stevige inperking van dit recht.

Vooralsnog heeft de wetgever aan dergelijke oproepen vanuit de opsporingspraktijk geen gehoor gegeven. Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft het belang van het behoud en de bescherming van de vertrouwelijkheid in de plannen rondom de modernisering van het Wetboek van Strafvordering zelfs expliciet benadrukt. De staatssecretaris van Financiën heeft bij de implementatie van de zogeheten DAC6-richtlijn het wettelijk verschoningsrecht intact gelaten. Een belangrijk beginsel in onze rechtsstaat is daarmee tot dusver gerespecteerd.

Uit enkele van de eerder genoemde publicaties en de reacties daarop blijkt echter dat in de praktijk nog altijd de nodige onduidelijkheden en misvattingen bestaan over de aard en omvang van het verschoningsrecht. Reden voor de NOvA om alle uitgangspunten weer eens op een rij te zetten en onwaarheden en halve waarheden naar het rijk der fabelen te verwijzen.

Dat doen wij deze week om te beginnen in een brief aan de Tweede Kamer. Doel hiervan is te zorgen dat het debat, binnen de Kamer maar ook daarbuiten, op grond van de feiten wordt gevoerd. In de brief gaan wij in op de vraag waarom het verschoningsrecht zo’n belangrijk goed is, wat er wel en wat er niet onder valt en wie dat beoordeelt.

Om maar vast een voorschot te nemen op het laatste: de afweging of het verschoningsrecht van toepassing is, is in elk geval níet aan de opsporing. Te vaak lees en hoor ik dat de opsporing ‘last heeft’ van het verschoningsrecht van advocaten. Dat zal best zo zijn, maar dat betekent nog niet dat het verschoningsrecht dus moet worden ingeperkt, of dat de opsporing zélf bepaalt of het van toepassing is. Daarmee zou het rechtsstatelijke belang van het recht op vertrouwelijkheid en een in het belang van de rechtzoekende goed functionerende advocatuur volledig worden miskend. Of in een concrete situatie het verschoningsrecht van toepassing is, bepaalt een advocaat in de eerste plaats zelf en indien nodig is het laatste woord aan de rechter.

Dit najaar gaat de NOvA hierover opnieuw het gesprek aan met het Openbaar Ministerie. We zullen de staande magistratuur ook dan weer wijzen op haar verplichtingen om de vertrouwelijkheid van communicatie tussen advocaat en cliënt te respecteren. Feit is dat dit in de praktijk van de opsporing nu namelijk onvoldoende gebeurt, en dat is zeer verontrustend. Werk aan de winkel.