21-02-2019

Johan Rijlaarsdam algemeen deken NOvA

"De achterkant van Dekker"

Op 19 februari vond in de Eerste Kamer de voorzetting van het debat over de staat van de rechtsstaat plaats. Omdat dit onderwerp mij als algemeen deken van de NOvA bijzonder aan het hart gaat, was ik op de publieke tribune aanwezig om het debat goed te kunnen volgen.

Ik zag een inhoudelijk en interessant debat waaruit grote betrokkenheid bleek van de senatoren bij onderwerpen die de rechtsstaat bedreigen, zoals de grote tekorten bij de rechtspraak en de sociale advocatuur. Maar tijdens het debat moest ik ook aan iets anders denken.

In februari 2018, enkele maanden na zijn aantreden als minister voor Rechtsbescherming, werd minister Dekker in de Volkskrant gevraagd naar de reden van het mislukken van eerdere ministers zonder portefeuille, zoals Dekker dat formeel ook is. In zijn antwoord op die vraag stelde Dekker dat dat vaak mis ging omdat het “coördinerende ministers zonder departement en zonder geld waren, die hun hand moesten ophouden bij collega's”. Tussen hem en Ferd Grapperhaus, de minister van Justitie, waren daarentegen heldere afspraken gemaakt. Ik citeer weer: “Ferd doet de voorkant van de strafrechtketen, politie en Openbaar Ministerie, ik de tweede helft, als de rechter eraan te pas komt.” Dekker doet dus de achterkant.

Hieraan moest ik denken toen ik beide ministers in de senaat aan het werk zag. De uitlatingen in de Volkskrant geven een inkijkje in de visie van de minister op de rechtsbijstand, als iets dat er pas bij komt als een zaak naar de rechter gaat (of als iets dat er helemaal niet bij hoort, maar zo somber wil ik niet zijn). Die benadering, van een voor- en achterkant, doet geen recht aan de werkelijkheid.

In werkelijkheid proberen advocaten te voorkomen dat het op procedures aankomt, niet in de laatste plaats in zaken tegen de overheid. Zo zijn ze bijvoorbeeld al ver voordat een zaak op zitting komt heel hard bezig een echtscheiding zo soepel mogelijk te laten verlopen. Of leveren ze direct na de aanhouding consultatiebijstand en bijstand bij het politieverhoor aan iemand die van zijn vrijheid is beroofd. Advocaten zijn er dus ook aan de voorkant, en dat is maar goed ook.

Ik hoop dat hetgeen de senatoren eergisteren naar voren hebben gebracht over het belang van de sociale advocatuur voor onze rechtsstaat ook beklijft bij onze minister voor Rechtsbescherming. Rechtsbijstand is niet iets ‘voor erbij’, het is een belangrijke hoofdzaak.