Examen

De advocaat legt aan de commissie cassatie een opgave van het aantal opleidingspunten voor zoals aangegeven in artikel 4.9, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en derde lid, van de Verordening op de advocatuur via het model opgave opleidingspunten

In deze opgave beperkt de advocaat zich tot het vermelden van die activiteiten die naar eigen inzicht leiden tot tien cassatiewaardige opleidingspunten. Het is niet aan de commissie cassatie om uit een reeks van opgegeven activiteiten die activiteiten te lichten om te besluiten of aan het opleidingsvereiste van artikel 4.9, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en derde lid, van de Verordening op de advocatuur is voldaan.

Opleidingspunten in het kader van civiele cassatie zijn behaald op terreinen die leiden tot verdieping van de kennis van het burgerlijk recht, het burgerlijk procesrecht en de beheersing van de cassatietechniek. Daartoe worden bijvoorbeeld niet gerekend:
• het schrijven van een blog;
• het doceren in het kader van de beroepsopleiding;
• het bezoeken van zogenoemde cassatiecorrespondentendagen, tenzij daaraan een actieve bijdrage is geleverd.
Bij de opgave geeft de advocaat zich rekenschap van de artikelen 20 van de Regeling op de advocatuur.

Examenstof
De examenstof, bedoeld in artikel 21 van de Regeling op de advocatuur, bestaat uit de volgende onderdelen:

a. de laatste druk van:
  • Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4, Kluwer Deventer;
  • Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen 7, met uitzondering van Hoofdstuk I (geschiedenis en rechtsvergelijking), Kluwer Deventer; (N.B. hoofdstuk 1 behoort niet tot de examenstof).

De volgende boeken strekken tot aanbeveling:

  • W.D.H. Asser, Civiele cassatie, Nijmegen: Ars Aequi Libri (cahiers privaatrecht);
  • B.T.M. van der Wiel e.a. (red.), Cassatie, Wolters Kluwer 2019 Deventer.
b. jurisprudentie (tot en met 31 maart 2024):
  • HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 (Didam): Verkoop onroerende zaak door overheidslichaam. Gebondenheid aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur, gelijkheidsbeginsel (art. 3:14 BW). Verplichting voor overheidslichaam om mededingingsruimte en transparantie te bieden. Staatssteun?;
  • HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1957, NJ 2022/236, mt nt. Keus: Verbintenissenrecht. Onteigeningsprocedure. Toezegging Staat tot aanleggen brug; gehoudenheid toezegging na te komen; maatstaf; art. 6:2 lid 2 BW;
  • HR 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:984 (onoverdraagbaarheid van vorderingen leidt ook tot onverpandbaarheid);
  • HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683 Procesrecht. Gezag van gewijsde. Art. 236 Rv. Kan indien een vordering of verzoek is afgewezen en deze afwijzing berust op een voor gedaagde of verweerder nadelige beslissing over de rechtsbetrekking in geschil, die beslissing gezag van gewijsde krijgen? Heeft gedaagde of verweerder voldoende belang bij instellen van een rechtsmiddel?;
  • een in de NJ gepubliceerde uitspraak van de Hoge Raad naar eigen keuze, representatief voor de eigen praktijk.

Per 1 april 2024 komen bovenstaande uitspraken te vervallen en bestaat de jurisprudentie uit onderstaande uitspraken:

b. jurisprudentie (per 1 april 2024):
  • HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:784 (HR komt gedeeltelijk terug van Fafianie);
  • HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:17 (schade aan buurpand door plaatsing afzinkkelder);
  • HR 25 augustus 2023 ECLI:NL:HR:2023:1131 (kan “Haviltex” contractueel worden uitgesloten);
  • HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:18 (aansprakelijkheid bank (zorgplicht), verjaringstermijn);
  • een in de NJ gepubliceerde uitspraak van de Hoge Raad naar eigen keuze, representatief voor de eigen praktijk.
c. administratieve en financiële aspecten van de cassatiepraktijk: In het bijzonder betreffende griffierechten en toevoegingszaken.